Jeremia 25:15-29
Door het beeld van een rondgaande beker waaruit allen moesten drinken, wordt hier voorgesteld de algemene verwoesting, die over dat gedeelte van de wereld komen zou, waartoe Nebukadnezar, die juist nu begon te regeren en te handelen, het instrument moest zijn, terwijl zijn eigen land tenslotte eenzelfde lot zou treffen. Onder de beker wordt het zwaard verstaan zo wordt het ons verklaard in vers 16. Het is het zwaard, dat Ik onder hen zenden zal, het zwaard des oorlogs, dat onweerstaanbaar sterk en onverbiddelijk wreed zou zijn.
I. Wat de omstandigheden van dit oordeel betreft, moeten we opmerken:
1. Waar dit verwoestende zwaard vandaan zou komen, -"van Gods hand. Het is het zwaard des Heeren," Hoofdstuk 47:6, "dronken geworden in de hemel," Jesaja 34:5. God gebruikt goddelozen als een zwaard in Zijn hand, Psalm 17:14. "Het is de beker des wijns van de grimmigheid". Het is Gods rechtvaardige toorn, die dit oordeel zendt. De volkeren hebben Hem vertoornd door hun zonden en nu moeten zij vallen onder de tekenen van Zijn gramschap. Deze worden vergeleken met de een of anderen dronken makende drank, die zij gedwongen worden te drinken, zoals kwaaddoeners in vroeger tijd veroordeeld werden tot het drinken van de giftbeker. Van de goddelozen wordt gezegd, dat "zij drinken van de grimmigheid des Almachtigen," Job 21:20 en Openbaring 14:10. Hun deel aan `s werelds moeiten wordt voorgesteld door een beker rode wijn, die troebel is en vol van mengeling, Psalm 75:9, zie ook Psalm 11:7. Gods grimmigheid op deze wereld is slechts als een beker in vergelijking met de volle stromen, hiernamaals.
2. Door wiens hand het hun gezonden zou worden-door Jeremia's hand als de rechter gesteld over de volken, Hoofdstuk 1:10, om `t vonnis over hen uit te spreken en door Nebucadrezars hand als de uitvoerder van `t vonnis. Als wij nu letten op beider verhouding tot God, wat staat dan de arme profeet veel hoger dan de machtige vorst, hoewel het in `t oog van de wereld juist andersom scheen te zijn! Jeremia moest "de beker nemen van Gods hand en de volken dwingen er uit te drinken." Niets anders dan wat God heeft bepaald voorzegt hij hun en wat door goddelijke autoriteit wordt aangekondigd, zal zeker door goddelijke macht worden volbracht.
3. Naar wie het zou gezonden worden-naar alle volken, die met Israël in betrekking stonden en met hen verkeerden. Jeremia nam de beker en "gaf te drinken aan alle de volken," dat wil zeggen, hij profeteerde met betrekking tot elk van deze hier genoemde volken, dat zij delen zouden in deze grote verwoesting, die op handen was. Jeruzalem en de steden van Juda worden `t eerst genoemd, vers 18 want "het oordeel begint van het huis Gods, 1 Petrus 4:17, van Mijn Heiligdom," Ezechiël 9:6. Het blijkt niet of Nebukadnezar zijn oog voornamelijk op Jeruzalem en Juda in deze onderneming had gericht, maar waarschijnlijk was dit zo, want zij waren in even groot aanzien als de andere hier genoemde landen. Hoe `t ook zij, God had voornamelijk op hen `t oog. En dit gedeelte van de profetie was alreeds begonnen vervuld te worden, dit wordt aangetoond door de treurige bijvoeging: "gelijk het is te deze dage," want in het vierde jaar van Jehojakim had alles een dreigend aanzien aangenomen en was alles ontwricht. Farao, de koning van Egypte, wordt dan genoemd, omdat de Joden op dat gebroken riet vertrouwden, vers 19. Het overblijfsel vluchtte naar Egypte, en daar voorspelde Jeremia in `t bijzonder de verwoesting van Egypteland, Hoofdstuk 43:10 en 11. Al de volken om Kanaän heen moesten met Jeruzalem uit die bittere beker drinken, die beker van beroering. "De gemengde hoop, volgens sommigen de Arabieren, volgens anderen zwervers uit verschillende volkeren, die van plundering leefden, alle koningen des lands van Ur, verbonden met het land van de Edomieten". De Filistijnen hadden Israël last veroorzaakt, doch nu worden hun steden en hun heren een prooi van deze machtigen veroveraar. Edom, Moab, Ammon, Tyrus en Sidon zijn welbekende grenslanden van Israël, "van de eilanden, die aan de andere kant van de zee zijn" veronderstelt men, dat ze die delen van Phoenicië en Syrië zijn, die aan de Middellandse zee gelegen zijn. Dedan en de andere in vers 23 en 24 genoemde landen schijnen te hebben gelegen op de grenzen van Idumea aan de Arabische woestijn. Elam is het land van de Perzen, met wie de Meden zich verbonden. Deze volken werden toen als onaanzienlijk beschouwd, en toch zijn ze later in staat weer wraak op Babylon te nemen voor zichzelf en al hun buren. De koningen van het noorden, die nabij en die op enigen afstand lagen van Babel, zullen zeker genomen worden en buit gemaakt door het zegevierend zwaard van Nebukadnezar. Ja, hij zal zijn overwinningen voortzetten met zulk een buitengewone drift en zo succesvol, dat alle toen bekende koningen aan zijn eerzucht zullen opgeofferd worden. Van Alexander wordt gezegd, "dat hij de wereld veroverd heeft, en het Romeinse keizerrijk wordt de wereld genoemd", Lukas 2:1. Of men kan het ook zo nemen, dat "het `t doemvonnis van alle koninkrijken van de aarde inhoudt". De wereld is geweest en zal blijven een groot strijdperk, waar des mensen wellusten strijd voeren, zoals zij doen in uw leden, Jakobus 4:1. Maar, aan `t eind van dit vers staat, dat de veroveraars eenzelfde lot zal wedervaren als de overwonnenen: "En de koning van Sesach zal na hen drinken," dat is: de koning van Babel zelf, die zijn naburen al die moeite en dat verdriet heeft aangedaan, zal tenslotte dit alles op zijn eigen hoofd zien terugkomen. Dat met Sesach, Babel bedoeld wordt blijkt duidelijk uit hoofdstuk 51:41 : maar of het een andere naam voor dezelfde stad was of een andere stad van hetzelfde koninkrijk, is niet zeker. De ondergang van Babylonië werd voorzegd in vers 12, 13. Daar het geprofiteerd was, dat het de verwoester van zo vele volken zou zijn, is de herhaling hier zeer op haar plaats.
4. Wat het gevolg zou wezen. De verwoestingen, in al deze koninkrijken door `t zwaard aan te richten, worden voorgesteld door onmatig drinken, vers 16 :Dat zij drinken, en beven, en dol worden, en vers 27. Drinkt en wordt dronken, en spuwt en valt neer, dat gij niet weer opstaat. Dit nu kan dienen,
A. Om ons te doen walgen van de zonde van de dronkenschap, waarvan de gevolgen worden genoemd om duidelijk de ellendige en ongelukkige toestand aan te tonen van hen, die er zich aan overgeven. Dronkenschap berooft de mens tijdelijk van het gebruik zijns verstands en maakt hem dol. Zij ontneemt hem eveneens, wat hem na `t verstand zo'n grote zegen is, namelijk zijn gezondheid, zij maakt hem ziek en brengt zijn leven in gevaar. "Dronken lieden vallen dikwijls en staan niet meer op." Het is een zonde, die zichzelf straft. Hoe ellendig zijn die lieden er aan toe, die zich zo nu en dan aan drank te buiten gaan, maar veel erger is `t nog met diegenen, die aan de drank verslaafd zijn geraakt.
B. Om ons te doen vrezen voor de vreselijke bezoeking van de oorlog. Als God met het zwaard een volk tegenkomt om het te verdelgen, wordt het spoedig een dronken man gelijk, in de war gebracht door de plotselingen schrik van de oorlog, zijn raadgevers zullen dol zijn, ten einde raad, aarzelend in al hun maatregelen en wankelend in hun doen, droevig gestemd door voortdurende kwellingen, uitspuwende, wat zij met grote gretigheid hebben ingeslikt Jeremia 20:15, neer vallend voor de vijand en even onbekwaam om weer op te staan of ook maar iets te doen om zichzelf te helpen als een stomdronken man, Habakuk 2:16.
C. De ontwijfelbare zekerheid van zijn komst en de reden er voor, vers 28, 29. Zij zullen weigeren de beker van uw hand te nemen, niet dat zij er afkerig van waren, dat het oordeel zou komen, maar zij wilden ook liever niet geloven, dat het ooit over hen komen zou, zij willen geen waarde hechten aan de voorzegging van zo'n verachtelijke man als Jeremia is. Maar hij moet hun aanzeggen, dat het is: "het Woord van de Heere van de heirscharen" en dit heeft hij ook gedaan. Tevergeefs is het te strijden met de Almachtige: "Gij zult zeker drinken." En nu moet hij hun de reden opgeven: Het is een tijd van bezoeking, een dag van afrekening, en Jeruzalem is alrede ter verantwoording geroepen: "In de stad, die naar Mijn naam genoemd is, begin Ik te plagen, de onderlinge band tussen ons zal haar niet van straf vrijwaren, zoudt gij enigszins onschuldig gehouden worden? Neen: Als dit aan het groene hout gedaan wordt, wat zal dan aan het dorre geschieden?" Als zij, die enig goed in zich hebben, zo streng moeten boeten voor het kwaad, dat bij hen gevonden wordt, kunnen dan anderen, bij wie meer kwaad gevonden wordt en geen goed, dan verwachten, dat zij ontkomen zullen? Als Jeruzalem gestraft wordt, omdat het de afgoderij van de volken leerde, zullen dan de volkeren, van wie het ze leerde, niet gestraft worden? Ongetwijfeld zal dat gebeuren: "Ik roep het zwaard over alle inwoners van de aarde," want zij hebben de inwoners van Jeruzalem helpen verleiden.
II. Over deze hele zaak kunnen we opmerken,
1. Dat er een God is, die op de aarde vonnis geeft, aan Wien alle volkeren rekenschap schuldig zijn en in Wiens oordeel zij moeten berusten.
2. Dat God de grootste volken gemakkelijk tot ondergang kan brengen, hoe groot en machtig en sterk zij ook mogen wezen.
3. Dat met hen, die tot een kwelling en plaag voor Gods volk geweest zijn, ten laatste afrekening gehouden wordt. Vele van deze volken hadden op hun beurt Israël kwaad aangedaan, maar nu komt verwoesting over hen. Het jaar van de verlosser zal aanbreken, zelfs het "jaar van de vergeldingen om Zions twistzaak."
4. "Dat de last van het woord des Heeren" tenslotte de last van Zijn oordelen worden zal. Jesaja had lang geleden reeds tegen de meeste van deze volken geprofeteerd, Hoofdstuk 13 enz. en nu zullen al die profetieën tenslotte in vervulling komen.
5. Dat dezulken, die ijverzuchtig naar macht en heerschappij zijn, gewoonlijk de wereld in beroering brengen en de plagen van hun geslacht worden. Nebukadnezar was zo trots op zijn macht, dat hij geen gevoel voor recht had. Dit zijn de lieden, die de wereld in opschudding brengen en toch verwachten, dat men ze zal bewonderen en verafgoden. Alexander meende een groot vorst te zijn, maar anderen zagen in hem slechts een grote rover, en niets meer.
6. Dat de grootste pracht en macht hier op aarde slechts een onzeker bezit zijn. Voor Nebukadnezars grote kracht moesten koningen zich buigen en gevangenen worden.