Jesaja 39:1-4
Hier kunnen wij deze les leren:
1. Dat menselijkheid en gewone beleefdheid ons leren om ons te verblijden met onze vrienden en naburen als zij blij zijn, en hun geluk te wensen met hun verlossing, inzonderheid met hun herstel uit ziekte. De koning van Babel, gehoord hebbende dat Hizkia ziek was geweest en hersteld was, zond hem gezanten om hem daarmee geluk te wensen. Als Christenen onvriendelijke naburen zijn, dan zullen heidenen hen beschamen.
2. Het betaamt ons hen te eren, die door God worden geëerd. De zon was de god van de Babyloniërs. En toen zij vernamen dat het ten behoeve van Hizkia was geweest, dat de zon tot hun grote verbazing tien graden achterwaarts was gegaan, vonden zij zich verplicht om aan Hizkia al de eer te bewijzen, die zij konden. Zullen alle volken aldus wandelen in de naam van hun God en zullen wij dit dan niet ook doen?
3. Zij, die Godvruchtige mannen niet waarderen om hun Godsvrucht, kunnen er toch toe gebracht worden om hen uit andere oorzaken grote achting te bewijzen, en om de wille van hun wereldlijke belangen. De koning van sabel maakte hier het hof aan Hizkia, niet omdat hij vroom was, maar omdat hij voorspoedig was, zoals de Filistijnen begeerden een verbond te sluiten met Izak. omdat zij zagen dat de Heere met hem was, Genesis 26:28. De koning van Babel was een vijand van de koning van Assyrië, en daarom hield hij van Hizkia, omdat door de macht van zijn God de Assyriërs zozeer verzwakt waren.
4. Het is een moeilijke zaak om onder grote voorspoed nederig te blijven, Hizkia is hier een voorbeeld van. Hij was een wijs en Godvruchtig man, maar toen het éne wonder na het andere ten zijnen gunste was geschied, vond hij het moeilijk om zijn hart terug te houden van verheven te zijn, ja iets zeer gerings lokte hem toen in de strik van de hoogmoed. Paulus zelf had een doorn in het vlees nodig om hem er voor te bewaren, dat hij zich op de uitnemendheid van de openbaringen niet zou verheffen.
5:Het is ons nodig te waken over onze geest als wij aan onze vrienden onze bezittingen tonen hun tonen wat wij gedaan en wat wij verkregen hebben, opdat wij er niet trots op zijn, alsof wij door onze macht en onze verdienste deze rijkdom verkregen hadden. Als wij zien op onze genietingen en gelegenheid hebben om ervan te spreken, dan moet het wezen met nederige erkenning van Gods goedheid, meteen juiste waardering van andere verrichtingen, en verwachting van verliezen en veranderingen, ons niet verbeeldende dat onze berg vaststaat, maar wetende dat hij spoedig bewogen kan worden.
6. Het is een grote zwakheid van vrome mensen om grote gedachten van zichzelf te koesteren wegens de beleefde achting, die hun bewezen wordt door de kinderen van deze wereld, en er veel mee op te hebben om met hen bekend te zijn. Hoe armzalig was het voor Hizkia, die zo door God geëerd was geworden, om zo bijzonder trots te zijn op de achting, die hem door een heidense vorst werd betoond, alsof dit iets aan zijn waardigheid kon toevoegen! Wij behoren de beleefdheden van de zodanigen met interest te vergelden, maar er niet hoogmoedig op te zijn.
7. Wij moeten verwachten dat ons rekenschap gevraagd zal worden voor de werkingen van onze hoogmoed, hoewel die verborgen zijn, en in omstandigheden, die ons deden denken dat er geen kwaad in was, en daarom moeten wij onszelf er ter verantwoording voor roepen, en als er personen bij ons geweest zijn, die ons eer en achting betoonden, en als wij genoegen vonden in hun onderhoud, daar zij alles prezen wat zij van ons hoorden en bij ons zagen, dan moeten wij een Godvruchtige achterdocht nopens onszelf koesteren, vrezende dat ons hart er zich door verheven heeft. In zover wij oorzaak zien om te verwachten dat deze listige zonde van hoogmoed ingeslopen is in ons hart en zich gemengd heeft met onze gesprekken, moeten wij ons er over schamen, en evenals Hizkia hier, haar oprecht en openhartig beleden.