Jeremia 3:6-11
Wij moeten letten op de dagtekening van deze rede, ten einde haar goed te verstaan. Het was in de dagen van Josia, die het gezegende werk van de hervorming ter hand nam, waarin hij zeer ijverig was, maar het volk was niet oprecht in het deelnemen eraan. Het doel van hetgeen God hier tot de profeet zegt en hetgeen hij hun moet overleveren was hen daarover te bestraffen en hen voor de gevolgen van hun huichelarij te waarschuwen. De zaken van de beide koninkrijken van Juda en Israël worden hier vergeleken. De tien stammen waren in opstand gekomen tegen de troon van David en de tempel te Jeruzalem, en de twee stammen, die aan beide getrouw bleven. De afzonderlijke geschiedenissen van deze beide koninkrijken hebben wij gehad in de beide boeken van de koningen, en hier hebben wij de korte beschrijving ervan zover hier nodig is.
I. Hier is een kort begrip van de geschiedenis van Israël, de tien stammen. Wellicht had de profeet juist de geschiedenis van dat koninkrijk gelezen, toen God tot hem kwam en zei: Hebt gij gezien wat de afgekeerde Israël gedaan heeft? vers 6. Hij kon het niet zien dan in de geschiedbeschrijving, want zij waren in gevangenis gevoerd lang voor zijn geboorte. Maar wat wij in de geschiedenissen van de Schrift lezen, moet ons onderrichten en belang inboezemen, evengoed alsof wij ooggetuigen er van geweest waren. Het wordt genoemd de afkering van Israël, omdat dit koninkrijk was gesticht in een afval van de goddelijke instellingen, beide in kerk en staat. Nu heeft hij, betreffende hen gezien:
1. Dat zij schandelijk overgegeven waren aan afgoderij. Zij hadden gehoereerd op elke hoge berg en onder allen groene bomen vers 6, dat is, zij hadden andere goden aangebeden op hun hoge plaatsen en in hun bossen. En dat was geen wonder want zij waren begonnen God te dienen onder de vorm van de gouden kalveren te Dan en te Bethel. De weg van de afgoderij is een hellend vlak, zij die de beelden liefhebben en willen bezitten, zullen spoedig andere goden vereren en die ook hebben, want hoe zouden zij eerbied hebben voor het eerste gebod, die er geen gewetenszaak van maken om het tweede te overtreden?
2. Dat God door Zijn profeten hen heeft aangemaand en uitgenodigd om berouw te hebben en zich te bekeren, vers 7, nadat zij zulks alles gedaan hadden waarvoor God haar rechtvaardig had kunnen verlaten, zei God tot hen: Bekeer u tot mij en Ik zal u aannemen. Ofschoon zij beide het huis van David en het huis van Aäron hadden verlaten die beide hun gezag van God ontvangen hadden, en God Zijn profeten onder hen gezonden had om hen tot bekering te roepen en Hem alleen te eren, die niet zozeer als men zou verwacht hebben aandrongen op terugkeer tot het huis van David, maar de nadruk legden op terugkeer tot het huis van Aäron. Wij lezen niet dat Elia, de grote hervormer, ooit hun terugkeer tot het huis van David vorderde maar wel drong hij aan op hun terugkeer tot de echte eredienst van de ware God zoals die onder hen geweest was. Het is ernstige genade dat God eist naar Zijn eigen inzettingen gediend te worden.
3. Niettegenstaande dit alles hadden zij volhard in hun afgoderijen, maar zij bekeerden zich niet en God zag het. Hij nam er nota van en het mishaagde Hem zeer, vers 7, 8. God houdt er rekening mee, al doen wij het niet, hoe dikwijls Hij ons geroepen heeft om tot Hem weer te keren en wij geweigerd hebben.
4. Daarom heeft God hen verworpen en overgegeven in de handen hunner vijanden, vers 8. Toen Ik zag (zo kan her ook gelezen worden) dat Ik ter oorzake van alles, waarin de afgekeerde Israël overspel bedreven had, haar moest verlaten en haar de scheidbrief gegeven had. God scheidde zich van Israël door het zijne bescherming te onttrekken en het een gemakkelijke prooi te doen zijn voor ieder, die de hand aan het volk wilde slaan, toen Hij al hun synagogen en profetenscholen liet vernielen en het van het voorrecht uitsloot om voortaan enig beroep te mogen doen op het verbond, dat met hun vaderen gesloten was. Zij zullen rechtvaardig van God gescheiden worden die zich bij Zijn mededingers aansluiten. Het bewijs daarvan ziet men in hetgeen God Israël deed.
II. Laat ons nu zien hoe de zaak stond met Juda, het koninkrijk van de twee stammen. Juda wordt de trouweloze zuster "Juda" genoemd. Een zuster omdat zij uit hetzelfde geslacht afstamde, uit Abraham en Jakob. Maar terwijl Israël het karakter had van een afkerige, was Juda een trouweloze, of zoals men ook kan lezen, een verraderlijke. Zij toch had beleden dicht bij God zich te zullen houden toen Israël zich afkeerde, zij hield zich bij de koningen en priesters die God zelf had aangesteld, zij onttrok zich niet aan haar verbond, zodat verwacht mocht worden dat zij getrouw blijven zou. Toch bleek zij verraderlijk, vals en aan haar belijdenis en belofte ontrouw te zijn. Met het verraad van hen, die voorgeven God aan te hangen, zal even streng gerekend worden, als met de afval van hen, die openlijk tegen God opstaan. Juda zag wat Israël deed en wat er het gevolg van was, en had zich daardoor moeten laten waarschuwen. Israëls gevangenschap was bedoeld als een vermaning voor Juda, maar het had niet de begeerde uitwerking. Juda vreesde niet, maar achtte zichzelf veilig, omdat het zonen van Levi tot priesters en afstammelingen van David tot Koningen had. Het is een bewijs van grote stompzinnigheid en valse gerustheid, wanneer er in ons geen heilige vrees verwekt wordt door de oordelen Gods over anderen. Juda wordt hier beschuldigd van:
1. Dat toen zij een goddelozen koning had, die haar op de verkeerde weg leidde, zij hartelijk met hem instemde in zijn verkeerdheden. Juda was verhard genoeg om ook te hoereren, om elke afgod te vereren die haar voorgesteld werd en aan alle afgodische gebruiken deel te nemen, zodat zij het land ontheiligde door de lichtzinnigheid, of volgens andere lezing door de gemeenheid en laagheid, of door het gerucht, van haar hoererij. Zij was slecht geworden, ontheiligde het land en maakte het tot een walging voor God, want zij bedreef overspel met steen en hout, met de laagste afgoden die van steen en hout gemaakt waren. Tijdens de regeringen van Manasse en Amon, die aan afgoderij overgegeven waren, was het volk dit evenzeer, en niemand vreesde voor de verwoesting, welke Israël daardoor over haarzelf gebracht had.
2. Dat toen zij een goede koning hadden, die het volk hervormde, zij niet hartelijk met hem in die hervorming meegingen. Dit was toen het geval. God trachtte hen beter te maken door een goede regering, maar het kwaad en de toestand bleven hetzelfde. Zij bekeerde zich niet met haar gehele hart, maar valselijk, vers 10. Josia ging verder in de vernietiging van de afgoderij dan de beste van zijn voorgangers gedaan had en hijzelf "bekeerde zich tot de Heere met zijn gehele hart en met zijn gehele ziel en met zijn gehele kracht naar al de wet van Mozes, " zo wordt van hem getuigd in 2 Koningen 23:25. Het volk werd genoodzaakt zich uiterlijk met hem te verenigen, en verenigde zich ook met hem in de viering van een zeer plechtig paasfeest en in de vernieuwing van het verbond met God, 2 Kronieken 34:32, 35:17, maar zij waren daarin niet oprecht en hun hart was niet recht met God. En daarom heeft God juist in die tijd gezegd: "Ik zal Juda ook van Mijn aangezicht weg doen, gelijk als Ik Israël weg gedaan heb," 2 Koningen 23:27, want Juda was niet van de zonde teruggevoerd door het zien van Israëls wegvoering uit zijn land. Huichelachtige en onwaarachtige hervorming maakt een volk slechter. Wij bedriegen onszelf, indien wij denken God te bedriegen door een geveinsd wederkeren tot Hem. Er is geen godsdienst zonder oprechtheid.
III. De gevallen van de beide zuster-koninkrijken worden met elkaar vergeleken, en daarnaar als oordeel uitgesproken dat Juda de ergste van de twee was, vers 11 :De afgekeerde Israël heeft haar ziel gerechtvaardigd meer dan de trouweloze Juda, dat is: Israël is niet zo slecht als Juda. Bij deze betrekkelijke rechtvaardiging heeft Israël weinig baat. Wat zal het ons kunnen helpen indien wij zeggen kunnen: wij zijn niet zo slecht als anderen, indien wij niet werkelijk goed zijn? Maar het is wel een verzwaring van Juda's zonden, die in twee opzichten erger waren dan die van Israël.
1. Er werd meer verwacht van Juda dan van Israël, zodat Juda verraderlijk handelde, zij ontheiligde een meer geheiligde eed, en vervalste een ernstiger belofte dan Israël.
2. Juda had zich moeten laten waarschuwen, door de verwoesting die ter wille van de afgoderij over Israël gekomen was en had er niet naar geluisterd. Gods oordelen over anderen, indien zij niet helpen tot onze verbetering, zullen strekken om onze verwoesting zoveel zwaarder te maken. De profeet Ezechiël maakt in Hoofdstuk 23:11 dezelfde vergelijking tussen Juda en Israël, tussen Jeruzalem en Samaria, ja zelfs in Hoofdstuk 16:48 tussen Jeruzalem en Sodom, waarbij uitkomt dat Jeruzalem de ergste van de drie steden is.