30. Ik zocht nu enen man uit hen (vgl.
Hoofdstuk 9), die den muur mocht toemuren, die een muur opwierp tot bescherming van het huis Israëls (
Hoofdstuk 18:5), en voor Mijn aangezicht in de a) bresse staan voor het land, opdat Ik het niet mocht verderven, maar Ik vond niemand 1), en dien, die het wilde doen, kon Ik niet aannemen (
Jeremia 11:14a) Psalm 106:23.
1) God houdt den geest der gebeden in, zodat er niemand was die Zijne oordelen afbad. Als God komt met Zijne oordelen, is het een teken van Gods grote gramschap, wanneer de Geest der gebeden over Gods volk niet vaardig wordt. 31. Daarom heb Ik Mijne gramschap over hen uitgegoten, door het vuur Mijner verbolgenheid heb Ik hen verteerd; hunnen weg heb Ik op hun hoofd(Hoofdstuk 7:4, 9; 16:43) gegeven, spreekt de Heere HEERE.
In plaats van Jeruzalem wordt hier het gehele land genoemd, dat bij het doel der rede past; want juist ziet hier de Profeet op de verre uitbreiding der zonde, welke zich in de hoofdstad slechts in bijzondere mate had geconcentreerd.
Niet alleen het aardrijk, nog veel meer het menselijk hart levert allerlei onkruid op.
In Vers 24 staat niet van gewonen regen, maar plasregen, een stortvloed, als Goddelijk strafgericht (Exodus 13:11; 38:22), waardoor het land niet bevochtigd, maar afgespoeld en gereinigd wordt. De zin is: dat het land ook door den plasregen, het strafgericht ten tijde des toorns, zich niet heeft laten reinigen, alsof er geen plasregen gevallen ware.
De valse profeten, die zozeer de overhand hebben verkregen, dat zij voor de profeten gehouden worden, roven in zoverre de goederen en vermoorden de zielen, als zij het roof- en moordzuchtig handelen der groten (Vers 27) helpende en bevorderende ter zijde staan, hun het geweten niet opscherpen, maar integendeel toeschroeien, daar zij "vrede, vrede" roepen, waar geen vrede is. Zo zijn zij mede schuldig aan het roven en moorden der groten, die hen in hunnen dienst hebben. Zij gedragen zich als beschaafde en vreedzame mensen, stellen zich voor als de mannen der liefde tegenover de ruwe boetpredikers, de ware Profeten, maar goed bezien zijn zij rovers en moordenaars- daartoe zijn zij als `t ware zaamgezworen.
Dat de valse Profeten overeenstemmen, moet niemand verwonderen; leugen moet zich door leugen helpen.
In Vers 28 stelt de schilder der ontzettende toestanden nogmaals de leugenprofeten voor, die met een ijdelen schijn overpleisteren, en zich daarbij op Goddelijke openbaring beroemen.
Wanneer vorsten ene wreedheid begaan, mensen om het leven willen brengen en hun goed tot zich nemen, dadelijk zijn er valse profeten; zij prijzen het als ene Goddelijke daad, dat men zulke mannen, die niet alle hun goddeloosheden billijken, zou willen ombrengen en uitroeien; ja zij beroepen zich misdadig op den naam van God en geven Goddelijke uitspraken voor, dat de Heere dat zou hebben bevolen.
Het voorbeeld van de leiders der theokratie volgt de grote menigte, dan wordt elke soort van zonde en misdadige goddeloosheid misdreven.
De verdorvenheid is zo algemeen, dat er niemand te vinden is, die als rechtvaardige, zo als Abraham in Genesis 18:13, in de bresse zou kunnen treden, en door voorbede van den Heere het gericht der verdelging zou kunnen afwenden.
Jeremia met zijne krachtige boetprediking, bood zich wel als zulk een redder des volks aan, maar zij versmaadden hem, hij kon gene plaats verkrijgen. De man alleen doet het niet, de plaats moet er bij komen, het volk moet zich rondom hen scharen. Een, tegen wien ieder twist in het land, kan Gods gericht niet afwenden, hij kan het alleen bespoedigen.