Genesis 18:9-15
Terwijl deze hemelse gasten, (die gezonden waren om de belofte te bevestigen, die onlangs aan Abraham gedaan was, namelijk dat hij een zoon zou hebben bij Sara) aldus van Abrahams vriendelijke gastvrijheid genoten, belonen zij zijn vriendelijkheid. Hij ontvangt engelen, en krijgt engelen-loon, een vriendelijke, genadige boodschap van de hemel, Mattheus 10:41.
I. Er wordt voor gezorgd, dat Sara horen kon wat er gezegd werd. Zij moet door het geloof ontvangen, en daarom moet aan haar de belofte gedaan worden Hebreeën 11:11. Het was het zedig gebruik van die tijd, dat vrouwen niet met de mannen aan tafel zaten, tenminste niet met vreemdelingen, maar zich in haar eigen vertrekken ophielden, daarom is Sara hier buiten het gezicht, maar zij moet niet buiten het gehoor wezen. De engelen vragen: Waar is Sara, uw huisvrouw? vers 9. Door haar te noemen geven zij aan Abraham genoegzaam te kennen dat zij, hoewel zij vreemdelingen schijnen te zijn, hem en zijn gezin toch zeer goed kenden. Door naar haar te vragen toonden zij een vriendelijke belangstelling in de familiebetrekkingen van de man, die hun vriendelijke eer had bewezen. Dit is gewone burgerlijke beleefdheid, en als zij voortkomt uit een beginsel van Christelijke liefde, dan is zij geheiligd. En door over haar te spreken, terwijl zij het hoorde, wekten zij haar op om te luisteren naar hetgeen verder gezegd zou worden. Waar is Sara, uw huisvrouw? vragen de engelen. Zie, zij is in de tent, zegt Abraham. "Waar anders zou zij wezen? Daar is zij op haar plaats, zoals het haar gewoonte is, en zij is binnen het bereik van onze stem. De dochters van Sara moeten van haar leren kuis te zijn en "het huis te bewaren, "Titus 2:5. Met rondlopen wordt niets verkregen. Diegenen zullen het waarschijnlijkst troost verkrijgen van God en Zijn beloften, die op hun plaats zijn, zich op de weg van hun plicht bevinden, Lukas 2:8.
II. De belofte, dat zij een zoon zal hebben, wordt nu vernieuwd en bekrachtigd, vers 10. "Ik zal voorzeker weer tot u komen en u bezoeken met de vervulling, zoals Ik u nu bezoek met de belofte." God zal weerkeren tot hen, die Hem welkom heten. "Ik zal uw vriendelijkheid vergelden, Sara, uw huisvrouw zal een zoon hebben, het wordt nog eens herhaald in vers 14. Zo werden, tot versterking van het geloof van Gods volk, de beloften van de Messias dikwijls herhaald in het Oude Testament. Wij zijn traag van hart om te geloven, en daarom hebben wij voor hetzelfde doel regel op regel nodig. Dit is het woord van de belofte, aangehaald door de apostel, Romeinen 9:9, als die krachtens welke Izaak geboren is. De zegeningen, die anderen door de gewone voorzienigheid ontvangen, ontvangen de gelovigen door de belofte, hetgeen ze zeer lieflijk en tevens wèl verzekerd maakt. De geestelijke kinderen van Abraham zijn hun leven en hun blijdschap, hun hoop en hun alles, verschuldigd aan de belofte. Zij zijn wedergeboren door het woord van God, I Petrus 1:23.
III. Sara vindt die tijding te heerlijk om waar te kunnen zijn, vers 12. Sara lachte bij zichzelf. Het was geen lieflijke lach van het geloof, zoals van Abraham, Hoofdstuk 17:17 maar een lach van twijfel en wantrouwen. Dezelfde zaak kan gedaan worden uit zeer verschillend beginsel, waarover God alleen kan oordelen, die het hart kent. Het grote bezwaar er tegen, waar Sara niet overheen kan komen was haar leeftijd. "Ik ben oud geworden, naar de loop der natuur is de tijd om kinderen te baren voor mij voorbij, voornamelijk omdat ik tot nu toe onvruchtbaar geweest ben, en (hetgeen de moeilijkheid nog groter maakt, ook mijn heer is oud geworden."
Merk hier op: 1. Sara noemt Abraham haar heer, het was het enige goede woord, dat zij toen sprak, en de Heilige Geest neemt er nota van tot haar eer, en beveelt het aan alle Christelijke huisvrouwen ter navolging aan, 1 Petrus 3:6. "Sara is Abraham gehoorzaam geweest, hem noemende heer, " ten teken van achting en onderworpenheid. Aldus is het, dat de vrouw haar man moet vrezen, Efeze 5:33, dat is: hem moet eerbiedigen. En aldus moeten wij geneigd zijn om nota te nemen van hetgeen wel en betamelijk gesproken wordt, en wel tot eer van hen die het spreken, al is er dan ook iets verkeerds onder gemengd, terwijl wij dat verkeerde dan met de mantel der liefde moeten bedekken.
2. Menselijke onwaarschijnlijkheid komt dikwijls in tegenspraak met de Goddelijke belofte. De tegenwerpingen van de zinnen of van het menselijk verstand zijn zeer geschikt om het geloof van zwakke gelovigen te doen struikelen en in verlegenheid te brengen. Het is moeilijk om aan Gods beloften vast te houden met een onwankelbaar vertrouwen, als door de uitwendige omstandigheden de vervulling van die beloften zo onwaarschijnlijk, ja onmogelijk schijnt.
3. Zelfs zij waarin waar geloof aanwezig is hebben dikwijls een zware strijd te strijden met het ongeloof. Sara kon zeggen: ik geloof Heere, Hebreeën 11:11, maar moest er toch bijvoegen: Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp.
IV. De engel bestraft de onbetamelijke uitdrukkingen van haar ongeloof, vers 13,14.
Merk op:
1. Hoewel Sara deze engelen zeer vriendelijk en edelmoedig heeft onthaald, hebben zij toch, toen zij iets verkeerds deed haar er voor bestraft, zoals Christus Martha bestraft heeft in haar eigen huis, Lukas 10:40, 41. Als onze vrienden vriendelijk voor ons zijn, moeten wij daarom niet zo onvriendelijk zijn, om zonde in hen voorbij te zien.
2. God gaf deze bestraffing aan Sara door Abraham, haar man, tot hem zei Hij: Waarom heeft Sara gelachen?. Hij had haar wellicht de belofte niet meegedeeld, die hij hieromtrent enige tijd tevoren had ontvangen, indien hij ze haar wèl had meegedeeld en haar gezegd had, hoe zij hem nog herhaaldelijk bevestigd en bekrachtigd was, dan zou dit voorkomen hebben dat zij er nu zo door verrast werd. Of het werd aan Abraham gezegd, opdat hij het haar zou zeggen, wederzijdse bestraffing is, als zij nodig is, een van de plichten, die deze betrekking meebrengt.
3. De bestraffing zelf is duidelijk en ondersteund door een goede reden. Waarom heeft Sara gelachen? Het is goed om naar de reden van ons lachen te vragen, opdat het niet het lachen zij van een zot, Prediker 7:6. "Waarom heb ik gelachen?" Ons ongeloof, ons wantrouwen, is een zware belediging van de God des hemels. Met recht duidt Hij het ten kwade dat wij de tegenwerpingen van de zinnen in tegenspraak met Zijn belofte toelaten, zoals in Lukas 1:18. Hier wordt een vraag gedaan die volstaat om al de bedenkingen van vlees en bloed te beantwoorden en tot zwijgen te brengen: Zou iets voor de Heere te wonderlijk zijn? Dit is:
a. Is er iets zo verborgen dat het aan Zijn kennis ontsnapt? Of:
b. Is iets zo moeilijk, dat het Zijn macht te boven gaat? Neen, ook niet het geven van een kind aan Sara in haar ouderdom. IV. Sara poogt dwaas haar fout te verbloemen, vers 15. Zij loochende het, zeggende: ik heb niet gelachen, denkende, dat niemand haar kon logenstraffen. Zij sprak die leugen omdat zij vreesde, maar het was tevergeefs om het voor het alziende oog te willen verbergen, tot haar beschaming werd haar gezegd: neen, maar gij hebt gelachen. Nu schijnt:
1. Sara haar wantrouwen op te geven. Nu zij, door de omstandigheden met elkaar in verband te brengen, bemerkt dat het een Goddelijke belofte was, die haar betreffende gedaan was, laat zij alle twijfel en alle wantrouwen er van varen. Maar:
2. Er was een zondig pogen bij om een zonde te bedekken met een leugen. Het is een schande om verkeerd te doen, maar het is nog groter schande het te ontkennen, want hierdoor voegen wij aan onze ongerechtigheid nog ongerechtigheid toe. Vrees voor een bestraffing lokt ons dikwijls in een strik. Zie Jesaja 57:11. Voor wie hebt gij geschroomd of gevreesd? want gij hebt gelogen. Maar wij bedriegen onszelf, als wij wanen God te kunnen misleiden, Hij kan en zal de waarheid aan het licht brengen tot onze schande. "Die zijne overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn," want de dag komt, die ze zal ontdekken.