Psalm 106:13-33
Dit is een kort begrip van de geschiedenis van Israëls tergingen in de woestijn, en van de toorn Gods tegen hen vanwege deze tergingen, en dit kort begrip is wederom verkort door de apostel met toepassing op ons, Christenen, 1 Corinthiers 10:5 en vervolg, want deze dingen "zijn beschreven tot waarschuwing van ons," opdat wij niet evenals zij zondigen, en niet evenals zij zullen lijden.
I. De oorzaak van hun zonde was een niet letten op de werken en het woord van God vers 13.
1. Zij letten niet op hetgeen Hij voor hen gedaan had, zij vergaten haast Zijn werken en verloren de indruk, die zij op hen gemaakt hadden. Zij, die de zegeningen Gods over hen niet weten te benutten, en er niet naar streven om de weldaden, die zij hebben ontvangen, enigermate te vergelden, vergeten ze in werkelijkheid. Dit volk heeft ze ras vergeten, God nam hier nota van, Exodus 32:8. Zij zijn haast afgeweken. Zij haastten en vergaten Zijn werken, is de lezing in de kanttekening, waaruit sommigen opmaken dat hier van twee onderscheidene voorbeelden hunner zonde gesproken wordt. Zij haastten, vooruitlopende op hun verwachtingen van Gods beloften. Zij dachten weldra in Kanaän te zijn, en omdat zij er niet zo spoedig in waren twijfelden zij of ze er wel ooit in komen zouden en twistten met al de moeilijkheden, die zij op hun weg ontmoetten, terwijl toch "wie gelooft, niet zal haasten," Jesaja 28:16. En daarbij vergaten zij Zijn werken, die de onloochenbare bewijzen waren van Zijn wijsheid, macht en goedheid, en ontkenden de gevolgtrekking met evenveel zekerheid, alsof de voorafgaande stelling hun nooit bewezen was. Dit wordt nogmaals vermeld, vers 21, 22, zij vergaten God hun Heiland, zij vergaten dat Hij hun Heiland, hun Verlosser was geweest. Zij, die Gods werken vergeten, vergeten God zelf, die zich door Zijn werken bekend maakt. Zij vergaten wat slechts weinige dagen tevoren geschied was, waarvan zij, naar wij kunnen onderstellen zelfs toen gesproken moeten hebben, toen zij omdat zij er geen goed gebruik van maakten gezegd worden ze te hebben vergeten. Het was wat God voor hen gedaan had in Egypte in het land van Cham, en bij de Schelfzee dingen, die ook wij na zovele eeuwen niet kunnen of niet behoren te vergeten. Zij worden grote dingen genoemd, (want hoewel de grote God niets doet, dat klein of min is doet Hij toch sommige dingen, die in zeer bijzondere zin groot zijn) wonderwerken buiten de gewone weg van de voorzienigheid, en derhalve opmerkelijk en gedenkwaardig, vreeslijke dingen, ontzagwekkend voor hen en schrikkelijk voor hun vijanden, en toch spoedig vergeten, zelfs wonderen, die gezien werden, gingen voorbij als een verhaal, dat verteld wordt.
2. Zij gedachten niet aan hetgeen God tot hen gezegd had. Zij verbeidden naar Zijn raad niet, gaven geen acht op Zijn woord, hoewel zij Mozes hadden, die Zijn mond bij hen was, zij namen besluiten waaromtrent zij Hem niet raadpleegden, en deden eisen zonder om Zijn goedkeuring te vragen. Zij wilden terstond in Kanaän zijn, en hadden geen geduld om Gods tijd af te wachten, uitstel was hun ondraaglijk en daarom werden de moeilijkheden beschouwd als onoverkomelijk. Dit wordt uitgelegd in vers 24, zij geloofden Zijn woord niet, Zijn belofte, dat Hij hen meester zou maken van Kanaän, en vers 25 naar de stem des Heeren hoorden zij niet, die hun raad gaf, waarop zij niet wilden wachten, niet alleen door Mozes en Aaron, maar door Kaleb en Jozua, Numeri 14:6, 7 en verv. Zij die Gods raad niet willen verbeiden, zullen rechtvaardiglijk overgegeven worden aan de lust en het goeddunken van hun eigen hart, om te wandelen naar hun eigen raad. II. Vele van hun zonden worden hier genoemd, evenals de tekenen van Gods misnoegen, waaronder zij vielen vanwege die zonden.
1. Zij wilden vlees hebben, en wilden toch niet geloven dat God het hun kon geven, vers 14. Zij werden belust met lust in de woestijn. Zij hadden overvloed van brood, maar niets kon hen tevreden stellen, of zij moesten vlees te eten hebben. Zij werden nu geheel en al door wonderen onderhouden, zodat dit een hatelijke aanmerking was op de wijsheid en goedheid van hun Schepper. Waarschijnlijk waren zij nu ook nog slechts op zeer kleine afstand van Kanaän, en toch hadden zij geen geduld om op lekkernijen te wachten totdat zij er in waren, zij hadden kudden van runderen en schapen maar wilden ze niet slachten, God meest hun vlees geven, zoals Hij hun brood gaf, of zij zullen Hem niet geloven, geen goed woord voor Hem over hebben. Zij verlangden niet slechts naar vlees, maar werden er met lust naar bevangen. Een begeerte, zelfs naar geoorloofde dingen, wordt, als ze overmatig en heftig is, zondig, en daarom wordt dit "lust hebben tot het kwaad" genoemd, 1 Corinthiers 10:6, hoewel de kwakkelen als Gods gave, iets goeds waren, en er als zodanig van wordt gesproken, Psalm 105:40. Maar dit was nog niet alles. Zij verzochten God in de woestijn, waar zij zo'n ervaring hadden van Zijn goedheid en macht, en stelden het in twijfel of Hij hun hierin kon en wilde ter wille zijn. Zie Psalm 78:19, 20.
Hoe heeft God hun nu Zijn misnoegen hierover getoond? Dit wordt ons gezegd in vers 15. Hij gaf hun hun begeerte, maar gaf haar in toorn en met een vloek, want Hij zond aan hun zielen een magerheid, Hij gaf hun onrust in hun gemoed, en verschrikking van geweten, en zelfverwijt, veroorzaakt door de lichaams ziekte, die het gevolg was van hun gulzigheid, zoals dronkaards soms hebben na hun ongebondenheid. Of wel, dit is genomen voor de grote plaag, die de Heere over hen bracht, toen "het vlees nog tussen hun tanden was," zonals wij lezen in Numeri 11:33. Het was de vertering van het leven. Hetgeen, waar in hartstocht om gevraagd wordt, zal dikwijls in toorn worden gegeven. Velen, die alle dagen vrolijk en prachtig leven en wier lichaam gezond en vet is, hebben tegelijkertijd een magerheid in hun ziel, geen liefde tot God, geen dankbaarheid, geen honger naar het brood des levens, en dan moet de ziel wel mager zijn. Diegenen vergeten allerongelukkigst zichzelf, die hun lichaam onthalen op allerlei goed, maar hun ziel laten verhongeren. God geeft de goede dingen van dit leven in liefde, als Hij er genade bij geeft om Hem in het gebruik ervan te verheerlijken, want dan "zal de ziel in vettigheid zich verlustigen," Jesaja 55:2.
2. Zij twistten met de regering, die God over hen gesteld had, beide in de kerk en in de staat, vers 16. Ze benijdden Mozes in het leger, zij benijdden zijn gezag als opperbevelhebber van de heirscharen Israëls en opperrechter in hun gerechtshoven, zij benijdden Aaron zijn macht als heilige des Heeren, gewijd tot het ambt van hogepriester, en Korach maakte aanspraak op dit ambt, terwijl Dathan en Abiram als oversten van de stam van Ruben, Jakob's oudste zoon, er naar dongen om de voornaamste magistraten te zijn naar het zo zeer bewonderde recht van de eerstgeboorte. Diegenen bereiden verderf voor zichzelf, die hen benijden, op wie God eer gelegd heeft, en zich wederrechtelijk meester maken van ambten, die nooit voor hen bestemd waren. En rechtvaardiglijk zal verachting uitgestort worden over hen, die de heiligen des Heeren smaden en verachten.
Hoe heeft God Zijn ongenoegen hierover getoond? Het wordt ons gezegd, en het is genoeg om ons te doen sidderen, vers 17,18. Wij hebben de geschiedenis in Numeri 16:32, 35.. a. Zij, die het burgerlijk gezag beledigden, werden gestraft door de aarde, die zich opende en hen verslond, als niet geschikt om op Gods grond te gaan, omdat zij zich niet wilden onderwerpen aan Gods regering.
b. Zij, die het kerkelijk gezag wilden overweldigen in de dingen, die bij God te doen zijn, leden de wraak des hemels, want een vuur van de Heere verteerde hen, en zo werden zij die onrechtmatig de offerdienst wilden verrichten, zelf aan de Goddelijke gerechtigheid geofferd. De vlam stak de goddelozen aan brand, want hoewel zij wedijverden met Aaron de heilige des Heeren, voor heiligheid, Numeri 16:3, 5, heeft God hen veroordeeld als goddelozen, en hen als zodanig afgesneden, gelijk Hij ter bestemder tijd de mens van de zonde, die boze, zal verderven, niet tegenstaande zijn trotse aanspraken op heiligheid.
3. Zij maakten en aanbaden het gouden kalf, en dat wel bij Horeb, waar de wet was gegeven en God uitdrukkelijk had gezegd: gij zult u noch een gesneden beeld maken, noch er u voor nederbuigen, en zij deden beide. Zij maakten een kalf en zij bogen zich voor een gegoten beeld, vers 19. Hierin hebben zij de twee grote lichten, die God gemaakt heeft om over de kleine wereld te heersen, getrotseerd en beledigd.
a. Het licht van de menselijke rede, want zij veranderden hun eer, hun God, tenminste de openbaring van Hem, die altijd in een wolk was geweest (hetzij een donkere of een schitterende) zonder enige zichtbare gedaante, in de gedaante van Apis, een van de afgoden van Egypte, een os, die gras eet, niets kon grover, meer ergerlijk ongerijmd zijn dan dit, vers 20. Afgodendienaars zijn ten enenmale verdwaasd, op de ergerlijkste manier verkleinen zij God door Hem voor te stellen in de gedaante van een dier, en zichzelf door die voorstelling te aanbidden. Wat hier gezegd wordt het veranderen te zijn van hun eer wordt door Paulus verklaard in Romeinen 1:23 als te zijn "het veranderen van de heerlijkheid des onverderflijken Gods."
b. Dat van de Goddelijke openbaring, die hun geschonken was, niet alleen in de woorden die God tot hen gesproken heeft, maar in de werken, die Hij voor hen gewrocht heeft, wonderwerken, die luide verkondigden dat de Heere Jehovah de enig ware en levende God is, en alleen aangebeden moet worden vers 21, 22.
Hierover toonde God Zijn misnoegen door het raadsbesluit bekend te maken, dat Hij hen verdelgen zou, zodat zij geen volk zouden zijn gelijk zij, voor zoveel dit aan hen lag, in werkelijkheid Hem hadden afgesneden, zodat Hij geen God was. Hij sprak van hen te verdelgen, vers 23, en voorzeker zou Hij het gedaan hebben, indien Mozes, Zijn uitverkorene, niet in de scheur voor Zijn aangezicht gestaan had, vers 23. Indien hij niet tijdig tussenbeide ware getreden, om als voorspraak bij God te handelen, nopens het verderf dat God over hen ging brengen, en heerlijk had overmocht om Gods toorn van hen af te wenden. Zie de kracht des gebeds, en de invloed, die Gods uitverkorenen hebben in de hemel. Zie de barmhartigheid van God, en hoe gemakkelijk Zijn toorn zelfs van een tergend, weerstrevend volk wordt afgewend. Zie hier een type van Christus, Gods uitverkorene, in wie Zijn ziel een welbehagen heeft, die in de scheur stond voor Zijn aangezicht, om Zijn toorn af te wenden van een tergende wereld, en tot in eeuwigheid leeft om voorbede te doen. 4. Zij schonken geloof aan het bericht van de boze verspieders betreffende het land Kanaän in tegenspraak met de belofte van God vers 24 :Zij versmaadden ook het gewenste land. Kanaän was een gewenst land, omdat het een goed land was, Deuteronomium 8:7. Zij onderschatten het toen zij dachten dat het niet waard was om er iets voor te wagen, neen, zelfs niet onder de leiding van God zelf en er dus voor waren om een hoofd te kiezen, en weer te keren naar Egypte. Gods woord betreffende het land geloofden zij niet, maar zij murmureerden in hun tenten, en beschuldigden laaghartig God van de bedoeling hen herwaarts gebracht te hebben om hen tot een proef van de Kanaänieten te maken, Numeri 14:2.
En toen zij herinnerd werden aan Gods macht en belofte, was het zover van hen naar die stem des Heeren dat zij hen, die tot hen spraken, poogden te stenigen, Numeri 14:10. Het hemelse Kanaän is een goed, lieflijk land, er is ons een belofte gegeven dat wij het zullen binnengaan, maar er zijn velen, die het versmaden, die er de aanbieding van veronachtzamen en afwijzen, die boven hetzelve de voorkeur geven aan de rijkdom en de genietingen van deze wereld, en de moeite en het gevaar van dit leven er niet voor over hebben om het te verkrijgen.
Ook dit heeft God zozeer mishaagd, dat Hij tegen hen Zijn hand ophief, bij wijze van bedreiging, om hen neer te vellen in de woestijn of liever bij wijze van te zweren, want Hij heeft gezworen in Zijn toorn, dat zij in Zijn rust niet zullen ingaan, Psalm 95:11, Numeri 14:28, ja, en Hij dreigde dat Hij ook hun kinderen zou nedervellen onder de heidenen, en hen verstrooien zou door de landen, vers 26, 27, dat het gehele volk verstrooid en onterfd zou worden,. maar Mozes heeft overmocht om genade te verkrijgen voor hun zaad, en dat zij Kanaän zouden binnengaan. Zij, die Gods gunsten en inzonderheid het goede land, versmaden, verbeuren Zijn gunsten, en zullen voor eeuwig van het goede land worden buitengesloten.
5. Zij waren schuldig aan een grote zonde in de zaak van Peor, en dit was de zonde van het nieuwe geslacht, toen zij al bij de grens van Kanaän waren, vers 28. Ook hebben zij zich aan Baal Peor gekoppeld, en zo vervielen zij beide in afgoderij en overspel, in lichamelijke en geestelijke hoererij, Numeri 25:1, 3. Zij, die dikwijls deelgenomen hebben aan het altaar van de levende God, hebben nu de offeranden van de doden gegeten, van de afgoden van Moab, die dode beelden waren, of dode mensen, die tot goden werden verheven, of offeranden aan de helse goden ten behoeve van hun dode vrienden. Aldus hebben ze de Heere tot toorn verwekt met hun daden, vers 29, in minachting van Hem en Zijn inzettingen, Zijn geboden en Zijn bedreigingen. De ongerechtigheid van Peor was zo groot, dat lang daarna gezegd is dat zij "er niet van gereinigd zijn," Jozua 22:17.
God betuigde Zijn misnoegen hierover:
a. Door een plaag onder hen te zenden, die binnen weinig tijds vier en twintig duizend van deze onbeschaamde zondaars wegvaagde
b. Door Pinehas op te wekken, om zijn macht als magistraat aan te wenden ter onderdrukking van de zonde en de besmetting er van te stuiten. In zijn ijver voor de Heere van de heirscharen stond hij op en oefende gericht aan Zimri en Kozbi, zondaren van de eerste rang, zondaren van voorname stand in de maatschappij, hij voerde de wet aan hen uit, en die dienst was Gode zo welbehaaglijk, dat de plaag terstond werd opgehouden, vers 30. Door deze en andere dergelijke daden van openbare gerechtigheid bij die gelegenheid, Numeri 25:4, 5, hield de schuld op van nationaal te zijn, toen de bevoegde beambten hun plicht deden, liet God het aan hen over en hield het werk niet langer in Zijn eigen handen door de plaag. Nationale gerechtigheid voorkomt nationale oordelen. Daar Pinehas zich hierin bijzonder onderscheiden heeft, werd hem bijzondere eer aangedaan, want hetgeen hij gedaan had werd hem tot gerechtigheid gerekend van geslacht tot geslacht, vers 30, en ter beloning ervan werd het priesterschap erfelijk verklaard in zijn geslacht. Hij zal verzoening doen door de offeranden te offeren, die zo kloekmoedig een verzoening gedaan heeft zo lezen het sommigen in vers 30, door de zondaren op te offeren. Het is de eer van de heiligen om te ijveren tegen de zonde.
6. Zij bleven murmureren tot aan het einde van hun omwandelingen, want in het veertigste jaar vertoornden zij God bij het twistwater, vers 32, hetgeen doelt op de geschiedenis in Numeri 20:3-5. En hetgeen hun zonde nu verzwaarde, was dat het Mozes kwalijk ging om hunnentwil, want ofschoon hij de zachtmoedigste mens op aarde was, was hun geroep en geschreeuw toen zo tergend, dat het hem in drift ontstak, en daar hij nu zeer oud was geworden en op dit ogenblik niet op zijn hoede was, heeft hij wat onbedachtelijk voortgebracht met zijne lippen, vers 33, en niet gesproken zoals het hem toen betaamde, want hij zei in drift: "hoort toch, gij wederspannigen, zullen wij water voor ulieden uit deze steenrots hervoorbrengen?" Dit was Mozes' zwakheid, en het is beschreven ter onzer waarschuwing, opdat we leren, als wij geprikkeld en getergd worden, onze mond met een breidel te bewaren, Psalm 39:2-4, en ons te wachten met onze geest om aan de toorn niet te veel plaats te geven, want als het gemoed verbitterd en geprikkeld is, dan is het zelfs voor hen, die veel wijsheid en genade hebben, zeer moeilijk om niet onbedachtelijk te spreken. Maar het wordt het volk ten laste gelegd als hun zonde. Zij verbitterden zijn geest met hetgeen, waarmee zij God zelf tot toorn verwekten. Wij zijn verantwoordelijk, niet alleen voor onze eigen hartstochten, maar ook voor de hartstochten, die wij bij anderen daardoor opwekken, inzonderheid bij hen, die, indien zij niet ten uiterste getergd en geprikkeld waren, kalm en zachtmoedig zouden zijn.
God toonde Zijn misnoegen over deze hun zonde door Mozes en Aaron van Kanaän buiten te sluiten wegens hun wangedrag bij deze gelegenheid, en hiermede:
a. Heeft God Zijn toorn geopenbaard tegen alle drift en hartstochtelijkheid van die aard, zelfs in Zijn beste en meest geliefde dienstknechten. Indien Hij voor een onbedacht woord zo streng handelt met Mozes, wat verdient dan de zonde van hen, die zoveel hoogmoedige, boze woorden hebben gesproken? "Indien dit aan het groene hout gedaan is, wat zal aan het dorre geschieden"
b. God ontnam hun de zegen van Mozes, leiding en regering, op een tijd, toen ze die het meest nodig hadden, zodat zijn dood meer een straf was voor hen dan voor hem. Het is rechtvaardig in God om diegenen van onze betrekkingen en vrienden van ons weg te nemen die een zegen voor ons zijn, als wij gemelijk en tergend voor hen zijn en hun geest smart aandoen.