26. Alzo zegt de Heere HEERE, tot u als vertegenwoordiger des gehelen volks: Doe dien hogepriesterlijken hoed (
Exodus 28:37) weg, en hef die kroon af, om ze terzijde te leggen; deze zal dezelfde niet wezen 1), zij zullen niet meer zijn wat zij waren. Het Aäronietische priesterschap en het Davidische koningschap eindigen nu voor Israël. Wat tot hiertoe het lichtpunt der Theokratie was, is vergaan. Ik zal, als het oordeel (
Jesaja 2:12, en 10:23 v.) tot volvoering komt, verhogen dien, die nederig is, en veranderen dien, die hoog is, gelijk in
Hoofdstuk 17:22, is gezegd.
1) De priesterlijke hoed en de koninklijke kroon zijn de tekenen van de Hogepriesterlijke en koninklijke waardigheid. Wanneer derhalve de Heere hier zegt, dat de hoed en de kroon zullen weggenomen worden, dan spreekt de Heere daarmee het oordeel uit over de Theokratie. Dan kondigt de Heere daarmee aan, dat het rijk van Juda volkomen zal verwoest worden en dat er een tijd in Babel zal aanbreken, dat het volk zal zijn zonder Priester en zonder koning en zonder altaar en zonder hefoffer.
Maar ook dat van nu af aan de tijd zal komen, dat noch de ark des verbonds, noch de Urim en Tummim meer in het bezit zullen zijn van het volk. 27. Ik zal die kroon van Israëls vorst omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen, aan drie koningen na elkaar, Jojakim, Jojachin en Zedekia zal die worden ontnomen en voor alle volgende verloren zijn; ja zij zal niet zijn, totdat hij kome, die volgens de profetie (Genesis 49:10) daartoe recht heeft, of, aan wien het recht is en dien Ik dat geven zal (Psalm 72:1)
Men mag den in Vers 25 aangesproken koning niet als persoon van zijne plaats nemen, die hij als theokratisch koning innam, of toch moest innemen, om te kunnen zeggen, dat de opheffing van het priesterschap, welke hem in Vers 26 wordt aangekondigd, hem niet aanging. Het priesterschap was een grondzuil der theokratie, met welker ter zijdestelling de staat Gods en dus ook het koningschap moest te niet gaan, daarom wordt de afschaffing van het priesterschap eerst vermeld. De woorden van Vers 26 bevatten dus het doodvonnis over de theokratie, waarvan het Aäronietische priesterschap en het Davidische koningschap de fondamenten uitmaakten. Zij kondigden ook niet ene tijdelijke, maar ene gehele opheffing van beide ambten en waardigheden aan, en zijn met de verwoesting van het rijk van Juda door den koning van Babel tot vervulling gekomen. Het aardse koningschap van Davids huis werd na de ballingschap niet weer hersteld, en het hogepriesterschap na de ballingschap was even als de naëxilische tempel slechts ene schaduw van de heerlijkheid en het wezen van het Aäronietische hogepriesterschap. Even als aan den tempel van Zerubbabbel de arke des verbonds met de Schechina, de Goddelijke tegenwoordigheid ontbrak, zo ontbraken aan het hogepriesterschap het licht en recht (Exodus 28:30. 2 Koningen 25:17 en Ezra 6:15), waardoor de hogepriester werkelijk als Middelaar tussen den Heere en het volk kon staan.
Even als vóór de ballingen het hogepriesterschap geheel rustte en na de ballingschap slecht ene schaduw daarvan voor een tijd werd opgericht, zo kan dit voor de profetie gene verdere betekenis hebben. Deze ziet in het terugtreden en de verandering der oude Goddelijke regeling reeds datgene, wat naar Zijn wezen zich daarin openbaarde, de opheffing zelf. voor deze duurt de ballingschap voort, hoewel ook uitwendig de ellende daarvan is verminderd, voor deze zijn ballingschap en verschijning van den Messias nauw aan elkaar verbonden zaken. Wanneer vervolgens (Vers 27) de Profeet op Genesis 49:10 terug ziet, omschrijft hij het sjiloh ("rust" of "rustgever") door asjer lohammischpat (aan wien het recht is"): recht en vrede, genot des vredes, zo als het Juda na zijnen strijd is geprofeteerd, zijn verwante begrippen. Zonder herstelling van het recht, zonder grondige en volkomene handhaving daarvan is er volgens echt theokratische opvatting geen ware vrede. Zo wordt dan in Genesis 49 de werking, bij Ezechiël de werkende oorzaak genoemd, en terwijl de Profeet het sjiloh niet in den abstrakten zin "rust", maar in den concreten "rustgever" neemt, zet hij met alle recht in de plaats van degene, die den vrede geeft, dien, die het recht brengt, en daardoor, aan den toestand van verwarring en oplossing een einde makende, harmonie en vrede aanbrengt. Uit de toespeling is ene zo wel bekende, veel gebruikte voorzegging is ook de kortheid der uitspraak te verklaren. Deze vormt een zeer energisch slot en rustpunt voor de profetische rede. Gelijk den aartsvader in de verte een licht is opgegaan en hij den glans daarvan over het duistere der eeuwen ziet verbreiden, zo flikkert ook bij den Profeet die zelfde straal van heerlijke verwachting door den duisteren nacht van verwarring en van nameloze ellende, van welke hij zich omgeven ziet. 28. En gij, mensenkind, profeteer! ook tegen Rabba Ammons (Vers 20), van hetwelk het volgens Vers 21 v. zou kunnen schijnen, als zou het ongestraft blijven, en zeg: Alzo zegt de Heere HEERE van de kinderen Ammons en van hun smading, waarmee zij Juda en Jeruzalem bij hunnen ondergang overladen en het vol leedvermaak hopen (Hoofdstuk 25:3, 6. Zefanja 2:8); zo zeg, nadat gij hun in het algemeen hun lot hebt bekend gemaakt, tot nadere omschrijving: het zwaard, het zwaard is uitgetrokken tegen hen, het is ter slachting geveegd, gescherpt, om te verdoen en om te glinsteren(Vers 9 v.).