30. Gij zult ook in de borstlap van het gericht, die een zak vormt, de urim en de tummim, 1)licht en recht, zetten, dat zij op het hart van Aäron zijn, als zichtbaar onderpand, dat de Heere in ieder afzonderlijk moeilijk geval het tot bewaring en uitoefening van het recht nodige licht niet onthouden zal, als hij voor het aangezicht van de HEERE ingaan zal, zich in het heiligdom begeeft, alzo zal Aäron dat gericht van de kinderen van Israël, het ambt om het recht te handhaven, gedurig op zijn hart dragen voor het aangezicht van de HEERE, bij al Zijn verrichtingen in het heiligdom, waartoe hij de efod met de borstlap en de urim en tummim aantrekt.
1) Urim en Tummim =" licht en recht" of "waarheid." Waaruit deze bestonden is moeilijk te zeggen; slechts zoveel is zeker, dat het stoffelijke voorwerpen waren, die in of op de borstlap geplaatst waren (Leviticus 8:8), en niet, zoals velen geloven een en dezelfde zaak met de 12 stenen. Waarschijnlijk waren het twee stenen, die God zelf aan Mozes gaf, gelijk de beide door Hem beschreven tafelen van de wet (hoofdstuk 31:18). De ondervraging door de hogepriester, die in Numeri 27:21 voor moeilijke gevallen, die het gehele volk aangingen, bevolen wordt geschiedde geenszins op die wijze, dat er met de Urim en Tummim geworpen werd, zodat er door deze als door dobbelstenen een ja of nee kwam; maar de met de borstlap en het licht en recht bekleedde hogepriester bad de roeping, om van God uitspraak en beslissing te vragen. De Heere wilde dan door verlichting van Zijn Geest aan de Hogepriester als opperste vertegenwoordiger van de Theocratie het recht te kennen geven. Dat heeft de Heere zo getrouw gedaan, dat Johannes (11:47) zelfs een Kajafas, omdat hij hogepriester was, een woord op de lippen werd gelegd, dat geheel de goddelijke raad en wil uitsprak en een profetie behelsde, hoewel dit slechts een de spreker opgedrongen, maar daarom niet minder van boven hem ingegeven uitspraak was (gelijk staande met de woorden van Bileam, Numeri 24:15). Toen was de Urim en Tummim als zaak niet meer voorhanden, maar wel het wezen en de roeping van het oudtestamentische priesterschap, daar dit de laatste maal is, dat dit hogepriesterschap kracht heeft, omdat nu het nieuwtestamentische aanving, zo schittert het nog eens als de ondergaande zon in zijn gehele heerlijkheid, ondanks de onwaardigheid van de persoon, die het ambt bekleedt..
In de borstlap van het ambt, dus in de zak op plooi, die wellicht door de ringen werd dichtgehouden, moet "het licht en het recht" (de Urim en Tummim) worden gelegd. Omdat de Schrift geheel en al zwijgt van de vorm van hetgeen als zodanig werd gebezigd, kunnen wij slechts tot gissingen onze toevlucht nemen. Uit vele plaatsen kan het worden opgemaakt, dat de hogepriester in belangrijke en moeilijke gevallen in de naam van God op gezag van dit "licht en recht" uitspraak deed. Hoe dit geschiedde vinden wij nergens opgegeven. Bij de heidense volkeren vinden wij echter gebruiken, die, zowel wat de vorm als wat de aard van de zaak betreft, daarmee overeenstemmen. In Egypte hing de opperpriester, als hij als opperste rechter optrad, aan een keten een afbeeldsel van de waarheid om de hals, dat op een saffier was gegraveerd en met gesloten ogen werd voorgesteld. Bijna bij alle naties vinden wij zekere priesters en priesteressen, die in de regel bij gewichtige aangelegenheden Godspraken deden horen. Zo mogen wij het dan ook reeds vanzelf geloven, dat de Heere op soortgelijke wijze Zijn nabijheid aan Zijn volk zal hebben doen kennen. Dat de Urim en Tummim (gelijk Philo Jadaeus, die ten tijde van Jezus leefde, wil) twee geweven afbeeldsels zouden zijn geweest, die op de borstlap als op een voetstuk zouden hebben gezeteld, stemt niet overeen met de woorden: "doe ze in de borstlap"; een uitdrukking geheel in overeenstemming met die, welke wij in hoofdstuk 25:16 lezen, waar bevolen wordt: "de tafelen in de Verbondskist te doen". Misschien waren het twee beelden of juister nog een dubbele gedaante op de wijze van de Cherubijnen, die het "licht" de kennis van de waarheid en het "recht" de zedelijke reinheid voorstelde. Het Egyptische beeld heette alleen "waarheid", het Israëlitische "licht en recht", welke uitdrukking aan de heftigheid herinnert als de grondslag van de godsdienst van het Verbond, in tegenstelling van de heidense vergoding van de natuur. De wijze, waarop de hogepriester door dit licht en recht het inzicht ten deel werd, heeft men zich in geen geval voor te stellen, als werd dit verkregen door een raadplegen met het beeld of met de edelgesteenten, die door hun lichtschakering het antwoord zonden hebben gegeven. Veeleer hebben wij ons de zaak zó te denken, dat de hogepriester in dit beeld het goddelijk onderpand bezat, dat hem de zekerheid schonk, dat hij in alle gewichtige gevallen, waar het het recht en de welvaart van geheel Israël gold, op zijn gelovig gebed nooit door de Heere in het onzekere zou worden gelaten, wat Hij ten aanzien van Zijn volk wilde, zo moest bijv. Jozua en Mozes' dood voor de hogepriester Eleazar treden, om hem door "het licht" te raadplegen voor de Heere; naar diens uitspraak moeten hij en de gehele gemeente van Israël uit- en intrekken (Numeri 27:21); zo antwoordde God Saul na zijn verwerping niet meer door "het licht" (1 Samuël 28:6), na de Babylonische gevangenschap waren er geen hogepriesters meer met het "licht en recht", en men wachtte tot de beslissing van belangrijke vraagstukken het tijdstip, dat er weer een zou opstaan (Ezra 2:63) of wel totdat enig profeet zou zijn verschenen (1 Makk.4:44,45) $apoa$..
Wat nu de Urim en de Tummim betreft, het komt mij waarschijnlijk voor, dat het twee in het oog vallende tekenen zijn geweest op de borstlap, welke met die namen overeen kwamen. Want wat sommigen uit de Joden gissen, dat zij zijn geweest, de onuitsprekelijke naam van God, in het weefsel geplaatst, is niet vrij van dwaasheid en schandelijk bijgeloof. Van andere verklaringen, welke eveneens bespottelijk zijn, maak ik geen melding. Noch ook doe ik moeite, om te weten, hoedanig beide er hebben uitgezien. De zaak zelf is mij voldoende. Alzo, door de Urim of luister, ik twijfel niet, of daardoor is beduid het licht van de kennis, waarmee de ware Hogepriester alle gelovigen bestraalt. Ten eerste, omdat Hij alleen is het Licht der wereld (Johannes 8:12; 9:5), buiten wie alles vol duisternis is, en omdat in Hem alle de schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn. Daarom roemt Paulus naar waarde erop, dat hij niets wil weten behalve Jezus Christus, omdat Zijn hogepriesterschap ons genoeg is en overvloedig verlicht. Doch, zoals het volk vermaand wordt, de ogen te moeten richten op de glans van de priester, zo ook is heden ijverig te houden, wat Christus zelf leert (Johannes 8:2): Wie mij volgt, wandelt niet in de duisternis. Ten tweede, de Tummim, hetgeen volmaaktheden betekent, was een symbool van een zuivere en volkomen reinheid, welke niet anders dan in Christus te zoeken is. Want de Hogepriester zou niet aan de wet voldaan hebben, tenzij hij zuiver was en vrij van alle gebrek en aan wie van de volle Heiligheid niets ontbrak. De onderscheiding nu is niet ongerijmd, dat de Urim op het licht van de kennis en de Tummim op het leven betrekking heeft..
Dat nu de Schrift enige malen vermeldt, dat men de Urim en Tummim om raad heeft gevraagd, dat is, omdat de Heere zoiets toeliet, wegens de kinderlijke toestand van het oude volk. Want de ware Priester was nog niet verschenen, de bode van het grote Plan, van wie alle Profeten door de Geest gesproken hebben, de Bron van alle openbaringen en het uitgedrukte beeld van de Vader. Daarom, opdat de Priester, onder de schaduwbedeling, de tussenpersoon van God bij de mens zou zijn, moest hij bekleed worden met de insignes van Christus. Zo nu hebben de gelovigen onder een beeld geleerd, dat Christus was de weg, waardoor men tot de Vader kwam, en dat Hij zelf uit het hart van de Vader tevoorschijn heeft gebracht, wat nuttig is, om tot zaligheid te weten..
Sommigen houden het voor dobbelstenen, waarmee de hogepriester wierp; anderen voor de stenen van de borstlap zelf, die òf zelf, òf de letters daarop sterk blonken, om een Goddelijk antwoord te geven; nog anderen houden het voor een beeldje met een beweegbaar hoofd, dat door knikken of schudden een toestemmend of ontkennend antwoord gaf, evenals het beeld van de Meroësche afgod. Alles is gissen, daarom zal de eenvoudigste verklaring wel de beste zijn. De woorden Urim en Tummim betekenen: "licht en recht;" waarschijnlijk was het niets dan een strook perkament, waarop deze woorden geschreven stonden, welke Mozes binnen in de borstlap legde, en door middel waarvan God aan de hogepriester, die de borstlap droeg, de gave van de profetie meedeelde. Indien men vraagt, hoe ook goddeloze hogepriesters deze gave konden hebben, dan is het antwoord gereed: Bileam had die gave, en zelfs van Kajafas wordt gezegd (Johannes 11:51,52) dat hij profeteerde, omdat hij in dat jaar hogepriester was. Het is ook opmerkelijk, dat wij na de tijd van Salomo, toen de dienst over het algemeen veel vleselijker werd, van de Urim en Tummim niets meer lezen..
De LXX vertaalt de woorden door dhlwsiv ka alhfeia, openbaring en waarheid. Urim betekent licht, maar Tummim niet waarheid, maar volkomenheid, of volmaaktheid. Te vertalen door recht is daarom ook minder gelukkig.. Met die Urim en Tummim verscheen de Hogepriester niet in het Heilige der Heiligen, maar in het Heilige, en stond voor de binnenste voorhang, met het aangezicht gekeerd naar de Ark, achter die voorhang..
IV. Vers 31-35. Het derde stuk van de hogepriesterlijke kleding wordt thans beschreven. Het is de mantel van donkerblauw purpergaren, die tot onder de knie reikt, en van onderen beurtelings gouden granaatappelen en gouden klokjes heeft. Deze laatste gaven door de in deze zich bevindende tongen een geluid. Dit is de Insigne van Israël, waarde als Verbondsvolk, welke in de hogepriester haar toppunt heeft.