Psalm 99:1-5
De grondslag van alle godsdienst is gelegd in deze waarheid, dat de Heere regeert. God bestuurt de wereld door Zijn voorzienigheid bestuurt de kerk door Zijn genade, en beide door Zijn Zoon. Wij moeten geloven, niet alleen dat de Heere leeft, maar ook dat de Heere regeert. Dit is de triomf van de Christelijke kerk, en hier was het de triomf van de Joodse kerk, dat Jehovah hun koning is, en daaruit wordt de vermaning afgeleid: dat de volken beven, dat is:
a. Laat zelfs de onderdanen van dit koninkrijk beven, want er was in de Oud-Testamentische bedeling veel verschrikking. Bij de berg Sinai was Israël, en zelfs Mozes, geheel bevreesd en bevende, en toen was God vreeslijk uit Zijn heiligdommen, zelfs als Hij verscheen ten behoeve van Zijn volk, deed Hij vreeslijke, dat is ontzaglijke dingen. Maar wij zijn thans niet gekomen tot de "tastelijke berg en het brandende vuur," Hebreeën 12:18. Thans moet het zijn: De Heere regeert, de aarde verheuge zich, toen regeerde Hij meer door de kracht van heilige vreze, nu door de kracht van heilige liefde.
b. En nog veel meer: laat de vijanden van dit koninkrijk beven, want Hij zal hen of tot gehoorzaamheid brengen onder Zijn gouden scepter, of hen verpletteren met Zijn ijzeren roede. De Heere regeert, hoewel de volken in toorn er om ontstoken zijn, hoewel zij er zich om verteren van woede, maar ijdel is al hun tegenstand, Hij zal in weerwil van hen Zijn koning zalven over Zion, de berg van Zijn heiligheid, Psalm 2:6,. vroeg of laat zal Hij hen doen beven, Openbaring 6:15. De Heere regeert, de aarde bewege zich. Zij, die zich aan Hem onderwerpen, zullen bevestigd worden en niet bewogen worden, Psalm 96:10, maar zij, die Hem tegenstaan, zullen bewogen worden. Hemel en aarde en alle volken zullen bewogen worden, maar het koninkrijk van Christus kan niet worden bewogen, de dingen "die niet beweeglijk zijn, blijven," Hebreeën 12:27. In dezelve is de eeuwigheid, Jesaja 64:5.
Gods koninkrijk, opgericht onder Israël, wordt hier tot het onderwerp gemaakt van de lof van de psalmist.
1. God bestuurt de zaken van de Godsdienst, Hij zit tussen de cherubim, vers 1, als op Zijn troon om wet te geven door de orakelen, die daar overgeleverd werden, als op de genadetroon om smeekbeden te ontvangen. Het was de eer van Israël, dat onder hen de shechina, of de bijzondere tegenwoordigheid Gods was vergezeld van de heilige engelen, de tempel was het koninklijk paleis, en het heilige van de heiligen was de audiëntiezaal. De Heere is groot in Zion, vers 2, hier is Hij bekend en wordt Hij geprezen, Psalm 76:1, daar wordt Hij als groot zijnde gediend, meer dan overal elders, daar is Hij hoog boven alle volken, gelijk hetgeen hoog is, in het gezicht is gesteld, en er naar op wordt gezien, zo zijn de Goddelijke volmaaktheden op meer doorluchtige wijze door Hem geopenbaard in Zion dan overal elders. Laat hen daarom, die in Zion wonen en aldaar aanbidden, Uw grote en vreeslijke naam loven, en er U de eer van geven, want hij is heilig. De heiligheid van Gods naam maakt hem in waarheid groot voor Zijn vrienden en vreeslijk voor Zijn vijanden, vers 3. Deze is het, die zij hierboven aanbidden: Heilig, heilig, heilig.
2. Hij was alles in alles in hun burgerlijk bestuur, vers 4. Gelijk in Jeruzalem de getuigenis Israëls was, werwaarts de stammen opgingen, zo waren daar ook "de stoelen des gerichts gezet," Psalm 122:4, 5. Hun regering was een theocratie, Hij heeft David verwekt om over hen te heersen (en sommigen denken dat deze psalm geschreven werd bij gelegenheid van zijn gelukkige en rustige bevestiging op de troon) en hij is de koning, wiens sterkte het recht liefheeft, vers 4. Hij is sterk, al zijn sterkte heeft hij van God, en zijn sterkte wordt niet misbruikt ter ondersteuning van enigerlei onrecht, zoals de macht van grote vorsten maar al te dikwijls daarvoor misbruikt wordt, maar zij heeft gerechtigheid lief, hij doet recht met zijn macht, en doet het met welbehagen. En hierin was hij een type van Christus, aan wie God de troon Zijns vaders zal geven om recht en gerechtigheid te doen. Hij heeft macht om te verpletteren, maar zijn sterkte heeft gerechtigheid lief, hij regeert niet met harde strengheid, maar met gematigdheid, met wijsheid en met tederheid. Het volk van Israël had een goed koning, maar hier wordt hen geleerd tot God op te zien als tot Hem, door wie hun koning regeert. Gij hebt billijkheden bevestigd. God heeft hun voortreffelijke wetten gegeven, door welke zij bestuurd werden. Gij hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob. Hij heeft niet alleen dikwijls door Zijn onmiddellijke voorzienigheid Zijn eigen wetten met kracht gehandhaafd en ten uitvoer gelegd, maar zorg gedragen voor de bedeling des rechts onder hen door burgerlijke magistraten, die door Hem regeerden. Hun rechters richtten voor God, en hun oordeel was het Zijne, 2 Kronieken 19:6.
Deze twee dingen samenvoegende zien wij waarin Israël gelukkig was boven ieder ander volk, zoals Mozes het beschreven heeft, Deuteronomium 4:7, 8, namelijk dat God hun zo nabij was, zittende tussen de cherubim, en dat zij zo rechtvaardige inzettingen en rechten hadden, door welke billijkheid gevestigd was, en God zelf heerste in Jakob, waaruit hij dit gebod afleidt aan dit gelukkige volk, vers 5 :"verheft de Heere, onze God, en buigt u neer voor de voetbank van Zijn voeten, geeft Hem de eer van de goede regering, waar gij onder leeft, zoals zij nu gevestigd is beide in de kerk en de staat." Hoe groter de openbare zegeningen zijn waarin wij delen, hoe meer verplicht wij zijn om deel te nemen aan de openbare huldiging van God, inzonderheid behoort de oprichting van het koninkrijk van Christus het onderwerp te zijn van onze lof. Als wij tot God naderen om Hem te aanbidden, moet ons hart vervuld zijn van hoge gedachten van Hem, en Hij moet verhoogd worden in onze ziel. Hoe meer wij onszelf vernederen en ons voor God nederbuigen, hoe meer wij God verhogen. Wij moeten ons nederbukken aan de voetbank van Zijn voeten, aanbidden bij Zijn ark, die de voetbank was van Zijn genadetroon tussen de cherubim. Of wel, wij moeten ons nederbuigen op het plaveisel van Zijn voorhoven, en wij hebben goede redenen om aldus eerbiedig te zijn, want hij is heilig, en Zijn heiligheid moet ontzag in ons wekken, zoals zij in de engelen zelf ontzag wekt, Jesaja 6:2, 3.