Jeremia 32:26-44
Hier hebben wij Gods antwoord op Jeremia's gebed, bestemd om zijn gemoed te ontlasten en hem gerust te maken, en het is een volledige onthulling van de bedoelingen van Gods toorn tegen het tegenwoordig geslacht en de bedoelingen van Zijn barmhartigheid met de toekomstige geslachten. Jeremia wist niet hoe van beide te "zingen, van goedertierenheid en recht," maar God leert hem hier, Hem van beide te zingen. Als wij niet weten hoe het ene woord van God met het andere te rijmen, kunnen wij er toch zeker van zijn, dat beide waar zijn, dat beide zuiver zijn, dat beide in vervulling zullen gaan, en dat niet een tittel of jota ter aarde zal vallen. Toen Jeremia bevolen werd de akker in Anathoth te kopen, was hij bereid te hopen, dat God op `t punt stond het vonnis van Zijn toorn te herroepen en de Chaldeën te gebieden het beleg op te breken. Neen, zegt God, de uitvoering van het vonnis zal voortgang hebben, Jeruzalem zal tot puinhopen worden. Verzekeringen van toekomstige genade moeten niet uitgelegd worden als beveiliging tegen tegenwoordige ellende. Maar, opdat Jeremia niet zou denken, dat het bevel om deze akker te kopen, de betekenis had, dat de genade, die God voor Zijn volk, na hun terugkeer, bewaarde, alleen daarin bestond, dat Zij opnieuw hun eigen land in bezit zouden hebben, verklaart Hij hem, dat dat maar een type in afbeelding was van de geestelijke zegeningen, die hun dan overvloedig geschonken zouden worden, onnoemelijk veel meer waard dan akkers en wijngaarden, zodat zij in het "woord des Heeren," dat tot Jeremia kwam, eerst even vreselijke bedreigingen en daarna even kostelijke beloften hebben als misschien ergens anders in het Oude Testament, leven en dood, goed en kwaad, worden hier voor ons gesteld, bedenken wij ons en kiezen wij met wijsheid.
I. De ondergang van Juda en Jeruzalem wordt hier afgekondigd. Het besluit is uitgevaardigd en zal niet herroepen worden.
1. God betuigt hier Zijn eigen soevereiniteit en macht, vers 27 :Zie, Ik ben de Heere, een Wezen, dat uit Zichzelf bestaat en Zichzelf genoegzaam is, Ik zal zijn, die Ik zijn zal, Ik ben de God van alle vlees, dit is van alle mensen, hier vlees genoemd, omdat zij zwak zijn en niet in staat met God te twisten, Psalm 56:5, en omdat zij goddeloos en bedorven zijn, en ongeneigd God te gehoorzamen. God is de Schepper van alles, en gebruikt alles naar Zijn welbehagen. Hij, die de God van Israël is," is de God van alle vlees," en van de geest van alle vlees, en, indien Israël weggeworpen werd, zou Hij een volk kunnen verwekken tot Zijn naam uit een ander volk. Als Hij "de God van alle vlees" is, mag Hij wel vragen: "Zou Mij enig ding te wonderlijk zijn?" Wat zou Hij niet kunnen, aan Wien de kracht van alle mensen ontleend is, van Wien zij afhangen, en door Wien al hun handelingen worden bestuurd en geregeerd? Wat Hij van plan is te doen in toorn of in genade, dat kan niets verhinderen, en niets kan zijn plannen verstoren.
2. Hij blijft bij wat Hij reeds zo vaak gezegd heeft van de verwoesting van Jeruzalem door de koning van Babel, vers 28, Ik geef deze stad in de hand van Nebukadnezar, nu hij er de hand naar uitstrekt, en hij zal ze innemen en ze buit maken. vers 29. De Chaldeën zullen er inkomen en deze stad met vuur aansteken met de huizen, Gods huis niet uitgezonderd noch dat van de koning.
3. Hij geeft de reden aan van dit strenge optreden tegen de stad, die zo bij Hem in de gunst had gestaan. Het is de zonde, dat en niets anders, wat haar verderf is. a. Ze waren vermetel en onbeschaamd in het zondigen. Zij rookten aan Baäl, niet in een hoek, als iemand die bang is ontdekt te worden, maar op de daken van de huizen, om Gods rechtvaardigheid te tergen.
b. Zij bedoelden hiermee een belediging van God. Zij deden het, om Mij te vertoornen, vers 29. Door het werk hunner handen hebben zij Mij alleenlijk vertoornd, vers 30. Zij konden er zich geen genoegen, voordeel of eer van beloven, maar deden het opzettelijk om God te beledigen. En wederom, vers 32, Alle de boosheid, die zij gedaan hebben om Mij te vertoornen. Zij wisten, dat Hij een ijverig God was in alles, wat Zijn dienst betrof, en daar besloten zij Zijn ijver te treffen en Hem in het aangezicht te tarten. Tot Mijn toorn en tot Mijn grimmigheid is Mij deze stad geweest, vers 31. Hun gedrag was in ieder opzicht uitdagend.
c. Zij begonnen. bijtijds en waren steeds doorgegaan met God te tergen: Zij hebben van van de jeugd aan alleenlijk gedaan wat kwaad was in Mijn ogen, vers 30, getuige hun murmurering en weerspannigheid in de woestijn. En aangaande Jeruzalem, hoewel het een heilige stad was, is het tot Mijn grimmigheid geweest, van de dag af, dat zij haar gebouwd hebben, tot op deze dag toe, vers 31. O, hoeveel reden hebben wij om de geringe eer te betreuren, die God van deze wereld ontvangt, en de grote oneer, die Hem aangedaan wordt als zelfs in Juda, waar "Hij gekend wordt, en waar "Zijn naam groot is," en in Salem, waar Zijn tabernakel is, altijd gevonden werd wet een prikkel tot Zijn toorn was.
d. Alle rangen en standen onder de mensen droegen bij tot de gezamenlijke schuld en deelden daarom rechtvaardiglijk in de algemenen ondergang. Niet alleen "de kinderen Israëls," die zich van de tempel afgekeerd hadden, maar evenzeer "de kinderen van Juda," die hem trouw bleven-niet alleen het gewone volk, "de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem," maar zij, die de zonde in anderen hadden moeten berispen en bedwingen, waren de belhamels, "hun koningen, hun vorsten, hun priesteren en hun profeten".
e. God had hen herhaaldelijk tot berouw gemaand, maar zij luisterden niet naar Zijn woorden, maar keerden Hem lomp, de nek toe, die hen vermaande, hoewel Hij hun Meester was, aan Wien zij door hun plicht verbonden waren, en hun Weldoener, aan Wien zij door dankbaarheid en hun belang verbonden waren, vers 33. Ik leerde ze beter manieren, met evenveel zorg als ooft een teder vader een kind leerde, vroeg op zijnde en lerende, met overleg het onderwijs naar hun bevatting regelende, hen vroeg bij de hand nemende, als ze nog het meest buigzaam waren, maar alles tevergeefs, zij hebben Mij niet het aangezicht toegekeerd, zij wilden Mij niet eens aanzien, ja zij hebben Mij de nek toegekeerd, een gebaar van de grootste verachting. "Gelijk zij henlieden riepen als ondeugende kinderen, alzo gingen zij van hun aangezicht weg," Hosea 11:2. Zij hoorden niet om tucht aan te nemen, zij namen geen acht op een woord, dat tegen hen gezegd werd, hoewel het tot hun eigen bestwil bedoeld was.
f. Er was in hun afgoderij een goddeloze verachting van God, want, vers 34, zij stelden hun verfoeiselen (hun afgoden, die, zo zij wisten, in de hoogste mate gruwelijk waren voor God) in het huis, dat naar Mijn naam genoemd is, om dat te verontreinigen. Zij hadden afgoden, niet alleen op de hoge plaatsen en in de bossen, maar zelfs in Gods tempel.
g. Zij waren schuldig aan de meest onnatuurlijke wreedheid tegen hun eigen kinderen, want zij offerden ze aan Moloch, vers 35. Omdat het hun niet goed gedacht heeft, God in erkentenis te houden, maar hebben de heerlijkheid Gods veranderd in schande werden zij rechtvaardig overgegeven aan lage hartstochten en beroofd van natuurlijke genegenheid, en hun heerlijkheid werd veranderd in schande. En
h. Wat was het gevolg van dit alles?
i. Zij deden Juda zondigen, vers 35. Het hele land was aangestoken door de besmettelijke afgoderijen en ongerechtigheden van Jeruzalem.
j. Zij brachten het verderf over zichzelf. Het was, of zij het met opzet gedaan hadden, opdat Ik haar van Mijn aangezichte wegdeed, vers 31, zij wilden, dat Hij Zijn gunst aan hen onttrekken zou.
II. Het herstel van Juda en Jeruzalem wordt hier beloofd, vers 36, In het oordeel wil God Zijn genade gedenken, en er zal een tijd komen, een bepaalde tijd, om Zion te begunstigen. Ziehier,
1. De wanhoop, waartoe het volk ten laatste gebracht werd. Zolang het oordeel gedreigd werd van verre, hadden zij geen vrees, toen het over hen kwam, hadden zij geen hoop. Zij zeiden van de stad, vers 36 :Zij is gegeven in de hand des konings van Babel, niet door onze lafheid, of ons slecht gedrag, maar door het zwaard, en door de honger en door de pestilentie. Van het land zeiden zij, met spijt, vers 43 :Het is woest, dat er geen mens noch beest in is er is geen hulp, geen redmiddel. Het is in der Chaldeën hand gegeven. Diepe rust eindigt gewoonlijk in diepe wanhoop, terwijl zij, die te allen tijd een heilige vrees koesteren, goede hoop hebben, zich in de moeilijkste tijd staande te kunnen houden.
2. De hoop, die God hun geeft op de genade, die Hij voor hen bewaart tot later. Hoewel zij sterven moeten in gevangenschap, zullen toch hun kinderen na hen dit goede land en daarin de goedheid Gods weerzien.
a. Zij zullen uit hun gevangenschap opgevoerd worden en zullen komen en zich opnieuw in dit land vestigen vers 37. Zij waren onder Gods toorn, grimmigheid en grote verbolgenheid geweest, maar nu zullen zij deelhebber aan Zijn genade, liefde en grote gunst. Hij had ze verstrooid en naar alle landen verdreven. Die vluchtten, verstrooiden zich, die in handen van de vijanden vielen, werden door deze verstrooid, uit politiek, om samenspanningen onder hen te voorkomen. Gods hand was in beide. Maar nu zal God hen weten terug te vinden, en hen vergaderen "uit alle de landen, waarheen Ik ze zal verdreven hebben" zoals Hij beloofd had in de wet, Deuteronomium 30:4, en wat de heiligen afgebeden hadden, Psalm 106:47, Nehemia 1:9. Hij had hen verbannen, maar "Hij zal ze weerbrengen tot deze plaats" waarvoor zij wel genegenheid moesten hebben. Vele jaren lang, terwijl zij in hun eigen land waren, waren zij voortdurend blootgesteld aan, en verschrikt door de schrik van de oorlog, maar nu "zal Ik ze zeker doen wonen". Daar zij zich verbeterd hebben, en tot God zijn teruggekeerd, zullen noch hun geweten van binnen noch hun vijanden van buiten een schrik voor hen zijn. Hij belooft, vers 41 :Ik zal ze getrouwelijk in dit land planten, niet alleen zal Ik het zeker doen, maar zij zullen hier een heilige zekerheid en rust genieten, en zij zullen wortel schieten, zij zullen geplant worden in standvastigheid, en niet meer worden ontworteld en aan `t wankelen gebracht.
b. God zal Zijn verbond met hen vernieuwen, een verbond van genade en geestelijke zegeningen, die het goede werk in hen zullen verrichten om hen te bereiden voor de grote dingen, die God van plan is voor hen te doen. Het wordt een eeuwig verbond genoemd, vers 40, niet alleen omdat God er voor eeuwig trouw aan blijven zal, maar omdat de gevolgen er van eeuwig zullen zijn. Want zonder twijfel reiken deze beloften verder dan tot Israël naar het vlees, en zijn vast voor alle gelovigen, voor iederen wezenlijke Israëliet. Goede Christenen mogen ze op zichzelf toepassen, en op die grond pleiten voor God, zij mogen hun recht er op laten gelden, en de troost er van zich toeëigenen.
c. God zal hen erkennen als de Zijnen en Zich aan hen geven om hun God te zijn, vers 38. Zij zullen Mij tot een volk zijn. Hij zal ze dat maken, door in hen te werken al de eigenschappen en neigingen van Zijn volk, en dan zal Hij ze leiden, beschermen en regeren als Zijn volk. "En om ze waarlijk, volkomen, eeuwig zalig te maken, zal Ik hun tot een God zijn." Zij zullen God dienen en aanbidden als hun God, en Hem alleen aankleven, en Hij zal Zichzelf als God bevestigen. Al wat Hij is, en al wat Hij heeft, zal in dienst staan en gebruikt worden hun ten goede. God zal hun een hart geven om Hem te vrezen, vers 39. Wat hij verlangt van hen, die Hij, als Zijn volk, opneemt in `t verbond met Hem, is, dat zij Hem vrezen, dat zij Zijn majesteit eerbiedigen, Zijn toorn duchten, ontzag hebben voor Zijn macht, Hem hulde brengen, en hem de ere geven, die Zijn naam toekomt. Nu belooft God hier wat Hij van hen verlangt, in hen te werken, in overeenstemming met Zijn verkiezing van Zijn volk. Zoals het Gods souvereine voorrecht is om de harten van de mensen te kneden, zo is het Zijn belofte aan Zijn volk, om het hun in een goede vorm te kneden, en een hart om God te vrezen is inderdaad een goed hart, en welgekneed. Dit wordt herhaald, vers 40, Ik zal Mijn vrees in hun hart geven, dat is de beginselen en neigingen van Mijn genade in hen werken, die hun gehele gedrag zullen doordringen en beheersen. Leraars kunnen het goede zaad in ons hoofd, maar God alleen kan het in ons hart brengen. Die in ons kan werken beide het willen en het volbrengen.
d. "Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven." Opdat zij in enerlei weg kunnen wandelen, zal Hij hun enerlei hart geven, zoals het hart is, zo zal de weg zijn, en beide zullen enerlei zijn, dat is:
Ten eerste: Zij zullen een ieder enerlei zijn met zichzelf. "Enerlei hart is hetzelfde als een nieuwe geest", Ezechiël 11:19. In dat geval is het hart enerlei wanneer het ten volle beslist is voor God en geheel gewijd aan God. Wanneer het oog eenvoudig is en de ere Gods het enige doel, waarop gemikt wordt, wanneer ons hart vast is, in vertrouwen op God en wanneer onze gehoorzaamheid aan Hem algeheel is en zonder uitzondering, "dan is het hart enerlei en de weg enerlei, " en als het niet zo vast is, zullen zijn daden ook onzeker zijn. Uit deze belofte mogen wij aanleiding nemen en moed vatten om met David te bidden, Psalm 86:11, "Verenig mijn hart tot de vreze Uws naams, want God zegt: Ik zal hun enerlei hart geven om Mij te vrezen."
Ten tweede: Zij zullen allen één zijn met elkaar. Alle goede christenen zullen in één lichaam ingelijfd worden, Joden en heidenen zullen één schaapskooi worden, en zij zullen allen, zo ver zij geheiligd zijn, geneigdheid hebben elkaar lief te hebben, daar het Evangelie, dat zij belijden, in zich de krachtigste drijfveren bevat tot wederzijdse liefde. en de Geest die in hen woont, de Geest van de liefde is. Hebben zij ook al verschillende opvattingen in kleine dingen, zij zullen toch allen één zijn in de grote dingen Gods, daar zij vernieuwd zijn naar hetzelfde beeld. Al hebben zij vele paden, zij hebben maar één weg, die van de ernstige goddeloosheid.
e. Hij zal op afdoende wijze voorzien in hun volharding en de genade en de voortduring van het verbond tussen hen en tussen Hem zelf. Zij zouden gelukkig zijn geweest, toen zij in het eerst in Kanaän geplant worden, zoals Adam in het paradijs, wanneer zij zich niet van God afgekeerd hadden. En daarom, nadat zij in hun geluksstaat hersteld zijn, zullen zij er in bevestigd worden, doordat het hun onmogelijk gemaakt wordt zich van God af te keren, en dit zal hun zaligheid volkomen maken.
Ten eerste, God zal hen nimmer begeven of verlaten: "Ik zal van achter hen niet afkeren, opdat Ik hun weldoe." Aardse vorsten zijn wispelturig, en hun grootste gunstelingen zijn gevallen onder hun voorhoofdfronsen, maar "Gods goedertierenheid is tot in eeuwigheid". Wien Hij liefheeft, "die heeft Hij liefgehad tot het einde." Het mag schijnen dat God zich van Zijn volk afkeert, Jesaja 54:8 maar zelfs dan keert Hij van achter hen om het goede voor hen te doen en te bedoelen.
Ten tweede: Zij zullen God niet verzaken noch verlaten, dat is het waarvoor wij gevaar lopen. Wij hebben geen reden om Gods trouw en standvastigheid te wantrouwen, maar die van onszelf, en daarom wordt hier beloofd, dat God hun een hart geven zal om Hem te vrezen alle de dagen, om in Zijn vreze te wandelen iederen dag en de helen dag, Spreuken 23:17, en zo voort te gaan tot het einde hunner dagen. Hij zal zo'n beginsel in hun hart leggen, "dat zij niet van Mij afwijken." Zelfs zij, die hun naam gegeven hebben aan God, zullen Hem verlaten, als zij zichzelf overgelaten zijn, maar als de vreze Gods in hun harten heerst, zal die hun afval beletten. Die zal het doen en anders niets. Als wij dicht bij God leven en Hem getrouw blijven, dan is dat louter te danken aan Zijn almachtige genade en niet aan enige kracht of besluit van onszelf.
f. Hij zal hun zaad de zegen doen beërven, zal hun genade geven om Hem te vrezen, hun ten goede, "mitsgaders hun kinderen na hen." Evenals hun afval van God ten nadele hunner kinderen was geweest, zo zou ook hun vasthouden aan God ten voordele hunner kinderen zijn. Wij kunnen de belangen van onze nakomelingschap niet beter behartigen, dan door de vreze en de dienst van God in ons gezin in te stellen en daarin te volharden.
g. Hij zal Zich verheugen over hun voorspoed en zal alles doen om allen te bevorderen, vers 41 :Ik zal Mij over hen verblijden, dat Ik hun weldoe. God zal hen zeker weldoen, omdat Hij zich over hen verblijdt. Zij zijn Hem dierbaar, Hij maakt hen tot Zijn roem en daarom zal Hij ze niet alleen goed doen maar zal Zich daarin ook verheugen. Als Hij ze straft, is dat met weerzin. Hoe zou Ik u overgeven, o Ephraim? Maar, als Hij hen herstelt is het met voldoening, Hij verblijdt Zich over hen, dat Hij hun weldoe. Wij behoren Hem daarom te dienen met blijdschap en ons te verheugen in alle gelegenheden om Hem te dienen Hij is zelf een blijmoedig gever, en heeft daarom een blijmoedigen knecht lief. "Ik zal ze planten (zegt God) met Mijn gehele hart en met Mijn gehele ziel." Hij zal er ijverig in zijn, en er genot in smaken, Hij zal het tot de zorg van Zijn Voorzienigheid maken om hen weer in Kanaän te vestigen, en de verschillende leidingen van de Voorzienigheid zullen daartoe samenwerken. Tenslotte zal blijken dat alle dingen zozeer hebben medegewerkt voor het welzijn van de kerk, dat gezegd zal worden: De Heerser van de wereld is geheel in beslag genomen door de zorg voor Zijn kerk.
h. Deze beloften zullen even zeker vervuld worden als de voorafgaande bedreigingen vervuld zijn, en de vervulling daarvan, ondanks de zekerheid van het volk, zou hun verwachting van de vervulling van deze kunnen bevestigen, ondanks hun tegenwoordige wanhoop, vers 42 :Gelijk als Ik over dit volk gebracht heb al dit grote kwaad, in overeenstemming met de bedreigingen, en tot verheerlijking van de goddelijke rechtvaardigheid, alzo zal Ik over hen brengen al het goede in overeenstemming met de belofte, en tot verheerlijking van de goddelijke genade. Hij, die getrouw is aan Zijn bedreigingen, zal dat nog veel meer zijn aan Zijn beloften, en Hij zal Zijn volk vertroosten, naar de dagen in dewelke Hij hen gedrukt heeft. De kerken zullen rust hebben na de dagen van tegenspoed.
i. Als een begin van dat alles, zullen huizen en akkers opnieuw een hogen prijs opbrengen in Juda en Jeruzalem, en hoewel zij nu niets waard zijn, zal er opnieuw een voldoend aantal kopers zijn, vers 43, 44:Er zullen velden gekocht worden in dit land, en men zal liever hier akkers hebben dan ergens anders. Waar ze ook liggen, zij zullen verkocht worden, niet alleen in de plaatsen rondom Jeruzalem, maar in de steden van Juda en van Israël ook, of zij op het gebergte liggen of in de laagte, of in het zeiden, in alle delen van het land, zal men voor geld kopen, en de brieven onderschrijven. De handel zal herleven, want zij zullen geld genoeg hebben om er land mee te kopen. De landbouw zal herleven, want die geld hebben zullen begerig zijn het in, landerijen te beleggen. De wetten zullen weer gehandhaafd worden, want men zal brieven onderschrijven en verzegelen. Dit wordt vermeld om Jeremia met zijn pas gekocht bezit te verzoenen. Hoewel hij een stuk grond gekocht had, en het niet kon gaan zien, moest hij toch geloven, dat dit het onderpand was van zo, menige hoop, en die alle weer flauwe gelijkenissen van de gekochte bezittingen in het hemelse Kanaän, bewaard voor al degenen, die Gods vrees in hun harten hebben, en niet van Hem afvallen.