Lukas 1:39-56
Wij hebben hier ene ontmoeting van de twee gelukkige moeders, Elizabeth en Maria. Door aan Maria te kennen te geven de gunst aan hare nicht Elizabeth bewezen, heeft de engel haar daar aanleiding toe gegeven vers 38, en soms kan het blijken, dat wij door goede mensen samen te brengen een beter werk hebben verricht dan wij denken, daar zij elkaar bemoedigen, door elkaar hun ervaringen mede te delen. Hier is:
I. Het bezoek van Maria aan Elizabeth. Maria was de jongste, en nog korter geleden zwanger, daarom was het het voegzaamst dat, zo zij samen moeten komen, Maria de reis doen zou, en niet zou staan op den voorrang, dien de hogere waardigheid harer ontvangenis haar verleende, vers 29. Zij stond op, liet hare zaken ten einde deze grotere zaak te behartigen, "in die dagen", te dier tijd (zoals het gewoonlijk verklaard wordt, Jeremia 33:15, 50:4) een paar dagen nadat de engel haar bezocht had, eerst, naar men veronderstelt, enigen tijd nemende tot gebed, of liever, zich heenspoedende naar hare nicht, daar zij hiertoe meer gelegenheid en betere hulp kon hebben in het gezin van een priester. Zij ging meta spoudês -met zorg, vlijt, en spoed, niet zoals de jonge lieden gewoonlijk uitgaan om hun vrienden te bezoeken, om zich te vermaken, maar om onderricht te ontvangen. Zij ging naar het gebergte in ene stad van Juda. Die stad wordt niet genoemd, maar door de beschrijving, die er hier van gegeven wordt, te vergelijken met Jozua 21:10, 11, schijnt het Hebron geweest te zijn, want daar wordt gezegd, dat zij lag op den berg van Juda en behoorde aan de priesters, de zonen van Aäron. Derwaarts spoedde Maria zich heen, hoewel het een lange reis was van over de zes uren.
1. Dr. Lightfoot maakt de gissing, dat zij daar, te Hebron, onzen Zaligmaker zou ontvangen, en dat haar dit door den engel, of op een andere wijze, misschien te kennen was gegeven, en dat zij er daarom met zoveel haast heen reisde. Hij acht het waarschijnlijk, dat de ontvangenis van den Silo, uit den stam van Juda en van het zaad David's, in ene stad van Juda en van David zou plaatshebben, evenals Hij ook geboren moest worden te Bethlehem, een andere stad, welke aan die beiden behoorde. Te Hebron werd de belofte gegeven van Izaak, en werd de besnijdenis in- gesteld. Hier (zegt hij) had Abraham het eerst land, en David zijn eerste kroon. Daar lagen de drie echtparen begraven, Abraham en Sara, Izaak en Rebekka, Jakob en Lea, en, naar in de oudheid geloofd werd, ook Adam en Eva. Hij denkt daarom dat het zeer bijzonder strookt met de harmonie en eenheid, die God in Zijne werken in acht neemt, dat de belofte hare vervulling begon te erlangen door de ontvangenis van den Messias onder de patriarchen, aan wie zij gegeven was. lk zie gene onwaarschijnlijkheid voor deze gissing, maar voeg ter ondersteuning er van er nog dit bij, dat Elizabeth zei, vers 45, deze dingen zullen volbracht worden, alsof zij nog niet volbracht waren, maar aldaar volbracht stonden te worden.
2. Algemeen wordt verondersteld dat zij derwaarts heenging ter bevestiging van haar geloof door het teken, dat de engel haar had gegeven, namelijk de zwangerschap van hare nicht, en om zich met hare zuster-gunstgenoot te verblijden. Daarenboven ging zij er wellicht ook heen, om meer in afzondering te zijn, of om in meer aangenaam gezelschap te wezen dan zij te Nazareth kon hebben. Wij kunnen onderstellen dat zij aan geen van hare naburen te Nazareth mededeling heeft gedaan van de boodschap, die zij van den hemel had ontvangen, en dat zij er toch wel gaarne over wilde spreken, maar niemand ter wereld wist, met wie zij er. vrijelijk over spreken kon behalve hare nicht Elizabeth, en daarom spoedde zij zich tot haar. Het is zeer kostelijk en troostrijk voor hen, in wier ziel een goed werk der genade is begonnen, en in wie Christus ene gestalte staat te verkrijgen, om met hen te raadplegen, die in hetzelfde geval verkeren, opdat zij dan elkaar hun ervaringen kunnen mededelen, en zij zullen bevinden dat, gelijk in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, des mensen hart alzo is tegen den mens, van den Christen tegen den Christen.
II. De ontmoeting tussen Maria en Elizabeth. Maria ging in het huis van Zacharias, maar hij, stom en doof zijnde, hield waarschijnlijk zijne kamer, en zag of ontving niemand, daarom groette zij Elizabeth, vers 40, zei haar dat zij gekomen was om haar te bezoeken, naar haar toestand te vernemen, en zich met haar in hare blijdschap te verblijden. In deze samenkomst nu had er terstond iets buitengewoons plaats, hetwelk strekte tot bevestiging van beider geloof. Maria wist dat Elizabeth zwanger was, maar het blijkt niet, dat aan Elizabeth was bekend gemaakt, dat hare nicht Maria bestemd was om de moeder van den Messias te worden. Wat zij er dus van wist moet door openbaring tot haar gekomen zijn, hetgeen voor Maria een grote bemoediging was.
1. Het kindeken sprong op in haar buik, vers 41. Zeer waarschijnlijk had zij reeds verscheidene weken (want zij was reeds in de zesde maand) het kind voelen bewegen, maar dit was een meer dan gewone beweging van het kind, waardoor zij ontstelde en iets zeer buitengewoons verwachtte, eskirtêse. Het is hetzelfde woord, gebezigd door de
LXX., Genesis 25:22, voor het tezamen stoten van Jakob en Ezau in het lichaam van Rebekka, en van het springen der bergen, Psalm 114:4.. Het kindeken sprong op, om als het ware aan zijne moeder een teken te geven, dat Hij thans nabij was, wiens voorloper hij zijn zou, zes maanden in de bediening, zoals hij het was in wezen of bestaan, of wel, het werd veroorzaakt door een sterken indruk, die op de moeder gemaakt was. Nu begon vervuld te worden wat de engel tot zijn vader had gezegd, vers 15, namelijk dat hij met den Heiligen Geest vervuld zal worden, ook van zijner moeders lijf aan, en wellicht heeft hij zelf hierop gezinspeeld, toen hij zei, Johannes 3:29 :De vriend des bruidegoms verblijdt zich met blijdschap om de stem des bruidegoms, gehoord, wel niet door hem maar door zijne moeder.
2. Elizabeth zelf werd vervuld met den Heiligen Geest, of den Geest der profetie, waardoor haar, evenals door de bijzondere ingeving des Heiligen Geestes, waarmee zij vervuld was, te verstaan werd gegeven dat de Messias nabij was, in wie de profetie zal herleven, en door wie de Heilige Geest overvloediger dan ooit zou worden uitgestort, overeenkomstig de hoop van hen, die de vertroosting Israël's verwachtten. De ongewone beweging van het kindeken in haar lichaam was een teken van de buitengewone beweging van haar geest onder een Goddelijke aandrijving. Zij, die door Christus genadiglijk worden bezocht, kunnen dit weten, doordat zij vervuld worden met den Heiligen Geest, want zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.
III. Het welkom, dat Elizabeth, door den Geest der profetie, aan Maria, de moeder onzes Heeren, heeft gegeven, niet als een gewone vriendin of bekende, die een gewoon bezoek brengt, maar als ene, uit wie de Messias zal geboren worden.
1. Zij wenste haar heil wegens deze eer, en hoewel zij er misschien tot aan dit ogenblik niets van heeft geweten, erkent zij die eer met de grootste verzekerdheid en voldoening. Zij riep uit met een grote stem, hetgeen volstrekt niet te kennen geeft (gelijk sommigen denken) dat er een vloer, of muur, tussen haar was, maar wel dat zij als in zielsverrukking was, als in een vervoering van blijdschap, en zei wat zij wel aan ieder wilde laten weten. Zij zei: Gezegend zijt gij onder de vrouwen, hetzelfde woord, dat de engel tot haar had gezegd, vers 28, want aldus behoort deze wil van God betreffende het eren van Zijn Zoon te geschieden op aarde gelijk als in den hemel. Maar Elizabeth voegt er ene reden bij: Gij zijt gezegend, omdat de vrucht uws buiks gezegend is, daaraan ontleende zij deze uitnemende waardigheid. Elizabeth was de echtgenote van een priester, en reeds bejaard, toch is zij er niet afgunstig op, dat hare bloedverwante, die vele jaren jonger was dan zij, en in elk opzicht haar mindere, de eer zal hebben van in haar maagdelijken staat bevrucht te worden, en de moeder te zijn van den Messias, terwijl de eer, die haar aangedaan was, veel minder groot was. Zij verblijdt er zich in, en is er volkomen tevreden mede, evenals ook later haar zoon, dat zij, die na haar komt, voor haar is geworden, Johannes 1:27, boven haar is gesteld. Daar wij moeten erkennen, dat wij meer door God bevoorrecht zijn dan wij verdienen, zo laat ons dan anderen niet benijden, die nog hoger bevoorrecht zijn dan wij.
2. Zij erkent de nederige vriendelijkheid, waarmee zij zich verwaardigt haar dit bezoek te brengen, vers 43. Vanwaar komt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt? Zij noemt de maagd Maria de moeder haars Heeren, (gelijk David in den geest den Messias Heere, zijn Heere, heeft genoemd) want zij wist dat Hij Heere zou zijn over allen. Zij heet haar niet slechts welkom in haar huis, hoewel zij misschien in nederige omstandigheden was gekomen, maar zij beschouwt dit bezoek als een grote gunst, die zij zich niet waardig achtte.
Vanwaar komt mij dit? Het is waarlijk gemeend, en niet bij wijze van een compliment, of blote vorm van beleefdheid, dat zij zegt: "Dit is een grotere gunst dan ik kon verwachten." Zij, die vervuld zijn met den Heiligen Geest, koesteren geringe gedachten omtrent hun eigen verdiensten en hoge gedachten van Gods gunst. Haar zoon, de Doper, sprak in diezelfde gemoedsgesteldheid, toen hij zei: Komt Gij tot mij? Mattheus 3:14.
3. Zij deelt haar mede hoe in dit welkom, dat zij haar toeriep, ook door het kindeken in haar schoot gedeeld werd, vers 44. "Gij brengt voorzeker een buitengewone tijding, en brengt een buitengewonen zegen mede, want zie, als de stem uwer groetenis in mijne oren geschiedde, is niet slechts mijn hart opgesprongen van vreugde, hoewel ik niet terstond wist waarom, maar ook het kindeken, dat niet instaat was het te weten. Hij sprong op, als het ware van vreugde, dat de Messias, wiens voorloper hij moest wezen, zelf zo spoedig na hem komen zou. Het kon grotelijks strekken om het geloof der maagd te versterken, dat verzekeringen als deze aan anderen gegeven waren, en ten dele zal nu vervuld worden wat zo dikwijls voorzegd werd, namelijk dat er een algemene vreugde zal wezen voor het aangezicht des Heeren, als Hij komt, Psalm 98:8, 9. Zij prijst haar geloof, en moedigt het aan, vers 44. Zalig is zij, die geloofd heeft. Gelovige zielen zijn heilige zielen, en zullen als zodanig ten laatste bevonden worden. Deze zaligheid komt door geloof, zelfs de zaligheid van aan Christus verwant te zijn, en dat Hij in de ziel geformeerd wordt. Zij zijn zalig, die het woord Gods geloven, want dat woord zal hun niet falen, want de dingen, die haar van den Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden. De onaantastbare zekerheid der belofte is de ontwijfelbare gelukzaligheid van hen, die er op bouwen en er hun al van verwachten. De getrouwheid Gods is de zaligheid van het geloof der heiligen. Zij, die zelven de vervulling van Gods beloften hebben ervaren, moeten anderen aanmoedigen om te hopen, dat Hij ook aan hen Zijn woord zal vervullen: Ik zal u vertellen wat Hij aan mijne ziel gedaan heeft. IV. Maria's lofzang bij deze gelegenheid. Elizabeths profetie was een echo op de groetenis van de maagd Maria, en dit lied is nog een krachtiger echo van deze profetie, en toont haar niet minder vervuld van den Heiligen Geest dan Elizabeth. Wij kunnen ons de maagd Maria voorstellen daar binnenkomende, zeer vermoeid van de reis: maar zij vergeet die vermoeienis, en wordt bezield door een nieuw leven, en kracht en blijdschap na de bevestiging, die zij hier ontvangt van haar geloof, en daar zij door deze plotselinge bezieling en vervoering bevindt, dat dit bedoeld was om hier hare boodschap te zijn, wil zij, vermoeid als zij is, gelijk Abrahams dienstknecht, niet eten of drinken, totdat zij hare woorden gesproken heeft.
1. Hier zijn de uitdrukkingen van blijdschap en lof, terwijl God alleen het voorwerp is van den lof en het middelpunt van de blijdschap. Sommigen vergelijken dit lied met dat, hetwelk haar naamgenoot, Mirjam, de zuster van Mozes, gezongen heeft bij den triomfantelijken uittocht van Israël uit Egypte en hun triomfantelijken doortocht door de Rode Zee, anderen achten de vergelijking beter met het lied van Hanna bij de geboorte van Samuël, hetwelk, evenals dit, van een huiselijken, of familiezegen, overgaat tot een openbaren en algemenen. Dit lied, evenals dat van Hanna, begint met: Mijn hart verheugt zich in den Heere, 1 Samuël 2:11) Merk op hoe Maria hier van God spreekt.
a. Met groten eerbied van Hem, als den Heere.
Mijne ziel maakt groot den Heere. Nooit zag ik Hem zo groot, als nu ik bevind hoe goed Hij is. Zij alleen zijn ver gevorderd in genade, die door deze genade er toe gebracht worden om des te hoger en heerlijker van God te denken, terwijl er van de zodanige zijn, die door voorspoed en hoog aanzien in wereld er toe gebracht worden te zeggen: Wie is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen? Hoe meer eer God ons aandoet, hoe meer wij ons moeten bevlijtigen Hem te eren, en dan alleen kunnen wij op welbehaaglijke wijze den Heere grootmaken, als onze ziel Hem grootmaakt, en al wat binnen ons is. Het werk des lofs moet het werk der ziel zijn.
b. Met een groot welbehagen in Hem als haren Zaligmaker: Mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker. Dat schijnt betrekking te hebben op den Messias, wiens moeder zij zal worden. Zij noemt Hem God, haren Zaligmaker, want de engel had haar gezegd, dat Hij de Zoon des Allerhoogsten zal wezen, en dat Zijn naam zal zijn Jezus, dat is: Zaligmaker. Dat grijpt zij aan en past het toe op zichzelve: Hij is God, mijn Zaligmaker. Zelfs de moeder onzes Heeren moest deel in Hem hebben als haren Zaligmaker, en zou, zonder dat, verloren zijn geweest. En zij roemt meer in de zaligheid, die zij gemeen had met alle gelovigen, dan in die van Zijne moeder te zijn, hetgeen ene eer was, meer bijzonder voor haar, en dit is in overeenstemming met de voorkeur, door Christus gegeven aan gehoorzame gelovigen boven Zijne moeder en broeders, Mattheus 12:50, Lukas 11:27, 58. Zij, die Christus tot hun God en Zaligmaker hebben, hebben grotelijks reden zich te verheugen, zich te verheugen in den geest, dat is: zich te verheugen zoals Christus zich verheugd heeft, Lukas 10:21, met geestelijke blijdschap.
2. Hier worden goede redenen gegeven voor deze blijdschap en lof.
a. Vanwege haarzelve, vers 48, 49. Haar geest verheugt zich in den Heere, vanwege de goede dingen, die Hij voor haar had gedaan, Zijne neerbuigendheid tot en ontferming over haar. Hij heeft de nederheid Zijner dienstmaagd aangezien, dat is: Hij heeft met ontferming op haar neergezien, want dat is het woord, dat gemeenlijk gebruikt wordt. "Hij heeft mij verkoren tot deze eer, niettegenstaande mijn geringheid en armoede." Ja de uitdrukking schijnt aan te duiden, niet slechts (als toespeling op die van Gideon, Richteren 6:15) dat haar geslacht arm was in Juda, maar dat zij de minste was in het huis haars vaders, alsof zij onder een bijzondere minachting lag bij hare familiebetrekkingen, ten onrechte veronachtzaamd werd, de verworpene van het gezin, en God deed haar deze eer aan, als een zeer overvloedige vergoeding voor die minachting. Ik opper dit denkbeeld te eerder, omdat wij wegens gelijke redenen aan anderen zodanige eer zien aangedaan. Omdat God zag dat Lea gehaat was, opende Hij hare baarmoeder, Genesis 29:31. Omdat Hanna getergd werd om haar te vergrimmen door Peninna, gaf God haar een zoon, 1 Samuël 1:19. Wie door de mensen ten onrechte gedrukt en veracht worden, worden soms door God-inzonderheid als zij het geduldig hebben verdragen-verkoren en verhoogd, Richteren 11:7. Zo ook met Maria. En, als God hare nederheid aanziet, geeft Hij daarmee niet slechts een voorbeeld van Zijne gunst over geheel het menselijk geslacht, daar Hij, gelijk de psalmist zegt, ons gedacht heeft in onze nederheid. Psalm 136:23, maar Hij verzekert haar een blijvende eer (want dat is de eer, die God verleent, eer, die niet voorbijgaat) :" van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten, zij zullen mij beschouwen als een gelukkige vrouw, die hogelijk geëerd en bevoorrecht is". Allen, die Christus en Zijn Evangelie aannemen, zullen zeggen: Zalig is de buik, die Hem gedragen, en de borsten, die Hij heeft gezogen, Lukas 11:27. Elizabeth had haar herhaaldelijk gezegend genoemd. "Maar dat is niet alles" zegt zij, "alle geslachten, van heidenen zowel als van Joden, zullen mij alzo noemen". Hare ziel maakt groot den Heere wegens de wondervolle dingen, die Hij voor haar gedaan heeft, vers 49. Grote dingen heeft aan mij gedaan Hij, die machtig is. Een groot ding voorwaar! dat ene maagd bevrucht zou worden. Een groot ding voorwaar! dat de Messias, die sedert zo langen tijd aan de kerk was beloofd, en gedurende zo langen tijd door de kerk werd verwacht, nu eindelijk geboren zal worden. Het is de macht des Allerhoogsten, die hierin gezien wordt. Zij voegt er bij: en heilig is Zijn naam, want aldus had Hanna in haar lied gesproken: Er is niemand heilig gelijk de Heere, hetgeen zij verklaart in de volgende woorden: want er is niemand dan Gij, 1 Samuël 2:2. God is een Wezen op zich zelven, en Hij openbaart zich als zodanig, inzonderheid in het werk onzer verlossing. Hij, die machtig is, Hij namelijk, wiens naam heilig is, heeft grote dingen aan mij gedaan. Heerlijke dingen kunnen verwacht worden van Hem, die beide machtig en heilig is, die alles goed en ten beste voor ons doen kan en doen wil.
b. Vanwege anderen. Als moeder van den Messias is de maagd Maria in zekeren zin een openbaar persoon geworden, en daarom wordt zij onmiddellijk begiftigd met een anderen geest, een meer openbaren geest, dan die tevoren in haar was. Daarom richt zij haar blik naar buiten, ziet zij om zich heen, ziet zij voor zich uit, en let op de verschillende handelingen van God met de kinderen der mensen, vers 50 en verder., evenals ook Hanna dat gedaan heeft, 1 Samuël 2:3 en verder. Hierin heeft zij inzonderheid het oog op de komst van den Verlosser, en de openbaring Gods hierin. Het is een zekere waarheid, dat God barmhartigheid heeft weggelegd voor allen, die eerbied hebben voor Zijne majesteit en naar behoren acht slaan op Zijne soevereiniteit en gezag. Maar nooit is dit zo gebleken als in het zenden van Zijn Zoon in de wereld om ons zalig te maken, vers 50. Zijne goedertierenheid is over hen, die Hem vrezen. Dat is altijd zo geweest. Hij heeft altijd met bijzondere gunst neergezien op hen, die met kinderlijken eerbied hebben opgezien tot Hem. Maar Hij heeft deze barmhartigheid zoals nooit tevoren geopenbaard in de zending van Zijn Zoon, om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen en een eeuwige verlossing te werken voor hen, die Hem vrezen, en dat wel van geslacht tot geslacht, want er zijn Evangelievoorrechten, die als ene erfenis overgaan van het ene geslacht op het andere, en bestemd zijn om tot in eeuwigheid te wezen. Zij, die God vrezen als hun Schepper en Rechter, worden aangemoedigd om op barmhartigheid van Hem te hopen door hun Middelaar en Voorspraak, en in Hem is barmhartigheid gevestigd op allen, die God vrezen, vergevende barmhartigheid, genezende barmhartigheid, barmhartigheid, die hen doet aannemen, kronende barmhartigheid van geslacht tot geslacht zolang de wereld bestaat. In Christus bewaart Hij barmhartigheid aan duizenden. Men heeft algemeen opgemerkt, dat God in Zijne voorzienigheid verachting heeft uitgestort over de hoogmoedigen en eer heeft gegeven aan de nederigen, en dit heeft Hij op merkwaardige wijze gedaan in geheel het werk van des mensen verlossing. Gelijk God in Zijne barmhartigheid over haar zich ook machtig heeft betoond, vers 48, 49. zo heeft Hij in Zijne barmhartigheid over degenen, die Hem vrezen, ook een krachtig werk gedaan door Zijn arm. Ten eerste. In den loop Zijner voorzienigheid is het Zijn gewone wijze van doen om de verwachtingen der mensen gans anders te doen uitkomen dan zij het zich beloven. Hoogmoedige mensen denken in alles hun wil te kunnen doorzetten, maar Hij verstrooit hen in de gedachten hunner harten, vernietigt hun maatregelen, laat hun plannen op niets uitlopen, ja, brengt hen naar beneden door diezelfde raadslagen, waardoor zij dachten hun belangen te bevorderen en te beveiligen. De machtigen denken dat zij zich door macht en geweld op hun zetels kunnen handhaven, maar Hij trekt hen af van hun tronen, en werpt die tronen neer, terwijl van den anderen kant de nederigen, die er aan wanhoopten om ooit in de wereld vooruit te komen, en niet anders dachten dan wel altijd in nederen staat te zullen blijven, op wonderbaarlijke wijze verhoogd worden. De opmerking nu betreffende eer geldt ook evenzeer voor rijkdom. Velen, die zo arm waren, dat zij voor zich en hun gezin geen brood hadden, zijn door een verrassende wending van Gods voorzienigheid ten hunnen gunste met goederen vervuld, terwijl van den anderen kant die rijk waren, en niet anders dachten of morgen zou wezen als vandaag, en dat hun berg vaststond en nooit zou wankelen, grotelijks verarmd zijn en ledig werden weggezonden. Het is hetzelfde wat Hanna had opgemerkt en waarover zij had uitgeweid in haar lied, met toepassing op haarzelve en hare tegenstandster, 1 Samuël 2:4-7, en dat zeer tot opheldering dient van hetgeen wij hier hebben. Vergelijk ook Psalm 107:33-41, 113:7-9, en Prediker 9:11. Het behaagt God de verwachting teleur te stellen van hen, die zich grote dingen in de wereld voorspiegelen, en de verwachtingen te overtreffen van hen, die slechts op weinig hopen. Als een rechtvaardige God is het Zijne eer om hen te vernederen, die zich verhogen, en de gerusten te doen sidderen, en als een goede God is het Zijne eer om hen te verhogen, die zich vernederen, en van troost te spreken tot hen, die voor Hem vrezen. Dit blijkt, in de tweede plaats, inzonderheid in de handelwijze der Evangeliegenade:
1. In de geestelijke eer, die zij verleent. Toen de hoogmoedige Farizeeën werden verworpen en de tollenaren en zondaren voor hen ingingen in het koninkrijk der hemelen, -toen de Joden, die de wet der rechtvaardigheid zochten, haar niet verkregen hebben, en de heidenen, die daar niet eens aan gedacht hebben, haar wèl hebben verkregen, Romeinen 9:30, 31, -toen God niet de wijzen naar het vlees, noch de machtigen, noch de edelen heeft verkoren om het Evangelie te prediken en het Christendom in de wereld te planten, maar het dwaze en zwakke der wereld, en het verachte, 1 Corinthiërs 1:26, 27-toen heeft Hij de hoogmoedigen verstrooid en de machtigen van de tronen afgetrokken, maar de nederigen verhoogd. Toen de tirannie werd verbroken van de overpriesters, die reeds lang heerschappij hadden gevoerd over het erfdeel des Heeren, en hoopten dit altijd te zullen doen, en Christus' discipelen, een gezelschap van arme, verachte vissers, door de macht, waarmee zij bekleed werden "op tronen" konden "neerzitten", oordelende de twaalf geslachten Israël's, -toen de macht der vier wereldrijken werd verbroken, en het koninkrijk van den Messias, de steen, die afgehouwen werd zonder handen, de ganse aarde vervulde, -toen zijn de hoogmoedigen verstrooid en de nederigen verhoogd. 2. In den geestelijken rijkdom, dien zij schenkt, vers 53. Hen, die hun behoefte aan Christus inzien en dringend verlangen naar gerechtigheid en leven in Hem, vervult Hij met goederen, met het beste, Hij geeft hun mildelijk, en zij worden overvloedig verzadigd met de zegeningen, die Hij schenkt, of zoals de psalmist het uitdrukt: "Zij worden dronken van de vettigheid Zijns huizes", Psalm 36:9. Zij, die vermoeid en belast zijn, zullen bij Christus rust vinden, en zij, die dorsten, worden geroepen om tot Hem te komen en te drinken, want zij alleen weten Zijne gaven te waarderen. Aan een hongerige ziel is alle bitter zoet, manna is engelenbrood: en voor den dorstige is zuiver water honing uit de rotsstenen. Hen, die rijk zijn, die niet hongerig zijn, die, gelijk Laodicea, denken dat zij geens dings gebrek hebben, vol zijn van zich zelven en van hun eigen gerechtigheid, en denken dat zij zich zelven genoeg zijn, zendt Hij weg van Zijne deur, zij zijn Hem niet welkom, Hij zendt hen ledig weg. Zij komen vol van zich zelven, en worden ledig van Christus weggezonden. Hij zendt hen naar de goden, die zij dienen, naar hun eigen gerechtigheid en kracht, waarop zij vertrouwden. Steeds is het de verwachting geweest, dat de Messias in zeer bijzonderen zin de sterkte en heerlijkheid zou zijn van Zijn volk Israël, en dat is Hij ook, vers 54. Hij heeft Israël, Zijn knecht, opgenomen, antelabeto. Hij heeft hen bij de hand genomen, hen opgeholpen, die gevallen waren en zich zelven niet konden helpen. Zij, die neder gezonken waren onder den last van een verbroken verbond der onschuld, worden opgeholpen, opgenomen, door de zegeningen van een vernieuwd verbond der genade. De zending van den Messias, bij wie hulpe was besteld voor arme zondaren, was de grootste barmhartigheid, die geschieden kon, de grootste hulp, die verleend kon worden aan Zijn volk Israël, en wat dit grootmaakt is: Ten eerste. Dat het is in gedachtenis Zijner barmhartigheid, de barmhartigheid Zijner natuur, de barmhartigheid, die Hij bewaard heeft voor Israël, Zijn knecht. Terwijl deze zegen nog vertoefde te komen, waren zij, die hem verwachtten, dikwijls bereid om te vragen: Heeft God vergeten genadig te zijn? Maar nu heeft Hij doen blijken dat Hij het niet vergeten heeft, maar dat Hij Zijner barmhartigheid gedachtig is geweest. Hij gedacht Zijner vorige goedertierenheid, en herhaalde die voor hen in geestelijke zegeningen, terwijl Hij ze tevoren in tijdelijke gunsten aan hen betoond had. Hij gedacht der dagen vanouds. Waar is Hij, die hen uit de zee opgebracht heeft, uit Egypte? Jesaja 63:11. Hij zal wederom doen hetgeen wat daar het type van geweest is.
Ten tweede. Dat het is ter vervulling Zijner belofte. Het is een goedertierenheid, niet slechts bedoeld, maar uitgesproken, vers 55. Het was gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen, dat het Zaad der vrouw den kop der slang zou vermorzelen, dat God in de tenten van Sem zou wonen, en inzonderheid aan Abraham, dat in zijn zaad al de geslachten der aarde gezegend zullen worden met de beste van alle zegeningen, met de zegeningen, die tot in eeuwigheid zijn, en tot het zaad, dat voor eeuwig wezen zal, dat is: zijn geestelijk zaad, want zijn vleselijk zaad is korten tijd hierna afgesneden. Wat God gesproken heeft zal Hij volbrengen, wat Hij gesproken heeft tot de vaderen zal Hij volbrengen aan hun zaad, en aan het zaad van hun zaad, in zegeningen, die eeuwig zijn.
Eindelijk. Maria's terugkeer naar Nazareth, vers 56, nadat zij omtrent drie maanden bij Elizabeth was gebleven, zo lang, dat zij er nu volkomen van overtuigd was, dat zij zwanger was, en om hierin bevestigd te worden door hare nicht Elizabeth. Sommigen denken, dat zij, hoewel haar terugkeer hier vermeld wordt voordat Elizabeth verlost was, omdat de evangelist het verhaal omtrent Maria wilde eindigen, eer hij met het verhaal omtrent Elizabeth voortging, bij hare nicht gebleven was, totdat Elizabeth hersteld was, ten einde haar te verzorgen en met haar te wezen bij hare bevalling, en haar eigen geloof alzo volkomen bevestigd te zien door de volkomen vervulling van Gods belofte aan Elizabeth. Maar de meesten houden zich aan de orde der geschiedenis, zoals zij hier verhaald wordt, en denken dat zij terugkeerde, toen de tijd van Elizabeth vervuld was, omdat zij nog altijd in afzondering wilde zijn, en zich dus niet daar wilde bevinden, als de geboorte van dat kind der belofte vele mensen naar dit huis zou doen komen. Zij, in wier hart Christus ene gestalte verkregen heeft, vinden meer dan vroeger behagen in eenzaam te zitten en stil te zwijgen.