Jesaja 11:10-16
Wij hebben hier nog een verdere profetie van de uitbreiding en bevordering van het koninkrijk van de Messias onder het type van de bloeiende toestand van het rijk van Juda in het laatste gedeelte van Hizkia's regering na de nederlaag van Sanherib.
I. De voorzegging is ten dele in vervulling gegaan toen de grote dingen, die God voor Hizkia en zijn volk gedaan had, als een banier bleken te zijn, die de naburige volken tot hen nodigde om te vragen naar de wonderen, die God gedaan had in het land, op welke boodschap de gezanten van de koning van Babel uitgezonden waren. Naar hen hebben de heidenen gevraagd, en Jeruzalem, de rust of woonstede van de Joden, was toen heerlijk, vers 10. "Toen zijn velen van de Israëlieten, die tot het rijk van de tien stammen behoorden en die na de verwoesting van dat rijk door de koning van Assyrië genoodzaakt waren een schuilplaats te zoeken in de naburige landen en in sommige verafgelegen landen en zelfs op de eilanden van de zee, aangemoedigd geworden om terug te keren naar hun eigen land en zich onder de bescherming en heerschappij te stellen van de koning van Juda, en dat wel te meer, omdat het een Assyrisch leger was door hetwelk hun land tenonder was gebracht, en dat nu zelf geheel verslagen was". Dit wordt gezegd een terugbrenging van hen te zijn ten tweedemale, vers 11, het was zo'n blijk van de macht en goedheid van God en zo'n opwekking en bemoediging voor hen, als hun eerste verlossing uit Egypte geweest is. Dan zullen de verdrevenen van Israël weer vergaderd worden, en worden teruggebracht, en ook die van Juda, die op de nadering van het Assyrische leger op hun eigen veiligheid bedacht waren en gevlucht zijn. "Dan zal de oude vete tussen Efraïm en Juda vergeten zijn, en ze zullen zich verenigen tegen de Filistijnen en hun andere gemene vijanden", vers 13, 14. Zij, die met elkaar gedeeld hebben in beproevingen en zegeningen, in gevaren en uitreddingen, behoren uit overweging daarvan zich te verenigen voor hun wederzijdse veiligheid en hun wederkerige bescherming, en het zal dan waarschijnlijk wel wezen met de kerk, als Efraïm en Juda verenigd zijn tegen de Filistijnen. Welke moeilijkheden er dan ook in de weg zijn voor de terugkeer van de verstrooiden, de Heer zal wel een middel vinden om die uit de weg te ruimen, zoals Hij, toen Hij Israël uitvoerde uit Egypte, de Rode Zee en de Jordaan heeft opgedroogd, vers 15, en hen door de onoverkomelijke belemmeringen van een grote, huilende wildernis naar Kanaän heeft gevoerd, vers 16. Ditzelfde zal Hij nu ten tweede male doen, of hetgeen eraan gelijk is, van gelijke waarde er mee is. Als Gods tijd gekomen is voor de verlossing van Zijn volk, dan zullen bergen van zwarigheden er tegen voor Zijn aangezicht vlak worden. Laat ons dus niet wanhopen als het met de belangen van de kerk zeer slecht schijnt te staan, God kan sombere dagen zeer spoedig in heldere, heerlijke dagen verkeren.
II. Zij zag nog verder, namelijk op de dagen van de Messias en het inkomen van de heidenen in Zijn koninkrijk, want daarop wordt ze door de apostel toegepast, vers 10, waarvan de volgende verzen het vervolg zijn. Romeinen 15:12 "Er zal zijn de wortel van Isai, en die opstaat om over de heidenen te gebieden, op hem zullen de heidenen hopen". Dat is een sleutel tot deze profetie, welke spreekt van Christus "als de wortel van Isaï, een scheut uit zijn wortels", vers 1, "een wortel uit een dorre aarde", Jesaja 53:2. Hij is de wortel Davids, Openbaring 5:5, de wortel en het geslacht Davids, Openbaring 22:16.
1. Hij zal staan, of opgericht worden, tot een banier van de volkeren, toen Hij gekruisigd was, was Hij verhoogd van de aarde, opdat Hij als een banier, of een baken, de ogen en de harten van alle mensen tot zich zou trekken, Johannes 12:32. Hij is opgericht als een banier in de prediking van het eeuwig evangelie, waarin de leraren als vaandragers de banier ontplooien van Zijn liefde, om ons tot Hem te lokken, Hooglied 1:4, de banier van Zijn waarheid, onder welke wij ons laten aanwerven, om gebruikt te worden in de heilige oorlog tegen zonde en Satan. Christus is de banier tot wie de kinderen Gods, die verstrooid waren, bijeenvergaderd worden, Johannes 11:52 en in wie zij als in het middelpunt van hun eenheid bijeenkomen.
2. Naar Hem zullen de volkeren vragen. Wij lezen van Grieken, die dit deden Johannes 12:21 wij wilden Jezus wel zien, en bij die gelegenheid was het, dat Christus sprak van Zijn verhoogd worden van de aarde om allen tot zich te trekken. De apostel leest dit naar de LXX, of misschien geven de LXX in de edities na Christus de lezing naar de apostel, Romeinen 15:12, op Hem zullen de heidenen hopen, zij zullen naar Hem vragen, of Hem zoeken, met vertrouwen op Hem.
3. Zijn rust zal heerlijk zijn. Sommigen verstaan dit van de dood van Christus, de triomf van het kruis maakte zelfs deze heerlijk. Anderen van Zijn hemelvaart, toen Hij neerzat om te rusten aan Gods rechterhand. Of liever: het is bedoeld van de evangeliekerk, deze berg Zion, waarvan Christus gezegd heeft: Dit is Mijn rust, en waarin Hij woont. Deze is wel veracht door de wereld, maar dewijl er de schoonheid van de heiligheid. op is, is zij in waarheid heerlijk. Een troon van de heerlijkheid, een hoogheid van het eerste aan is de plaats van ons heiligdom, Jeremia 17:12.
4. Beide Joden en heidenen zullen tot Hem vergaderd worden, vers 11, een overblijfsel van beide, een, vergelijkenderwijs, klein overblijfsel, dat herwonnen zal worden, als het ware, en dat wel met grote moeite en gevaar. Gelijk God voormaals Zijn volk heeft verlost, en hen heeft vergaderd uit al de landen, waarheen zij verstrooid waren, Psalm 106:47, Jeremia 16:15, 16, zo zal Hij het ten tweede male doen op een andere wijze, namelijk door de krachtige werking van de Geest van de genade met het Woord. Hij zal Zijn hand stellen om het te doen, Hij zal Zijn macht aanwenden, de arm des Heern is geopenbaard om het te doen.
5. "Er zal een overblijfsel wezen van de Joden, dat bijeenvergaderd zal worden. De verdrevenen van Israël en de verstrooiden van Juda," vers 12, van wie velen ten tijde van hun toebrenging tot Christus, Joden waren van de verstrooiing, de twaalf stammen in de verstrooiing, Jakobus 1:1, 1 Petrus 1:1. deze zullen tot Christus toevloeien en waarschijnlijk zijn er, naar verhouding, meer van die verstrooide Joden in de kerk gebracht dan van hen, die in hun eigen land gebleven zijn. Velen van de volkeren, de heidenen, zullen door het oprichten van deze banier ingebracht worden. Jakob heeft van de Silo voorzegd, dat tot Hem de volken vergaderd zullen worden Genesis 49:10. Zij, die vreemdelingen en bijwoners waren, zullen nabij gebracht worden. De Joden koesterden de argwaan dat Christus zou heengaan naar hen, die onder de heidenen verstrooid waren, en dat Hij de heidenen zou leren, Johannes 7:35.
6. Er zal een gelukkige verzoening zijn tussen Efraïm en Juda, en beiden zullen veilig wezen ten opzichte van hun tegenpartijders en zij zullen heerschappij over hen hebben vers 13, 14. De verbintenis tussen Juda en Israël in die tijd was een type en afschaduwing van de vereniging van Joden en heidenen in de evangeliekerk, die zolang in geschil waren met elkaar. Het huis van Juda zal tot het huis Israëls gaan, Jeremia 3:18, en zij zullen tot een uniek volk worden, Ezechiël 37:22. Joden en heidenen zullen tot een lichaam verenigd worden, Efeziers 2:16. En daar zij vrede met elkaar hebben, zullen zij, die tegenpartijders van beide zijn, uitgeroeid worden, want zij zullen de Filistijnen op de schouder vliegen, zoals een arend zijn prooi grijpt, zij zullen hen beroven aan hun westzijde, en dan zullen zij hun veroveringen voortzetten naar het oosten, naar de Edomieten, de Moabieten en Ammonieten het evangelie van Christus zal voorspoedig zijn aan alle plaatsen, en uit alle volken zullen sommigen gehoorzaam worden aan het geloof.
Eindelijk. Alles wat de voortgang en de voorspoed van het evangelie zou kunnen belemmeren, zal uit de weg worden genomen. Zoals God, toen Hij Israël heeft opgevoerd van Egypte, de Rode Zee en de Jordaan heeft opgedroogd voor hun aangezicht, Hoofdstuk 63:11, 12, en gelijk Hij naderhand, toen Hij de Joden uit Babel heeft gebracht, de weg voor hen bereid heeft, Hoofdstuk 62:10, zo zullen, als Joden en heidenen tezamen, in de evangeliekerk gebracht moeten worden. Alle beletselen daartegen weggenomen worden, vers 15,16, moeilijkheden, die onoverkomelijk schenen, zullen op verwonderlijke wijze overwonnen voorden. De blinden zullen geleid worden door de weg, die zij niet geweten hebben. Zie Hoofdstuk 42:15, 16, 43:19, 20. Bekeerlingen zullen op wagens en draagstoelen gebracht worden, Hoofdstuk 66:20. Sommigen denken dat het nog een verdere toebrenging is van grote menigten tot de kerk, waarop gedoeld wordt in de duistere profetie van het uitdrogen van de Eufraat, opdat de weg voor de koningen van het oosten bereid zou worden Openbaring 16:12, hetgeen naar dit hier schijnt te verwijzen. Als Gods tijd is gekomen om volken of afzonderlijke personen tot zich te brengen, dan zal de goddelijke genade zegevieren over allen tegenstand. Voor het aangezicht van de Heer zal de zee vlieden en de Jordaan achterwaarts gedreven worden. En zij, die hun aangezicht hemelwaarts richten, zullen bevinden dat er niet zovele moeilijkheden zijn op de weg als zij dachten, want er zal een gebaande weg daarheen zijn, Hoofdstuk 35:8.