Genesis 35:1-5
I. Hier herinnert God Jakob aan zijn gelofte te Beth-el, en zendt hem er heen om haar te vervullen, vers 1. Ten dage van zijn benauwdheid had Jakob gezegd: "Als ik in het huis van mijn vader in vrede zal wedergekeerd zijn, zal deze steen, dien ik tot een opgericht teken gezet heb, een huis van God wezen," Hoofdstuk 28:21, 22. God had Zijn deel van de overeenkomst volbracht, en had aan Jakob meer gegeven dan brood om te eten en klederen om aan te trekken, hij had bezittingen verkregen en was tot twee legers geworden, maar hij scheen zijn gelofte vergeten te hebben, of hij had tenminste te lang gewacht met haar te vervullen. Het was nu zeven of acht jaren sedert hij terug was in Kanaän, hij had er land gekocht en een altaar gebouwd ter herinnering aan de laatste verschijning van God aan hem, toen Hij hem Israël had genoemd, Hoofdstuk 33:19, 20, maar Beth-el is nog vergeten. Het gebeurt maar al te dikwijls, dat het besef van de zegeningen, die ons werden geschonken en de indrukken, die er door gemaakt werden op ons hart, in de loop van de tijd uitslijten, het moest zo niet wezen, maar het is zo. God had Jakob bezocht met een zeer zware beproeving in zijn gezin, Hoofdstuk 34, om te zien of die hem ook zijn gelofte in de herinnering zou brengen, en er hem toe zou aansporen haar te volbrengen, maar zij heeft die uitwerking niet op hem gehad, daarom komt God nu zelf, en doet er hem aan gedenken. Maak u op, trek op naar Bethel. Zo wie God liefheeft zal Hij op de een of andere wijze verzuimde plichten doen gedenken, hetzij door hun geweten, of door de leiding van Zijn voorzienigheid. Als wij aan God een gelofte gedaan hebben, dan is het het best om de betaling er van niet uit te stellen, Prediker 5:4, maar toch het is beter laat dan nooit, God gebood hem naar Bethel te gaan en daar te wonen, dat is: hij moet er niet slechts zelf gaan, maar er zijn gezin medenemen, opdat zij zich met hem in zijn gebeden en oefeningen van de godsvrucht zouden verenigen. In Beth-el, het huis van God, moeten wij begeren te wonen, Psalm 27:4. Dat moet ons tehuis, niet onze herberg, wezen. God herinnert hem niet uitdrukkelijk aan zijn gelofte, maar aan de gelegenheid, de aanleiding er van: toen gij vluchtte voor het aangezicht van uw broer Ezau. De herinnering aan vorige beproevingen moet ons de overleggingen van onze ziel er onder voor de geest brengen, Psalm 66:13, 14.
II. Jakob beveelt zijn gezin zich te bereiden voor deze plechtigheid, niet slechts voor de reis en het verhuizen, maar voor de godsdienstige plechtigheden, die er volbracht moeten worden, vers 2, 3. Vóór het deelnemen aan plechtige inzettingen behoort een plechtige voorbereiding plaats te hebben. "Wast u, reinigt u. komt dan, en laat ons tezamen richten," Jesaja 1:16-18. Hoofden van gezinnen moeten hun gezag gebruiken om de godsdienst in hun gezin te bevorderen. Niet alleen wij, maar ook de onze, moeten de Heer dienen Jozua 24:13. Let op de bevelen. die hij zijn gezin geeft, zoals Abraham, Hoofdstuk 18:19.
a. Zij moeten de vreemde goden wegdoen. Vreemde goden in het gezin van Jakob! Zeer vreemd voorwaar! Kon zulk een gezin, dat in de goede kennis Gods onderwezen was, ze toelaten? Kon zulk een hoofd van het gezin, aan wie God tweemaal, en nog vaker, verschenen was, ze oogluikend toelaten? Ongetwijfeld was dit zijn zwakheid. Zij, die zelf godvruchtig zijn, kunnen niet altijd omringd zijn van personen, die zo goed en godvruchtig zijn als zij behoorden te wezen. In die gezinnen, waar een schijn van godsdienst is, een altaar voor God, komt toch dikwijls veel voor dat verkeerd is, zijn meer vreemde goden dan men zou denken. In Jakob's gezin had Rachel haar serafim, waarvan zij, naar te vrezen is, in het geheim een bijgelovig gebruik heeft gemaakt. De gevangenen van Sichem brachten hun goden mede, en Jakob's zonen hebben er misschien ook met de buit enigen van genomen. Maar-hoe zij nu er ook aan gekomen zijn- thans moeten zij ze wegdoen. b. Zij moeten zich reinigen en hun kleren veranderen, zij moeten de welvoeglijkheid inachtnemen, en zich een betamelijk voorkomen geven. De handen van Simeon en Levi waren vol van bloed, zij inzonderheid hebben het nodig zich te reinigen en hun kleren af te leggen, die zo bevlekt waren. Dit waren slechts ceremoniën, die de reiniging en verandering van het hart aanduidden. Wat zijn reine kleren en nieuwe kleren zonder een rein hart en een nieuw hart? Dr. Lightfoot vat hun zich reinigen of zich wassen op als Jakob's toelaten van de proselieten van Sichem en Syrië tot zijn godsdienst door de doop, omdat de besnijdenis nu hatelijk was geworden.
c. Zij moeten met hem naar Beth-el gaan vers 3. Hoofden van gezinnen moeten, als zij opgaan naar Gods huis, hun gezin medenemen.
III. De leden van zijn gezin overhandigden hem alles wat afgodisch of bijgelovig was vers 4. Indien Jakob hun dit eerder gevraagd had, dan zouden zij er misschien ook wel eerder afstand van gedaan hebben, door hun eigen geweten overtuigd zijnde van hun ijdelheid. Soms zullen pogingen tot hervorming beter slagen dan men gedacht zou hebben, daar de mensen er niet zo hardnekkig tegen zijn als men vreesde. Jakob's dienstknechten en zelfs zij, die tot het gevolg behoorden van zijn gezin, gaven hem al de vreemde goden, en zelfs de oorsierselen, die zij droegen als amuletten of ter ere van hun goden, zij deden afstand van al die dingen. Een hervorming is niet oprecht, indien zij niet algemeen is, dat is: indien zij niet alles omvat. Wij hopen dat zij er blijmoedig afstand van deden en zonder aarzeling, zoals Efraïm toen hij zei: "Wat heb ik meer met de afgoden te doen?" Hosea 14:9, of het volk, dat tot hun afgoden zei: er uit! Jesaja 30:22. Jakob droeg er zorg voor hun beelden te begraven ergens in een hun onbekende plaats, opdat zij ze later niet weer zouden vinden en er toe terugkeren. Wij moeten geheel en al gescheiden zijn van onze zonden, zoals wij gescheiden zijn van de doden, die van voor ons aangezicht zijn begraven, "ze voor de mollen en vleermuizen werpen," Jesaja 2:20.
IV. Zonder dat hem overlast wordt aangedaan verhuist hij van Sichem naar Beth-el, vers 5. De verschrikking van God was over de steden. Hoewel de Kanaänieten zeer vertoornd waren op de zonen van Jakob wegens hun barbaarse behandeling van de Sichemieten, waren zij toch zozeer onder het bedwang van de goddelijke macht, dat zij geen gebruik konden maken van de goede gelegenheid, die zich aanbood, nu zij op mars waren naar Beth-el om de twistzaak aan hun naburen te wreken. De weg van de plicht is de weg van de veiligheid. Zolang er zonde was in Jakob's huis, was hij bevreesd voor zijn naburen, maar nu de vreemde goden waren weggedaan, en zij allen tezamen naar Beth-el gingen, waren zijn naburen bevreesd voor hem. Als wij aan Gods werk zijn, dan zijn wij onder zijn bijzondere bescherming, God is met ons als wij met Hem zijn, en als Hij vóór ons is, wie kan dan tegen ons zijn? Zie Exodus 34:24. "Niemand zal uw land begeren, terwijl gij zult opgaan om te verschijnen voor het aangezicht van de Heer, uw God." God regeert de wereld meer door een stille verschrikking over het hart van de mensen, dan wij wel weten.