Jozua 20:1-6
Vele dingen zijn door de wet van Mozes verordineerd om gedaan te worden, als zij in Kanaän zullen gekomen zijn, onder anderen het aanwijzen van vrijsteden ter bescherming van hen, die onopzettelijk een manslag hadden begaan, hetgeen een voorrecht was voor geheel Israël, daar niemand kon weten, dat hij zich niet zelf te eniger tijd in zulk een geval kon bevinden, en het was in het belang des lands, dat het bloed niet zou vergoten worden van een onschuldige, wiens hand alleen schuldig was, maar niet zijn hart. God herinnert hen hieraan deze wet, die zozeer in hun voordeel was, opdat zij zich zouden opwekken om te gedenken aan de andere wetten, die Hij hun gegeven had en die Zijn eer betroffen.
I. Er worden orders gegeven voor de aanwijzing van die steden vers 2, en wel op een zeer geschikt ogenblik, namelijk toen het land in ogenschouw was genomen en zij aldus beter instaat waren, om het in drie gelijke delen te verdelen, gelijk God hun bevolen had, ter gerieflijke ligging van deze vrijsteden, Deuteronomium 19:3. Waarschijnlijk is het echter niet geschied, voordat aan de Levieten hun deel was aangewezen dat wij in het volgende hoofdstuk vermeld vinden, omdat al de vrijsteden steden van de Levieten moesten wezen. Zodra God hun steden van de rust had gegeven, gebood Hij hun vrijsteden aan te wijzen, waarin allen te eniger tijd het nodig zouden kunnen hebben een toevlucht te zoeken. Zo heeft God voorzien, niet slechts voor hun rust ten allen tijde, maar voor hun veiligheid in tijden van gevaar, en op zulke tijden hebben wij ons te bereiden in deze wereld. En het geeft te kennen dat Gods geestelijk Israël in Christus en de hemel niet slechts zal kunnen rusten maar een veilige toevlucht vinden tegen alle gevaar. En wij kunnen niet denken dat in de wet van Mozes zo dikwijls en zoveel van deze vrijsteden gesproken zou zijn, en er zoveel zorg voor genomen zou zijn (daar toch aan de bedoeling volkomen beantwoord zou wezen, door aan de gerechtshoven de macht op te dragen om de doodslager te beschermen in al die gevallen, waarin hij het voorrecht van de vrijsteden kon inroepen) indien zij niet bedoeld waren om typen te zijn van de hulp, door het Evangelie voorzien voor arme, boetvaardige zondaren en hun bescherming tegen de vloek van de wet en de toorn Gods, in onze Heere Jezus, tot wie de gelovigen "de toevlucht nemen," Hebreeën 6:18, en in wie zij "gevonden worden," Filippenzen 3:9 h als in een heiligdom, waar zij beveiligd zijn tegen arrest, en voor wie nu "geen verdoemenis is" Romeinen 8:1.
II. Er worden hier instructies gegeven voor het gebruik van deze steden. De desbetreffende wetten hadden wij in Numeri 35:10 en verv. waar zij uitvoerig verklaard zijn.
1. Er wordt verondersteld dat een mens iemand zou kunnen doden misschien wel zijn kind of zijn liefste vriend-onverhoeds of zonder het te weten, vers 3, iemand, die hij niet slechts tevoren niet heeft gehaat, maar waarlijk heeft bemind, vers 5, want "bij de mens is zijn weg niet." Hoeveel reden hebben wij niet om God te danken, die ons er voor bewaard heeft, zowel om bij ongeluk te doden, als om bij ongeluk gedood te worden! Nu wordt ondersteld dat in zulk een geval de bloedverwanten van de verslagene het leven zouden eisen van de persoon, die hem verslagen heeft, als voldoening aan de aloude wet: "Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden."
2. Als het na onderzoek gebleken is dat de doodslag zuiver en alleen bij ongeluk is geschied en niet met voorbedachten rade, hetzij wegens een lang-gekoesterden wrok, of in plotseling opkomenden toorn, dan moest de doodslager in een van deze steden tegen de bloedwreker worden beschut en beschermd, vers 4-6. Door deze wet had hij dan recht op een woning in die stad werd hij onder de zorg gesteld van de stedelijke overheid, maar moest er in verblijven als een gevangene op vrije voeten. Alleen als hij de hogepriester overleefde, maar niet eerder, mocht hij naar zijn eigen stad terugkeren. En de Joden zeggen: "Indien hij voor de hogepriester in zijn vrijstad, de stad van zijn ballingschap stierf en daar begraven werd, dan mocht toch na de dood des hogepriesters zijn gebeente met eerbied naar het graf van zijn vaderen gebracht worden."