Lukas 10:17-24
Christus zond de zeventig discipelen uit toen Hij opging naar Jeruzalem voor het Loofhuttenfeest, toen Hij niet openlijk, maar als in het verborgen opging, Johannes 7:10, daar Hij zo velen van Zijn gewone volgelingen had uitgezonden. Dr. Lightfoot denkt dat het voor Zijne terugkomst was van dat feest, en terwijl Hij nog te Jeruzalem was, of te Bethanië, dat er dichtbij lag, (want daar was Hij, vers 38) dat zij, of tenminste sommigen van hen, tot Hem wederkeerden. Nu wordt ons hier gezegd: l. Welk bericht zij Hem gaven van den uitslag van hun tocht. Zij zijn wedergekeerd met blijdschap, vers 17, niet klagende over de vermoeienis van hun reis, noch over enigerlei tegenstand of ontmoediging, die zij hadden ondervonden, maar zich verblijdende over hun voorspoed, inzonderheid in hun uitwerpen van onreine geesten: Heere! ook de duivelen zijn ons onderworpen in Uwen naam. Hoewel er in hun opdracht slechts van het genezen van kranken gesproken was, vers 9, was toch ongetwijfeld het uitwerpen van duivelen daaronder begrepen, en daarin hadden zij heerlijken voorspoed gehad.
1. Hiervan geven zij de eer aan Christus: Het is in, of door Uwen naam. Al onze overwinningen over Satan worden verkregen door de kracht, ontleend aan Jezus Christus. In Zijn naam moeten wij in het strijdperk treden met onze geestelijke vijanden, en welke voordelen wij ook behalen, Hij moet er den lof voor ontvangen, indien het werk gedaan moet worden in Zijn naam, dan komt ook aan Zijn naam de eer er van toe.
2. Zij verlustigen zich in de vertroosting er van, zij spreken er van met gejuich: Ook de duivelen, die machtige vijanden, zijn ons onderworpen. De heiligen kennen geen grotere vreugde of voldoening in hun overwinningen, dan in die welke zij over Satan hebben behaald. Indien duivelen ons onderworpen zijn, wie of wat kan dan voor ons bestaan.
II. Hoe Hij hun bericht heeft ontvangen.
1. Hij bevestigde wat zij zeiden, als overeenkomende met Zijne waarneming, vers 28. Mijn hart en Mijn oog gingen met u. Ik heb uw voorspoed opgemerkt, en Ik zag den Satan als een bliksem uit den hemel vallen. Satan en zijn rijk vielen voor de prediking des Evangelies. "Ik zie hoe het is", zegt Christus, "naarmate gij grond wint wordt door Satan grond verloren". Hij valt, zoals de bliksem van den hemel valt, zo plotseling, zo onherstelbaar, zo zichtbaar, dat allen het kunnen bemerken en zeggen, "Zie hoe het rijk van Satan wankelt, zie hoe het valt." Zij triomfeerden in het uitwerpen van duivelen uit het lichaam der mensen, Christus ziet, en verblijdt zich in den val des duivels, door het afnemen van zijn invloed op de zielen der mensen, hetgeen zijne macht in de lucht wordt genoemd. Hij voorziet dat dit slechts de voorproef is van hetgeen geschieden zal en reeds begonnen is te geschieden-het verderven van Satans rijk in de wereld door de uitroeiing der afgoderij en het zich keren der natiën tot het geloof in Christus. Satan valt uit den hemel, als hij valt van den troon in der mensen hart, Handelingen 26:18. En Christus voorzag dat de prediking van het Evangelie, die als een bliksem door de wereld zal vliegen, overal waar zij kwam, Satans koninkrijk zal neerwerpen. Nu zal de overste dezer wereld buiten geworpen worden. Sommigen hebben hier een anderen zin aan gegeven, als terugziende op den val der engelen en bedoeld als een waarschuwing aan Zijne discipelen, opdat hun voorspoed hen niet opgeblazen zal maken. Ik zag engelen door hoogmoed in duivelen verkeerd, dat was de zonde, waarvoor Satan uit den hemel werd geworpen, waar hij een engel des lichts geweest is. Ik zag het, en ik geef u een wenk, opdat ook gij niet opgeblazen wordt en in het oordeel des duivels valt, die gevallen is door hoogmoed". 1 Timotheus 3:6.
2. Hij herhaalde hun opdracht, bekrachtigde haar en breidde haar uit: Ziet, Ik geef u de macht om op slangen te treden, vers 19. Aan hem, die heeft en van hetgeen hij heeft een goed gebruik maakt, zal meer gegeven worden. Zij hadden van hun macht een krachtig gebruikt gemaakt tegen Satan, en nu betrouwt Christus hun nog grotere macht toe.
a. Een aanvallende macht, om op slangen en schorpioenen te treden, duivelen en boze geesten, de oude slang: "Gij zult in Mijn naam haar kop vermorzelen, volgens de eerste belofte, Genesis 3:15. Komt, zet uw voet op den nek uwer vijanden, op deze leeuwen en adders zult gij treden, waar gij hen ook ontmoet, gij zult hen vertreden, Psalm 91:13. Gij zult op al de macht treden van den vijand, en het koninkrijk van den Messias zal overal op de puinhopen van het rijk des duivels worden opgericht. Gelijk de duivelen u thans onderworpen waren, zo zullen zij het nog zijn.
b. Ene macht ter verdediging, geen ding zal u enigszins beschadigen, geen slangen en geen schorpioenen, indien gij er mede gekastijd zoudt worden, of indien gij er onder in de gevangenis wordt geworpen, zult gij ook door de giftigste dezer schepselen niet beschadigd worden, zoals het was met Paulus, Handelingen 28:5, en zoals het beloofd is in Markus 16:18. indien goddeloze mensen als slangen voor u zijn, en zo gij woont onder deze schorpioenen (zoals in Ezechiël 2:6), dan kunt gij hun woede verachten, en er op treden, zij behoeft u niet te verontrusten, want zij hebben geen macht tegen u, dan die hun van boven gegeven is, zij kunnen sissen, maar zij kunnen niet schaden. Gij kunt u vermaken over het hol van een adder, de dood zelf zal geen leed doen noch verderven, Jesaja 11:8, 9, 25:8.
3. Hij wees hun aan hoe zij hun blijdschap in het rechte kanaal moesten leiden, vers 20 :Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn, dat zij dit geweest zijn en nog zullen zijn. Verblijdt u hierin niet bloot als u tot eer zijnde, en als een bevestiging uwer zending, en die u een trap hoger stelt dan andere Godvruchtige mensen, verblijdt u daar niet alleen in, of daar voornamelijk in, maar verblijdt u veel meer dat uwe namen geschreven zijn in de hemelen, want het is in het boek des leven des Lams, dat zij zijn geschreven. Alle gelovigen hebben uit genade recht op het erfdeel der kinderen en hebben de aanneming tot kinderen ontvangen, en den Geest der aanneming, hetwelk de voorproef is van dat erfdeel, en zo zijn zij dan opgenomen in Zijn huisgezin. Dit nu is een zaak van blijdschap, grotere blijdschap dan over het uitwerpen van duivelen. De macht om kinderen Gods te worden moet hoger gewaardeerd worden dan de macht om wonderen te doen, want wij lezen van hen, die in Christus' naam duivelen hebben uitgeworpen, zoals Judas gedaan heeft, en die toch in den groten dag door Christus verloochend zullen worden. Maar zij, wier namen geschreven zijn in den hemel, zullen nooit omkomen, zij zijn Christus' schapen, aan wie Hij het eeuwige leven zal geven. Wij moeten ons meer verblijden in zaligmakende genade dan in geestelijke gaven, heilige liefde is een uitnemender weg dan het spreken in vreemde talen.
4. Hij zond een plechtige dankzegging op tot Zijn Vader, wijl Hij zulke geringe personen als Zijne discipelen waren tot zo hogen en eervollen dienst wilde gebruiken, vers 21, 22. Dit hadden wij tevoren, Mattheus 11:25-27, slechts gaat hier de bijvoeging vooraf: Te dier ure verheugde zich Jezus in den geest. Het was voegzaam, dat er bijzonder op die ure gelet zou worden, omdat er weinige van zulke uren geweest zijn, want Hij was een man van smarten. In die ure, toen Hij Satan zag vallen, en den voorspoed hoorde van Zijne dienstknechten, in die ure verheugde Hij zich. Niets verblijdt het hart van Jezus zozeer als de goede voortgang van het Evangelie, en deszelfs grond- winnen op Satan door de bekering van zielen tot Christus. Christus' blijdschap was een degelijke blijdschap, een innerlijke verheuging: Hij verheugde zich in den geest, maar Zijne blijdschap was als diepe wateren, zij maakte geen gerucht of gedruis, het was een blijdschap, waarmee een vreemde zich niet zal vermengen. Eer Hij er zich toe begaf om Zijn Vader te danken, wekte Hij zich op om zich te verheugen, want gelijk dankbare lof de echte taal is van heilige vreugde, zo is heilige vreugde de wortel en oorsprong van dankbaren lof. Hij zegt hier dank voor twee dingen:
a. Voor hetgeen van den Vader geopenbaard was door den Zoon: Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde, vers 21. In al onze aanbidding van Hem moeten wij het oog op Hem hebben als den Schepper van hemel en aarde, en als den Vader van onzen Heere Jezus Christus, en in Hem, onzen Vader. Waar Hij nu voor dankt is:
a. Dat Gods raadsbesluiten betreffende des mensen verzoening met Hem geopenbaard waren aan sommigen van de kinderen der mensen, die ook geschikt konden zijn om anderen te onderwijzen, en het is God, die door Zijn Zoon deze dingen tot ons gesproken heeft, en ze door Zijn Geest in ons heeft geopenbaard, Hij heeft datgene geopenbaard, hetwelk van het begin der wereld verborgen is geweest.
b. Dat zij geopenbaard waren aan kinderkens, aan hen, die van geringe bekwaamheid waren, wier afkomst of opleiding geen grote verwachtingen van hen gaf, die slechts kinderen waren in het verstand, totdat God door Zijn Geest hun vermogens ophief en verruimde, hen voorzag met Zijne kennis, en hun de bekwaamheid gaf om haar mede te delen. Wij hebben reden om God te danken, niet zozeer voor de eer, die Hij hiermede den kinderkens heeft aangedaan, als wel voor de eer, die Hij er zich zelven mede gedaan heeft door in zwakheid kracht te volbrengen.
c. Dat Hij, terwijl Hij ze den kinderkens heeft geopenbaard, ze voor de wijzen en verstandigen, de heidense filosofen en de Joodse rabbijnen, heeft verborgen. Hij heeft hun de dingen des Evangelies niet geopenbaard, hen niet gebruikt om Zijn koninkrijk te prediken. Gode zij er voor gedankt, dat de apostelen niet van hun scholen gehaald werden: want, Ten eerste: Zij zouden allicht geneigd zijn geweest om hun denkbeelden en begrippen met de leer van Christus te vermengen, waardoor zij- gelijk later bleek-verdorven zou zijn geworden. Want in de eerste eeuwen is het Christendom zeer verdorven geworden door de Platonische wijsbegeerte en door de Judaïserende leraren.
Ten tweede. Indien rabbijnen en filosofen tot apostelen waren gemaakt, dan zou de voorspoed van het Evangelie toegeschreven zijn aan hun geleerdheid en vernuft, aan de kracht hunner bewijsvoeringen en welsprekendheid, en daarom moeten zij niet gebruikt worden, opdat zij er zich zelven de eer niet van zouden geven, en ook anderen hun niet al te veel er van zouden toeschrijven. Zij werden voorbijgegaan om dezelfde redenen ongeveer, waarom het getal van Gideons leger zo verminderd werd. Nog is des volks te veel, Richteren 7:4. Wel is waar, Paulus heeft een geleerde opleiding gehad onder de wijzen en verstandigen, maar hij is een kindeke geworden, toen hij een apostel werd, hij heeft de beweeglijke woorden der menselijke wijsheid ter zijde gelaten, ze allen vergeten, en maakte noch vertoning met, of gebruik van, een andere kennis dan die van Christus en dien gekruisigd, 1 Corinthiërs 2:2, 4. Dat God hierin gehandeld heeft in vrijmacht: Ja Vader! want alzo is geweest het welbehagen voor U. Indien God Zijne genade en de kennis van Zijn Zoon geeft aan sommigen, van wie men geen grote verwachtingen zou koesteren, en haar niet geeft aan anderen, van wie wij denken dat zij beter instaat zouden zijn om ze met goeden uitslag bekend te maken, dan moet dit voor ons volstaan: aldus heeft het Gode behaagd, wiens gedachten oneindig hoger zijn dan onze gedachten. Hij verkiest de uitdeling van Zijn Evangelie toe te vertrouwen aan de handen van hen, die het met Goddelijke kracht en nadruk zullen verkondigen, veeleer dan aan hen, die er hun menselijke kunst van welsprekendheid in zullen tentoonspreiden.
b. Voor de geheimenis tussen den Vader en den Zoon, vers 22. Het grote vertrouwen, dat de Vader stelt in den Zoon: Alle dingen zijn Mij van Mijn Vader overgegeven, alle wijsheid en kennis, alle macht en gezag, al de genade en vertroosting, die bestemd zijn voor het verkoren overblijfsel, het is alles overgegeven in de handen van den Heere Jezus, in Hem moet al de volheid wonen, en aan Hem moet zij worden ontleend, Hij is de grote beheerder, die al de zaken van Gods koninkrijk regelt. De goede verstandhouding, die er heerst tussen den Vader en den Zoon, en hun gemeenschap met elkaar, waarin geen schepsel toegelaten kan worden: Niemand weet wie de Zoon is, dan de Vader, die Hem bezat in het beginsel Zijns wegs, voor Zijne werken van toen aan, Spreuken 8:22, noch wie de Vader is, en wat Zijne raadsbesluiten zijn, dan de Zoon, die van eeuwigheid af in den schoot des Vaders was, een voedsterling bij Hem was en dagelijks Zijne vermakingen, Spreuken 8:30, en dien het de Zoon zal willen openbaren. Het Evangelie is de openbaring van Jezus Christus, aan Hem zijn wij al de ontdekkingen verschuldigd, die ons gedaan zijn omtrent den wil van God voor onze zaligheid, en hier spreekt Hij er van als van hetgeen Hem toebetrouwd is, als een grote verlustiging voor Hem zelven, en waarvoor Hij Zijn Vader dankbaar was.
5. Hij wees er de discipelen op hoe goed het voor hen was, dat hun deze dingen geopenbaard zijn, vers 23, 24. Na zich tot Zijn Vader te hebben gewend, keert Hij zich nu naar Zijne discipelen, bedoelende hen te doen beseffen hoezeer het strekte tot hun gelukzaligheid, zowel als tot heerlijkheid en eer van God, dat zij de verborgenheden des koninkrijks kenden, en gebruikt werden om ook anderen tot die kennis te brengen, in aanmerking nemende:
a. Welk een stap het is tot iets beters. Hoewel de blote kennis van deze dingen niet behoudt, brengt zij ons toch op den weg der behoudenis: Zalig zijn de ogen, die zien hetgeen gij ziet. God zegent hen hierin, en zo het niet is om hun eigen schuld, zal het een eeuwig gezegendzijn, een eeuwige zaligheid wezen voor hen.
b. Welk een stap het is boven hen, die hen voorgingen, zelfs van de grootste heiligen, en die het meest door den hemel bevoorrecht waren: Vele profeten en rechtvaardigen (zo is het in Mattheus 13:17) vele profeten en koningen (zo is het hier) hebben begeerd de dingen te zien en te horen, waarmee gij dagelijks innig en gemeenzaam vertrouwd zijt, en hebben ze niet gezien en niet gehoord. De eer en het geluk der Nieuw Testamentische heiligen overtreffen zeer ver zelfs die van de profeten en koningen van het Oude Testament, hoewel ook zij hoog bevoorrecht waren. De algemene denkbeelden, die de Oud Testamentische heiligen hadden, overeenkomstig hetgeen hun te kennen was gegeven omtrent de genade en de heerlijkheid van het koninkrijk van den Messias, hebben hen duizendmaal doen wensen, dat hun lot bewaard zou zijn gebleven voor die gezegende dagen, en dat zij het wezen mochten zien der dingen, waarvan zij slechts de flauwe schaduwen hadden. Het denken aan de grote voorrechten, die wij hebben in het licht van het Nieuwe Testament, boven hetgeen zij hadden, die in Oud Testamentische tijden hebben geleefd, behoort onzen ijver op te wekken om ze te gebruiken en er ons voordeel mede te doen, want anders, zo wij dit niet doen, zal het ons oordeel wegens dit verzuim verzwaren.