8. Het beest, dat u in
Vers 6 als de drager van de vrouw gezien heeft, was in de voorvaderen van hem, die het heden, dat is, ten tijde, dat het gericht vervuld wordt, verwezenlijkt heeft, niet en is niet. Het heeft reeds een dubbel verleden achter zich; het ene, toen het reeds een of twee maal was, het andere, toen het reeds eenmaal of tweemaal niet meer was en eveneens heeft het nu een dubbele toekomst. De eerste is van het standpunt van het niet meer zijn op aarde en dat is dit: het zal opkomen uit de afgrond, waarin het gevaren is Re 9:1 en het tweede van het standpunt van zijn weer aanwezig zijn en dat is: het zal ten verderve gaan (
Hoofdstuk 19:20). En, wat het heden aangaat, zij, die op de aarde wonen, degenen, onder de mensenkinderen, die niets meer dan kinderen van de mensen of van de aarde zijn (
Genesis 6:2), zullen, vervullende wat in
Hoofdstuk 13:3 v. als gevolg van de weer genezen dodelijke wond van het een hoofd werd gezegd, verwonderd zijn (a) welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens van de grondlegging van de wereld (
Hoofdstuk 13:8), terwijl daarentegen de uitverkorenen voor de verleiding tot dwaling bewaard blijven) zij zullen zich verwonderen, alsof in het dier een goddelijke majesteit was geopenbaard, waarvoor men nog in aanbidding moet buigen. Zo zullen zij verbaasd zijn, ziende het beest als een zodanig, dat was en niet is hoewel het is (volgens betere lezing: "en weer is.
a) Exodus 32:32 Filippenzen 4:3
Het woord van de Heere in Mattheus 24:21 : "dan zal grote verdrukking wezen hoedanige niet is geweest van het begin van de wereld tot nu toe en ook niet zijn zal", in zijn diepste en rijkste betekenis is zonder twijfel gemeend van de verdrukking of de geloofsverdrukking ten tijde van de antichrist. Dat kan zonder twijfel des te minder van een lichamelijke verdrukking bedoeld zijn, want voor een zodanige is in de geloofsvervolgingen van de vorige tijden de maat reeds geheel uitgeput, zodat er zeker geen kwelling of marteling meer is, waarmee de gelovigen niet reeds eenmaal vervolgd en verzocht zouden zijn geweest, om hun Heer af te zweren (Hebreeën 11:33). Bij dat woord wordt veelmeer gesproken van een geestelijke verdrukking of ellende, waarbij het gevaar, om ook in de dwaling te worden ingetrokken, zo groot is, dat ook de uitverkorenen onder haar zouden bezwijken, als God niet op bijzondere wijze Zich van hun aantrok. Wij hebben in die tijd het meesterstuk van alle satans-leugen te wachten, de kroon van alles wat hij ooit verzonnen en in het werk heeft gesteld, om mensenzielen te verblinden en te misleiden. Wij moeten ons dus dadelijk van het begin aan op iets monstrueus of ontzaggelijks voorbereiden, omdat alleen iets van die aard in staat zou zijn, de reeds gangbare of reeds eenmaal aanwezige leugen in kracht van verleiding te overtreffen. In de regel stelt men zich tevreden met de voorstelling, dat de antichrist een genie zou zijn vol menselijke boosheid, een tegenstander van het Christendom, die met reuzen-energie optrad, wie de satan zijn krachten leent, om door hem de strijd van zijn rijk tegen het rijk van God tot overwinning van het eerste te volbrengen, dat hem echter door het weer verschijnen van Christus, die de antichrist met het zwaard van zijn mond ombrengt, nog op het laatste beslissende ogenblik mislukt. Bij zo'n algemeenheid zweeft echter de voorstelling al te zeer in de lucht en heeft geen echt tastbare vorm, omdat men noch kan inzien, hoe een enkel mens in zijn toch altijd slechts kort leven op aarde tot zo'n energie van boosheid kan komen, dat hij juist tot de "mens van de zonde" (2 Thessalonicenzen 2:3) wordt, noch ook hoe de mensen ertoe komen, om zich achter hem te verwonderen (Hoofdstuk 13:4 v.) en tot zijn aanbidding te besluiten. Wat het tweede punt aangaat, blijft een goddelijke verering, zoals die ten tijde van de Romeinse keizers van Augustus af gewoon was, en zoals die ook Napoleon I eiste en verkregen zou hebben, als hij zijn doel, de wereldmonarchie, bereikt had, altijd slechts een figuurlijke een formele een afgedwongene en gehuichelde. Of beschouwt men ze als ten tijde van de Romeinen, als enkel staatsetikette, die niets meer is, dan als een tiran ze als werkelijke erkenning van zijn godheid zou willen eisen, dan zou men uit vrees voor de wreedheid en onbuigzaamheid van zijn waanzinnigheid hem die geven, maar toch daarbij in het hart hem voor een waanzinnig, vloek- en doemwaardig monster houden. Men zou zeggen, dat hij bij alle op geheel gewone en bekende weg door moed en kracht, geluk en toeval verworven grootheid toch niets anders is dan een sterfelijk mens, die na korte tijd tot zijn stof zal wederkeren en bij zo'n eis zich niet zozeer over de grootheid van zijn heerlijkheid, als veeleer over de grootheid van zijn zelfverheffing verwonderen en in het diepste van het harten hem verachten en verafschuwen. Zo is het echter niet met de aanbidding of goddelijke verering, waarvan het beest, de mens van de zonde het voorwerp is. Dat is geen gedwongen en gehuichelde, ook geen formele of rituele, maar komt voort uit inwendige overtuiging en vrije drang als het product van een verwondering, die van zijn gelijke niet heeft en van een verwondering, die tot enthousiaste geestdrift wordt, zodat men de eer, die slechts God en Christus toekomt, op het dier overdraagt, ervan zegt: "wie is het beest gelijk? " als ware het in waarheid God en in dezelfde adem voortgaat: "wie kan tegen het beest strijd voeren? " alsof het de onverwinnelijke Christus zelf was. Wat het eerste punt aangaat, ook ten opzichte van hetgeen mensen hier op aarde van ongeloof en boosheid kunnen verzinnen en uitrichten, kan het bekende spreekwoord worden toegepast: "er geschiedt niets nieuws onder de zon. " Wil men met het begrip van "de mens van de zonde, de zoon van het verderf, die zich tegenstelt en verheft" bij een mens in de gewone zin blijven staan, dan is dit begrip reeds lang uitgeput, men zou menige naam kunnen noemen, die dus waard zou zijn de titel van antichrist te verkrijgen en zou ten slotte in twijfel komen, of die in het algemeen van een enkel persoon in de uitsluitende zin van het woord bedoeld was, maar daarmee de duidelijke klank van het woords in 2 Thessalonicenzen 2:3, verlaten. Reeds deze overwegingen zullen de mening, die wij nu nader gaan ontwikkelen over de persoon van hem die op onze plaats onder het dier moet worden verstaan, omdat dit in hem zijn volle ontwikkeling vindt, om hun zeldzaam, het gewoon verstand beledigend karakter niet laten voorkomen als meteen te verwerpen, maar juist daarom de opmerkzaamheid doen trekken. Misschien zal zij de lezer nog als de enig juiste voorkomen, wanneer het nu ook door middel van deze gelukt de zin van de woorden in Vers 9-11, waarvan de verklaring niet met behulp van het gewoon verstand kan worden verkregen, zoals er uitdrukkelijk voor staat, uiteen te zetten. Wij gaan uit van het slot van het vorige vers, dat de verwondering over het dier daaruit afleidt, dat men het ziet als een, dat geweest is en niet is, hoewel het is. Dat toch is het karakteristiek teken van Christus, die in Zijn aardse openbaring eerst was, vervolgens na Zijn heengaan in de onzichtbare wereld een schijnbaar niet zijn op aarde had, maar ten slotte uit de hemel terugkomt en nu opnieuw daar is. Op dit weer aanwezig zijn (de parousia) van Christus zinspeelt de uitdrukking van de juiste lezing: cai parestai ("en weer daar zal zijn" in het verband van de tekst zoveel als "weer daar is zonder twijfel. Men zal dus van die persoon de indruk hebben, dat als de terugkomst van Christus heeft plaats gehad en wel daarom, omdat die werkelijk en echt reeds eenmaal in de wereld is geweest, maar vervolgens voor geruime tijd niet meer voor de aarde bestond en nu, wat voor alle andere mensen na hun heengaan een onmogelijke zaak is en voor Christus alleen voorbehouden, een weer zijn of weer op aarde leven met al de gevolgen, die het in zich sluit, heeft verkregen. Dat geeft alleen dan een denkbare gedachte, als die persoon, waarvan gesproken wordt, niet een nieuw eigenlijk mens is, maar een vroegere, die uit de andere wereld in deze is teruggekeerd, een, die eerst daar geweest is. Maar van waar hij teruggekomen is en in het leven teruggekeerd, dat is nu zeker niet de hemel, maar, zoals aan het begin van het vers uitdrukkelijk gezegd is, de afgrond. Nu wordt ons ook de hele eerste helft van het vers langs gemakkelijker en korter weg verstaanbaar, dan die wij boven met een omstandige beschrijving moesten bewandelen, zolang dit resultaat nog niet was verkregen, dat de antichrist met dit dier bedoelt, die in de persoon van een Napoleon VIII optreedt, geen ander is dan dezelfde Napoleon I, die sinds lang is gegaan naar zijn plaats, maar nu lichamelijk terugkeert: Het beest, dat u gezien heeft was voor de geschiedenis van de wereld van 1797-1815 d. i. 18 jaren en is niet gedurende omstreeks 160-170 jaren; en het zal opkomen uit de afgrond en ten slotte, als zijn laatste lot wordt volvoerd, ten verderve gaan, waarom hij ook de "zoon des verderfs" in 2 Thessalonicenzen. 2:3 heet. De afgrond, waaruit hij gekomen is, was nog niet het enige verderf, maar dat is eerst de poel, die van vuur en zwavel brandt (Hoofdstuk 19:20; 20:10 en 14). Eens had de verleider tot Jezus gezegd, toen hij hem alle koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid toonde: "dit alles zal ik u geven, als U neervallende mij zult aanbidden; " maar hij vond in Hem zijn man niet. Toch heeft de satan iemand nodig, die zijn aanbieding aanneemt, als hij zijn laatste plannen over de mensen zal verwezenlijken; hij heeft daartoe een mens nodig en toch kan hij weer geen gebruiken, die voor de anderen een van huns gelijken is en zich nooit onder hen met werkelijke erkenning van zijn persoonlijke majesteit op de troon van God zou kunnen zetten, geen, die zij van kind af hebben zien opgroeien en zich ontwikkelen en langzamerhand tot een zekere grootheid zien opstijgen en van wie zij tevens weten, dat hij evenzo weer zal afnemen en tenslotte in het stof zal eindigen. Wat moet dan nu de satan beginnen? Zal hij zich niet wenden tot diegenen, die hij uit de mensen in de afgrond bij zich heeft en met wie hij van aangezicht tot aangezicht kan handelen? En als het dan lukte iemand te verkrijgen, en als het hem door God werd toegelaten, die in het leven terug te brengen, zou hem dan niet een "verwondering" verzekerd zijn? En tot wie zou hij zich liever wenden dan tot een grote wereldveroveraar, die reeds vroeger eenmaal op het punt was, alle rijken van de wereld en hun heerlijkheid te verkrijgen, maar die met smartvolle teleurstelling in zijn verwachtingen, met verbeten woede over zijn lot uit dit leven is heengegaan? En of hij wel bij die, die wij op het oog hebben, eveneens een "ga weg van mij, satan" want er staat geschreven: "u zult de Heere uw God aanbidden en Hem alleen dienen" ten antwoord zal krijgen? Wij handelen niet nader over deze voorvallen in een andere wereld, waarvan wij slechts een gedachte hebben, maar die wij niet kunnen doorgronden; wij moeten integendeel de bedenking opperen: hoe kan God laten plaats hebben wat de duivel voor heeft? Hoe kan Hij Zijn handen ertoe lenen, dat een van die uit de afgrond terugkeert? Eens moet toch die ellendige onbeslistheid onder de Christenen, waarin men zo graag op twee gedachten hinkt, ophouden en een laatste beslissende strijd tussen het rijk van het licht en het rijk van de duisternis plaats hebben, omdat het rijk van God niet in zijn heerlijkheid kan komen voordat het rijk van de satan volledig en openlijk verschenen is en door een krachtige slag overwonnen. De opwekking van het beest verliest ook veel van het bevreemdende, dat zij bij de eerste blik heeft, als wij bedenken, dat die niet zo geheel alleen staat. In Hoofdstuk 20:4-6 zullen wij van een eerste opstanding uit degenen, die in het paradijs zijn overgebracht, horen, van de noodzakelijkheid van deze wordt men echter pas overtuigd, als een eerste opstanding uit de beslotenen in de afgrond ten minste in een enkel geval en tot een buitengewoon doel is voorgevallen. En even als nu de opgewekte uit de afgrond na het oordeel dat over hen gekomen is, in de verdoemenis gaat en de poel van zwavel en vuur als het ware inwijdt, zo komen degenen, die uit het paradijs weer in de wereld zijn ingeleid tot heerschappij voeren met Christus en het duizendjarig rijk (Hoofdstuk 20:6) en wijden als het ware de nieuwe hemel en de nieuwe aarde in. Van deze kring van gedachten uitgaande, zal ons nu ook het volgende gemakkelijk worden om te begrijpen.
"Het beest, dat u gezien heeft, was en is niet, maar staat op het punt om uit de afgrond op te stijgen en zal in het verderf neerstorten. " Het beest, dat Johannes het laatst zag, is het beest in de woestijn, vroeger het beest uit de zee. Het beest in de woestijn kan evenwel niet bedoeld worden, wanneer de ziener zegt: "Het beest was en is niet; " want het beest in de woestijn, de volksheerschappij, is in dezen tijd de zesde wereldmacht, die door het zesde hoofd wordt afgebeeld, dat naar Vers 10 is, na de val van de vijf eerste wereldmachten. Het beest, dat was en niet is, is het beest uit de zee, namelijk het Tienkoningschap zonder het Pausdom, dat als hoer bestaat en op het beest in de woestijn rijdt, nadat juist het beest in de woestijn het Tienkoningschap heeft doen vallen, zodat het niet meer is.
Sinds de Heere dat woord uitsprak "het is volbracht", bestaat eigenlijk het beest niet meer; het is verzwakt en vernederd en hoewel het zich opnieuw heeft opgeheven uit de afgrond en weer is, zo kan het niet gezegd worden te leven, al heeft het de hel verlaten, waarin het geworpen was, al is het opnieuw verrezen om strijd te voeren tegen de heiligen. Daarom is het dwaas om er vrees voor te koesteren. En al verheft zich heden ten dage na duizendjarige sluimering opnieuw de heerschappij, die daar strijd voert tegen Gods grote Zoon, dat baart ons geen angst; het is slechts zolang de Heere het toelaat en op Zijn tijd moet de vijand terugkeren tot de afgrond, waarin hij is neergeworpen. Purper en scharlaken zijn de hoogste en heerlijkste en dierbaarste kleuren een dracht van de koningen; hiermee is de hoer bekleed, die zich de koningin noemt (Hoofdstuk 18:7). Dit is de kleding van haar dienaars de kardinalen, het is al goud en kostelijk gesteente, wat er blinkt in haar driedubbele kroon, gewaad, altaren, beelden; door zijn geestelijke hoererij heeft de paus onbedenkelijke schatten vergaderd, waardoor hij opgeblazen is in hoogmoed en dartel in alle wellusten. Zij heeft een gouden beker in haar hand, zoals de hoeren haar boelen minnedrank ingeven, om hen tot onreinigheid op te wekken, zo heeft deze ook een bijzonder middel om de wereld tot afgoderij te verlokken, wel een schone en uiterlijke schijn hebbend, maar van binnen vol onreinigheid en gruwelen zijnde.
Dat het zal opkomen, duidt aan, hoe het ten tijde van Johannes nog niet was, ten minste nog niet openlijk in de wereld verschenen, maar zeker en allengs zou opkomen, openbaar verschijnen en tot grote heerlijkheid geraken. Het was in het gezicht van Johannes en is nog niet, hoewel het echt in beginsel en zaad toen ter tijd is (2 Thessalonicenzen 2:7) en dan zeker openbaar zijn zal. Velen menen, dat kan worden vertaald "en het zal er zeker zijn. "
De bedoeling van die naam is, dat door het beest moet worden verstaan een zeker Rooms gebied, waarvan men geheimzinnig met waarheid kan zeggen, dat het geweest is en niet meer is en evenwel nog is, d. i. dat het echt in wezen is, hoewel onder een andere gedaante, dan het zich van te voren had vertoond, zodat men van dit rijksgebied als in een geestelijk raadsel kon zeggen, dat het was en niet was. Het Romeins gebied, door Julius Caesar gesticht, zou door de Gothen en andere barbaarse volken verwoest worden, zodat het niet meer zou zijn en evenwel zou zijn, dat is hernieuwd en als verwekt worden in het Rooms-pauselijk gebied, dat dezelfde gronden en eigenschappen zou hebben als het oud verwoest Rooms gebied.