Ezechiël 13:10-16
Hier wordt nog klaarder van de valse profeten gehandeld en hun vonnis nog nader gestreken. Wij hebben gezien, dat het volk beschaamd was gemaakt over die valse profeten (ofschoon zij ze vroeger nagelopen hadden) en ze met verontwaardiging hadden verworpen, gelijk ze ook hun valse goden doen zouden. Hier vinden wij, dat zij even beschaamd zijn over hun valse profetieën, waarop zij vroeger met zoveel gerustheid vertrouwd hadden.
Merk op,
I. Hoe het volk door de valse profeten misleid wordt. Die vleiers verleiden hen, zeggende: Vrede, waar geen vrede is, vers 10. Zij beweren, gezichten des vredes gezien te hebben, vers 16. Maar dat was onmogelijk, want daar is geen vrede, spreekt de Heere van de heirscharen. Geen voorspoed wachtte hen, en daardoor ontbrak alle grond voor gerustheid, toch verkondigden zij, dat God op voet van vrede met hen stond en barmhartigheid voor hen had, en dat de oorlog met de Chaldeën, waarin zij gewikkeld waren, spoedig voor een eervolle vrede beëindigd zou worden, als wanneer het land een gelukkige rust en kalmte zou genieten. Zij verkondigden de afgodendienaars en anderen zondaars, dat de weg, waarop ze wandelden, geen kwaad opleverde. Zo misleidden zij Gods Volk, verleidden het, deden het struikelen en hielden het verre van de weg van boete en bekering, waarheen de andere profeten het trachten te leiden. Zie, dat zijn de gevaarlijkste verleiders die zondaars wijsmaken, dat zij de zonde en God niet behoeven te vrezen. Dit wordt vergeleken met de bouw van een dunnen lemen wand, of, volgens des Heilands gelijkenis, die dezelfde betekenis heeft, Mattheus 7:26, "het bouwen van een huis op zand, wat wel een wijle een beschutting en bescherming schijnt te bieden, maar valt, wanneer de storm opsteekt en de watervloed opkomt". De een profeet bouwt de muur, verkondigt dat God heel geen mishagen aan Jeruzalem heeft, dat de stad weer welvaren zal genieten, en victorie zal kraaien over de vijanden, die ze nu bedreigen. Die prediking was zeer aangenaam, die ze brachten maakten ze uiterst aannemelijk en werden door velen geëerd, waardoor ook anderen werden meegesleept. Zij maakten de zaak nog verleidelijker, "zij pleisterden de wand, die eerst gebouwd was, maar deden dat met loze kalk, slecht materiaal, dat de stenen niet samenhoudt noch kracht geeft". Zij hadden geen grond voor wat zij zeiden, het had in zichzelf geen bestand, gelijk oeverzand. Die kalk maakte de wand niet stevig, het bekommerde hen ook niet, die sterk te maken of op een solied fondament te vestigen. Zij pleisterden alleen om de spleten en scheuren te verbergen en het geheel een goed aanzien te geven. Een aldus gebouwde wand zal, zodra enige druk, nog meer wanneer een sterke wind komt, inbuigen en waggelen en eindelijk instorten. Zie, een leer die niet op de Schrift gebaseerd is, hoe schoon ook voor de mens, niet gebouwd op schriftuurlijk fundament en niet gepleisterd met schriftuurlijke kalk, heeft geen waarde en houdt de mens niet staande. Die hoop op vrede en geluk, die niet in Gods Woord haar grond heeft bedriegt de mens en is gelijk een slecht gebouwde, met loze kalk gepleisterde wand.
II. Dat zij spoedig door Gods oordelen ontgoocheld zullen worden, die zeker naar waarheid zijn.
1. God zal in toorn een geduchte storm brengen, die de wand geweldig zal beuken. De inval van de Chaldeën in Juda en het beleg van Jeruzalem zullen zijn als "een overstelpende plasregen, een wegvagende regen, een overstroming, zodat er geen brood zij, Spreuk. 28:3, die alles voor zich heen drijft, als de zondvloed in Noachs dagen. Gij, o grote hagelstenen, zult vallen, de artillerie des hemels, iedere hagelsteen als een kanonskogel, de wand rammeiende, en daarmee een grote stormwind, die soms zo sterk is, dat hij de rotsen scheurt", 1 Koningen 19:11, des te meer nog een slecht gebouwden wand, vers 11. Maar wat deze regen, en hagel, en stormwind, vreselijk maakt, is, dat zij de uiting zijn van Gods toorn en daaraan hun kracht ontlenen, die zendt ze, vers 13, ze zijn een stormwind in Mijn grimmigheid en een overstelpende plasregen in Mijn toorn en hagelstenen in Mijn grimmigheid De woede van Nebukadnezar en zijn vorsten, die zeer verbolgen waren over Zedekia's verraad, maakte de inval zeer geducht, maar dat was niets in vergelijking met Gods ongenoegen. "Mijn grimmigheid is een stok in hun hand," Jesaja 10:5. Zie, een toornig God heeft winden en stormen tot Zijn beschikking om geruste zondaars te verschrikken, en Zijn toorn maakt ze inderdaad vreselijk en geducht, want wie kan voor Hem bestaan, wanneer Hij toornt?
2. Deze storm zal de wand omverwerpen, en hij zal vallen, de wind zal hem splijten, vers 11, de hagelstenen zullen hem verdoen, vers 13, Ik zal de wand afbreken, vers 14, en hem ter aarde nederwerpen, zodat zijn grond zal ontdekt worden. Dan zal blijken, hoe vals, hoe verrot hij was, tot eeuwige schande van de bouwers. Wanneer de Chaldeeuwse legermacht Juda en Jeruzalem zal verwoest hebben, dan zal het vertrouwen op deze profeten en de hoop des volks samen vernietigd worden. Toen ze het volk vleiden, en dit laatste dwaas was, toen liet het zich bedriegen en zo tot groter verslagenheid brengen, toen kwam het oordeel het in zijn gerustheid verrassen. Zie, wat men ook bedenke om zich tegen de oordelen Gods te vrijwaren, zolang men onbekeerd voortleeft, zal dat een "toevlucht van de leugen bevonden worden en in de dag des toorns niet baten". Zie Jesaja 28:17. `s Mensen toorn kan wat God heeft gebouwd niet schokken, want "het blazen van de tirannen is als een vloed tegen een wand," Jesaja 25:4, hetgeen wel groot geraas maakt, maar de wand niet doet wankelen, zie Jesaja 25:4. Maar God zal omverwerpen wat de mensen tegen Hem gebouwd hebben. Zij met al hun pogingen, zij met al hun gerustheid, waarin zij vrolijk zijn, zullen zijn "als een ingebogen wand, een aangestoten muur," Psalm 62:4, Wanneer hun ijdele voorspellingen niet uitkomen en hun ijdele verwachting teleurgesteld wordt, dan zal ontdekt worden, dat voor het een noch voor het ander grond was, Habakuk 3:13. "De dag zal verklaren hoedanig eens iegelijks werk is, 1 Corinthiers. 3:13.
3. De bouwers van de wal en degenen, die hem gepleisterd hebben, zullen zelf in zijn val begraven worden. Hij zal vallen en gij zult in het midden van haar (de stad) omkomen, vers 16. En dus zullen de bedreigingen van Gods toorn in al hun rechtmatigheid ten uiterste vervuld worden, zowel aan de wand als aan de pleisteraars, vers 15. Dezelfde oordelen, die de valsheid van de valse profeten aan het licht brengen, zullen hen ook voor haar valsheid straffen, zij zelf zullen in de rampen begrepen zijn, die ze het volk hebben doen geloven dat niet komen zouden, en zij zullen gedenktekenen worden van die gerechtigheid, waarmee zij gespot hebben. "Zo zullen beide de blinden, die geleid worden, en die blinden, die hen leidden in de gracht vallen." Zie, zij, die anderen misleiden, zullen tenslotte blijken, zichzelf misleid te hebben, en geen vonnis zal zwaarder zijn dan dat van dezulken, die als trouweloze predikers zondaren in hun zonden gevleid hebben.
4. Zowel de bedriegers als de bedrogenen zullen samen omkomen, zullen samen bespot en vernederd worden, vers 12. Als die wand gevallen zal zijn, zal dan niet tot u gezegd worden door degenen, die de ware profeet geloof schonken en des Heeren Woord vreesden: Waar is de pleistering, waarmee gij gepleisterd hebt? Wat is er geworden van al die fluwelen woorden en mooie beloften, waarmee gij uw goddeloze buren gevleid, en van al de verzekeringen, waarmee gij betuigd hebt, dat de ellende des volks spoedig tot het verledene zou behoren? De rechtvaardige zal over hen lachen, de rechtvaardige God en rechtvaardige mensen zullen zeggen: "Zie de man, die God niet stelde tot Zijn sterkte, Psalm 52:9. Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen," Spreuken 1:26. Zij zullen tot u zeggen, vers 15, Die wand is er niet meer en die hem pleisterden zijn er niet, uw hoop is vervlogen, met degenen, die ze gaven, te weten de profeten Israëls, vers 16. Zie, die eer nemen, welke hun niet toekomt, zullen eerlang met schande vervuld worden.