vers 21-23 Al het oordeel is onzen Heere Jezus overgegeven, de sleutelen zijn in Zijne handen gelegd, Hij heeft macht om nieuwe voorwaarden van leven en dood voor te schrijven, en de mensen daarnaar te oordelen. Nu is dit ene plechtige verklaring, overeenkomstig die macht. Let hier op:1. Christus' wet, vers 21. Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het koninkrijk der hemelen, in het koninkrijk van genade en heerlijkheid. Het is een antwoord op de vraag, Psalm 15:1. Wie zal verkeren in Uwe tent? -de strijdende kerk, en wie zal wonen op den berg Uwer heiligheid? -de triomferende kerk. Christus toont hier.
a. Dat het niet genoeg zal zijn te zeggen: Heere, Heere, met mond en woord Christus te erkennen als onzen Meester, toespraken tot Hem te houden, en dienovereenkomstig belijdenis van Hem af te leggen in het gebed tot God. In gesprekken met mensen, moeten wij Christus Heere, Heere: noemen, en wij zeggen wèl, want Hij is het, Johannes 13:13, maar kunnen wij denken, dat dit genoeg is om ons naar den hemel te brengen, dat zo iets vormelijks zo beloond zou worden, of dat Hij, die het hart kent en het opeist, zich op die wijze met schijn voor wezen zal tevreden stellen? Onder de mensen zijn complimenten een betoon van beleefdheid, dat met complimenten vergolden wordt, maar zij worden nooit als wezenlijke diensten betaald, en kunnen zij dan door Christus van enigerlei waarde worden geacht? Er kan wel een dringend aanhouden in het gebed schijnen te zijn: Heere, Heere! maar indien de indruk van binnen niet beantwoordt aan de uitwendige uitdrukking, dan zijn wij slechts als een klinkend metaal en ene luidende schel. Dit is niet bedoeld om ons te doen aflaten van te zeggen: Heere, Heere, van het gebed, en van vurigheid, in het bidden, van het belijden van Christus' naam, en van het vrijmoedig zijn in het belijden, maar wel van het hier nu bij te laten blijven. Van hierin nu te rusten, van den vorm der Godzaligheid, zonder de kracht er van.
b. Dat het nodig is voor ons geluk om den wil van Christus te doen, die in werkelijkheid de wil is van Zijn Vader, die in de hemelen is. De wil van God, als Christus' Vader, is Zijn wil in het Evangelie, want dáár wordt Hij bekend gemaakt als de Vader van onzen Heere Jezus Christus: en in Hem als onzen Vader. Nu is dit Zijn wil, dat wij geloven in Christus, dat wij berouw hebben van de zonde, dat wij een heilig leven leiden, dat wij elkaar liefhebben. Dit is Zijn wil: onze heiligmaking. Indien wij ons niet voegen naar den wil van God, dan bespotten wij Christus door Hem Heere te noemen, zoals zij deden, die Hem een fraai kleed aantrokken, en zeiden: Wees gegroet, Koning der Joden. Zeggen en doen zijn twee zaken, die in den handel en wandel der mensen dikwijls gescheiden worden, hij, die zei: Ik ga, heer! ging geen stap, Hoofdstuk 21:30, maar die twee zaken heeft God in Zijn gebod samengevoegd, en laat niemand, die ze scheidt, denken, het koninkrijk der hemelen binnen te gaan.
2. De verwering van den geveinsde tegen het strikte van deze wet, daar hij in plaats van gehoorzaamheid andere dingen aanbiedt, vers 22. Die verwering wordt verondersteld plaats te hebben te dien dage, dien groten dag, als iedereen in zijne ware gedaante zal verschijnen, wanneer de verborgene dingen van alle harten openbaar zullen worden, onder anderen, de verborgene voorwendsels, waarmee de zondaren thans hun valse hoop ondersteunen. Christus kent de kracht van hun zaak, en zij is slechts zwakheid, wat zij thans in hun hart koesteren, zullen zij dan voor den dag brengen om hun oordeel te voorkomen, maar het zal te vergeefs zijn. Zij voeren met groten aandrang hun pleit aan: Heere, Heere! en met groot vertrouwen: een beroep doende op Christus, Heere, weet Gij niet.
a. Dat wij in Uwen naam hebben geprofeteerd? Ja, dat kan wel zo wezen, Bileam en Kajafas werden er toe geleid te profeteren, en Saul was tegen zijn zin en wil onder de profeten, maar dat heeft hen niet behouden. Dezen hebben geprofeteerd in Zijn' naam, maar Hij heeft hen niet gezonden, zij hebben slechts gebruik gemaakt van Zijn naam omdat dit zo uitkwam. Iemand kan een prediker zijn, kan gaven hebben voor het leraarsambt, en ook ene uitwendige roeping er voor, en wellicht ook wel enigen voorspoed hebben op zijn werk, terwijl hij toch een goddeloze mens kan wezen, hij kan anderen helpen om in den hemel te komen, terwijl hij er zelf uit zal blijven.
b. Dat wij in Uwen naam duivelen hebben uitgeworpen? Ook dat kan wel wezen, Judas heeft duivelen uitgeworpen, en was toch een zoon der verderfenis. Origenes zegt, dat in zijn tijd de naam van Christus zo overmogend was om duivelen uit te werpen, dat het soms gebeurde, dat zij uitgeworpen werden, ook wanneer die naam door slechte Christenen werd uitgesproken. Een mens zou duivelen kunnen uitwerpen uit anderen, en toch zelf een' duivel hebben, ja, en zelf een duivel zijn.
c. Dat wij in uwen naam vele krachten gedaan hebben. Er kan een geloof zijn om wonderen te doen, terwijl er toch geen rechtvaardig makend geloof is, geen geloof, dat werkende is door de liefde en de gehoorzaamheid. De gave der talen en der genezing zou de mensen aanbevelen bij de wereld, maar het is wezenlijke heiligheid, of heiligmaking, die Gode welbehaaglijk is. Genade en liefde zijn een uitnemender weg dan bergen te verzetten of de talen der mensen en der engelen te spreken, 1 Corinthiërs 13:1, 2. De genade zal een mens naar den hemel brengen zonder wonderen te werken, maar wonderen te werken, zal nooit iemand naar den hemel brengen, zonder genade. Let er op, dat hetgeen waarop zij hun hart hadden gesteld en waarop zij vertrouwden, was hun wonderdadigheid. Simon de tovenaar onzette zich over de wonderen, Handelingen 8:13, en daarom wilde hij geld geven voor de macht om ook wonderen te kunnen doen. Merk ook op, dat zij niet vele goede werken hadden om op te pleiten, zij konden niet zeggen, dat zij vele werken van Godsvrucht en liefde gedaan hadden, een zodanig werk zou hun beter te stade zijn gekomen dan vele krachten, of wonderwerken, die hun van hoegenaamd geen nut waren, terwijl zij volhardden in ongehoorzaamheid. De wonderen hebben nu opgehouden, en daarmee ook deze pleitgrond, maar bemoedigen zich gene vleselijk gezinde harten in hun ongegronde hoop, door even zwakke steunsels? Zij denken naar den hemel te gaan, omdat zij ter goeder naam en faam bekend stonden onder belijders van den Godsdienst, omdat zij vastendagen hebben gehouden, aalmoezen hebben gegeven, en in de kerk verkozen zijn geworden, alsof dit hun heersende hoogmoed, en wereldsgezindheid, en gebrek aan liefde jegens God en mensen goed kon maken. Bethel is hunlieder vertrouwen, Jeremia 48:13, zij verheffen zich om des heiligen bergs wil, Habakuk 3:11, zij roemen, dat zij des Heeren tempel zijn, Jeremia 7:4. Wachten wij ons van te rusten in uitwendige voorrechten en verrichtingen, opdat wij ons zelven niet bedriegen en voor eeuwig omkomen, zoals er zo velen doen, met ene leugen in onze rechterhand.
3. De afwijzing van deze verwering als beuzelachtig. De Wet-Maker is hier de Rechter overeenkomstig die wet, vers 23, en Hij zal die verwering vernietigen, haar openlijk vernietigen, Hij zal hun aanzeggen met alle mogelijke plechtigheid, zoals een vonnis, dat door den rechter wordt uitgesproken: Ik heb u nooit gekend, en dus: gaat weg van Mij, Gij, die de ongerechtigheid werkt. -Merk op.
a. Waarom, en op welken grond Hij hen en hun pleitgrond afwijst-omdat zij zijn werkers der ongerechtigheid. Het is mogelijk, dat mensen een groten naam van vroomheid hebben, en toch werkers der ongerechtigheid zijn, en die dit zijn zullen te zwaarder oordeel ontvangen. In het geheim bezochte plaatsen van zonde, verborgen onder den dekmantel van ene zichtbare belijdenis, zal het verderf zijn der geveinsden. Het leven in bewuste zonde vernietigt der mensen aanspraken, hoe schoonschijnend zij ook zijn.
b. Hoe dit uitgedrukt wordt: "Ik heb u nooit gekend: Ik heb u nooit gekend als Mijne dienstknechten, neen, ook niet toen gij in Mijn naam hebt geprofeteerd, toen gij op het glanspunt waart van uwe belijdenis, en gij door de mensen het meest geprezen werd." Dit duidt aan, dat, indien Hij hen ooit had gekend, zoals de Heere kent degenen, die Zijne zijn, hen ooit als de Zijnen had erkend en liefgehad, Hij hen tot het einde zou gekend, erkend en liefgehad hebben: maar Hij heeft hen nooit gekend, want Hij kende hen altijd als geveinsden, en verdorvenen van hart, zoals Hij Judas gekend heeft, daarom zegt Hij, gaat weg van Mij. Heeft Christus behoefte aan zulke gasten? Toen Hij in het vlees is gekomen, heeft Hij zondaren tot zich geroepen, Hoofdstuk 9:13, maar als Hij zal wederkomen in heerlijkheid, dan zal Hij zondaren van zich wegdrijven. Zij, die niet tot Hem wilden komen om behouden te worden, moeten van Hem weggaan om veroordeeld te worden. Weg te gaan van Christus is de hel der hel, het is de grondslag van al den jammer der verdoemden, om afgesneden te zijn van alle hoop op het nut en voordeel van Christus en Zijn middelaarschap. Zij, die in den dienst van Christus niet verder komen dan tot een bloot belijden, worden door Hem niet aangenomen, en in den groten dag zal Hij hen niet erkennen. Zie van welk ene hoogte der hope de mensen kunnen vallen tot de diepte van ellende! Hoe zij langs de poorten des hemels naar de hel kunnen gaan! Dit behoort een woord van ontdekking en ontwaking te wezen voor alle Christenen. Indien een prediker, iemand die duivelen uitwierp en wonderwerken deed, door Christus verloochend wordt wegens het werken van ongerechtigheid, wat zal er dan worden van ons, indien wij als de zodanige worden bevonden? En als wij de zodanige zijn, zullen wij gewis als de zodanige worden bevonden. Voor den rechterstoel van Christus zal het belijden van den Godsdienst den mens niet kunnen verdedigen, die in de zonde leeft, daarom: een iegelijk, die den naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.
II. Hij toont door ene gelijkenis, dat, deze dingen van Christus te horen ons niet zal zalig maken, indien wij er niet ene gewetenszaak van maken ze ook te doen, maar dat, zo wij ze horen en ook doen, wij inderdaad gezegend zijn, vers 24-27. 1. De hoorders van Christus' woord worden hier verdeeld in twee soorten, sommigen die horen, en doen wat zij horen, anderen, die horen, en niet doen. Christus heeft thans voor een gemengd gehoor gepredikt, en aldus heeft Hij hen van elkaar gescheiden, gelijk Hij dit doen zal op den groten dag, wanneer al de volken voor Hem vergaderd zullen worden. Christus spreekt nog van den hemel door Zijn woord en Zijn Geest, Hij spreekt door leraren, door leidingen der voorzienigheid, en zij, die Hem horen, bestaan uit tweeërlei soort.
a. Sommigen die Zijne woorden horen en ze doen. Geloofd zij God, de zodanige zijn er, hoewel zij, vergelijkenderwijs gesproken, weinig in aantal zijn. Christus te horen, is niet bloot naar Hem te luisteren, maar Hem te gehoorzamen. Het is voor ons allen van het grootste gewicht te doen wat wij van Christus' woorden horen. Het is ene grote genade, dat wij Zijne woorden horen: Zalig zijn die oren, Hoofdstuk 13: 16, 17. Maar als wij niet beoefenen wat wij horen, dan hebben wij die genade te vergeefs ontvangen. Christus' woorden te doen is ons nauwkeurig te onthouden van de zonden, die Hij verbiedt, en de plichten te volbrengen, die Hij eist. Onze gedachten en neigingen, onze woorden en daden, de gezindheid van onzen geest en de richting van ons leven, moeten in overeenstemming wezen met het Evangelie van Christus, dat is het doen, hetwelk Hij eist. Al de woorden van Christus, niet alleen de wetten, die Hij heeft vastgesteld, maar de waarheden, die Hij heeft bekend gemaakt, moeten door ons gedaan worden. Zij zijn een licht, niet slechts voor onze ogen, maar voor onze voeten, en zijn bestemd, niet slechts om ons oordeel voor te lichten, maar om ons hart en leven te veranderen, te reformeren, ook geloven wij ze niet wezenlijk, indien wij er niet naar leven. Het is dus niet genoeg Christus' woorden te horen en ze te verstaan, ze te horen en ze te onthouden, ze te horen en er van te spreken, ze te herhalen, er voor te strijden, maar wij moeten ze horen en doen. Doe dit, en gij zult leven. Alleen zij, die horen, en doen zijn zalig, Lucas 11:28, Johannes 13:17, en zijn aan Christus verwant, Hoofdstuk 12:50.
b. Er zijn anderen, die Christus' woorden horen en ze niet doen, hun Godsdienst bestaat in bloot horen, en gaat niet verder, zij zijn als kinderen, die de Engelse ziekte hebben, hun hoofd zwelt op van ledige begrippen en onbekookte denkbeelden, maar hun gewrichten zijn zwak, en zij zijn zwaarmoedig en lusteloos: zij kunnen zich niet bewegen, en hebben ook geen lust zich te bewegen in enigerlei nuttigen plicht, zij horen Gods woorden, alsof zij lust hadden aan de kennis Zijner wegen, als een volk, dat gerechtigheid doet, maar zij doen ze niet, Ezechiël 33:30, 31. Aldus bedriegen zij zich zelven, gelijk Micha, die zich verbeeldde gelukkig te zijn, omdat hij een Leviet tot zijn priester had, hoewel hij den Heere niet had tot zijn God. Het zaad is gezaaid, maar het komt niet op, zij zien hun vlekken in den spiegel, maar wassen ze af, Jakobus 1:22, 24. Aldus bedriegen zij hun eigene ziel, want het is zeker, dat, indien ons horen niet het middel is tot onze gehoorzaamheid, het de verzwaring zal wezen van onze ongehoorzaamheid. Zij die Christus' woorden alleen horen, en ze niet doen, zetten zich neer in het midden van den weg naar den hemel, en dat zal hen nooit aan het einde hunner reize brengen. Zij zijn slechts door basterdbloed aan Christus verwant, en onze wet vergunt aan de zodanige niet te erven.
2. Deze twee soorten van hoorders worden hier voorgesteld in hun waar karakter en wezenlijken toestand in de vergelijking van twee bouwers, de een was voorzichtig, en bouwde op ene rots, en zijn gebouw weerstond een storm, de ander was dwaas, en bouwde op het zand en zijn gebouw viel. De algemene strekking nu van deze gelijkenis leert ons, dat de enige manier om veiligheid voor onze ziel en de eeuwigheid te verkrijgen is: de woorden van den Heere Jezus in deze Bergrede te horen en te doen. Sommigen van die woorden schijnen hard voor vlees en bloed, maar zij moeten gedaan worden, en aldus leggen wij ons weg tot een schat een goed fondament tegen het toekomende, 1 Timotheus 6:19, ene goede verbintenis, niet ene van onze eigene vinding, die de zaligheid brengt aan onze grillen. Zij verzekeren zich het goede doel, die, gelijk Maria, als zij het woord van Christus horen, aan Zijne voeten zitten, in onderworpenheid er aan: Spreek Heere, want Uw knecht hoort. De bijzondere delen er van leren ons onderscheidene goede lessen.
a. Dat een iegelijk onzer een huis heeft te bouwen, en dat huis is onze hoop op den hemel. Het moest onze voornaamste en standvastige zorge zijn onze roeping en verkiezing vast te maken, en aldus verzekeren wij ons de zaligheid, ons een recht en aanspraak te verzekeren op de hemelse gelukzaligheid en er dan het troostrijke bewijs van te erlangen, het vast te maken, vast te maken voor ons zelven, opdat wanneer ons zal ontbreken, wij in de eeuwige tabernakelen ontvangen zullen worden. Er zijn velen, die zich hier niet om bekommeren, het is het verst van alles uit hun gedachten, zij bouwen voor deze wereld, alsof zij hier altijd zullen blijven, maar bekommeren zich niet om te bouwen voor ene andere wereld. Allen, die ene belijdenis van den Godsdienst aannemen, belijden te onderzoeken, wat zij zullen doen om zalig te worden, hoe zij ten laatste naar den hemel zullen komen, en er intussen ene wel gegronde hoop voor kunnen hebben.
b. Dat ene rots voor ons voorzien is om dit huis op te bouwen, en die rots is Christus. Hij is gelegd tot een grondsteen, en niemand kan een ander fondament leggen, Jesaja 28:16, 1 Corinthiërs 3:11. Hij is onze hope, 1 Timotheus 1:1, Christus in ons is aldus: wij moeten onze hoop op den hemel gronden op de volheid van Christus' verdienste, voor de vergeving van zonde, de kracht Zijns Geestes, voor de heiligmaking onzer natuur, en het overmogende van Zijne voorspraak, voor al het goede, dat Hij voor ons heeft verkregen. Zoals Hij ons in het Evangelie bekend gemaakt is, is er datgene in Hem, dat volstaat om al onze grieven te herstellen, om te beantwoorden aan al de behoeften van onzen toestand, zodat Hij een Zaligmaker is, die volkomen zalig kan maken. Op deze Rots is de kerk gebouwd, en ook ieder gelovige. Hij is sterk en onwankelbaar als een rots, wij kunnen ons alles op Hem wagen en wij zullen niet beschaamd worden over onze hope.
c. Dat er een overblijfsel is, die door de woorden van Christus te horen en te doen, hun hoop bouwen op deze rots en hierin doen zij wijs. Christus is onze enige Weg tot den Vader, in de gehoorzaamheid des geloofs is onze enige weg tot Christus, want, hun, die Hem gehoorzaam zijn, en hun alleen, is Hij ene oorzaak der eeuwige zaligheid geworden. Diegenen bouwen op Christus, die, Hem in oprechtheid aangenomen hebbende als hun Vorst en Zaligmaker, het tot hun voortdurende zorge maken om in overeenstemming te leven met al de regelen van Zijn heiligen Godsdienst, en hierin geheel en al van Hem afhangen voor hulp van God, en het welbehaaglijk zijn aan God, die alle dingen schade en drek achten opdat zij Christus mogen gewinnen en in Hem bevonden worden. Op ene rots te bouwen vereist zorg en moeite, zij, die hun roeping en verkiezing vast willen maken, moeten zich benaarstigen. Het zijn wijze bouwers, die zo beginnen te bouwen dat zij ook kunnen voleindigen. Lukas 14:30, en daarom een vast fondament leggen.
d. Dat er velen zijn, die belijden te hopen, dat zij naar den hemel gaan, maar deze Rots verachten, en hun hoop bouwen op het zand, hetgeen gedaan wordt zonder moeite, maar hierin doen zij dwaas. Buiten Christus is alles zand. Sommigen bouwen hun hoop op hun wereldsen voorspoed, alsof die een gewis kenteken was van Gods gunst, Hosea 12:9. Anderen op hun uitwendige belijdenis van den Godsdienst, op de voorrechten, die zij genieten, en de plechtigheden die zij bijwonen, of waarnemen, en den goeden naam, dien zij er door verkregen hebben. Zij worden Christenen genoemd, zijn gedoopt, gaan naar de kerk, horen Christus' woord, zeggen hun gebeden op en doen niemand kwaad, indien zij omkomen, "zo helpe God een grote menigte!" Dit is het licht van hun eigen vuur, waarbij zij wandelen, dat is het, waarop zij met veel verzekerdheid hun alles wagen, maar het is alles zand, te zwak, om zulk een gebouw, als onze hoop op den hemel, te kunnen dragen.
e. Dat er een storm komt, die hetgeen waarop onze hoop gegrond is, op de proef zal stellen, die eens iegelijks werk zal beproeven, 1 Corinthiërs 3:13, den grond zal ontbloten, Habakuk 3:13, slagregen en waterstromen, en wind zullen tegen het huis aanslaan: de beproeving is soms in deze wereld, als verdrukking of vervolging komt, om des woords wil, dan zal het gezien worden, wie het woord slechts hoorde, en wie het hoorde en in beoefening bracht, wanneer wij onze hoop willen gebruiken, dan zal zij bedroefd worden om te zien, of zij al of niet wèl gegrond was. Als de dood en het oordeel komen, dan komt de storm, en komen zal hij, hoe kalm ons thans alles ook moge toeschijnen. Dan zal alles ons begeven, alles behalve deze hoop, en, indien ooit, dan zal zij alsdan tot eeuwige genieting worden.
f. Dat de hope, welke gebouwd is op Christus, de Rots, stand zal houden, en den bouwer van groten dienst zal zijn, als de storm komt, zij zal zijne bewaring zijn, zowel voor verlating, als voor overweldigende onrust. Zijne belijdenis zal niet verdorren, zijne vertroostingen zullen niet falen, zij zal zijn kracht zijn en zijn lied, als een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is. Als hij tot de laatste ontmoeting komt, zal die hoop de verschrikking des doods en des grafs voor hem wegnemen, hem blijmoedig heenvoeren door het donkere dal, hij zal door den Rechter beproefd worden gevonden, den toets van dien groten dag kunnen doorstaan, en met eindeloze heerlijkheid worden gekroond, 2 Corinthiërs 1:12, 2 Timotheus 4:7, 8.
Zalig is de dienstknecht, welken zijn heer, komende, zal vinden alzo doende, alzo hopende.
g. Dat de hoop die de dwaze bouwers gronden op iets, wat het ook zij, buiten Christus, hun voorzeker zal begeven op den dag des storms, hun gene ware vertroosting of tevredenheid zal bieden in tijden van benauwdheid, in de ure des doods, en in den dag des oordeels, gene beschutting zal zijn tegen verzoeking tot afval in tijden van vervolging. Wat is de verwachting des huichelaars, wanneer God zijne ziel zal uittrekken? Job 27:8. Zij zal zijn als een huis der spinnenkop, en als de uitblazing der ziel. Hij zal op zijn huis lenen, maar het zal niet bestaan, Job 8:14, 15. Het viel in den storm, toen de bouwer het het meest nodig had, en verwachtte, dat het hem zou beschutten. Het viel, toen het te laat was een ander te bouwen, als de goddeloze mens sterft, vergaat zijne verwachting, toen, als hij dacht, dat hij er de genieting van zou hebben, is het gevallen, en zijn val was groot. Het was een grote teleurstelling voor den bouwer, de schande en de schade waren groot. Hoe hoger de hoop der mensen was, hoe lager zij valt. Het is het ergste verderf van alles wat de vormelijke belijders vergezelt, getuige het oordeel over Kapernaum.
III. In de laatste twee verzen wordt ons gezegd welken indruk de rede van Christus op Zijne hoorders heeft teweeggebracht. Het was ene voortreffelijke rede, en waarschijnlijk heeft Hij meer gezegd, dan hier vermeld is, ongetwijfeld heeft ook het uitspreken er van door Hem, op wiens lippen genade was uitgestort, er ook grote kracht en schoonheid aan bijgezet. Zij waren dus: 1. Ontzet over zijne leer. Het is te vrezen, dat slechts weinigen van hen er door geleid werden om Hem te volgen, maar voor het ogenblik waren zij verbaasd en ontzet. Het is mogelijk, dat de mensen ene goede prediking bewonderen, en toch in onwetendheid en ongeloof blijven, dat zij ontzet, maar niet geheiligd worden.
2. De reden van hun ontzetting was, dat Hij hen leerde als machthebbende, en niet als de schriftgeleerden. De schriftgeleerden maakten aanspraak op evenveel gezag als welke leraar ook, en zij werden gesteund door alle uitwendige omstandigheden in hun voordeel, maar hun prediking was laag, en plat, en droog, zij spraken als degenen, die niet zelven meesters waren van hetgeen zij predikten. Het woord kwam van hen niet met leven en kracht, zij spraken het uit, zoals een schoolknaap zijne les opzegt, maar Christus sprak Zijne rede uit zoals een rechter zijne aanklacht uitspreekt. Hij heeft in waarheid Zijne redenen uitgesproken op een toon van gezag, Zijne lessen waren wetten, Zijn woord, een woord van bevel. Christus op den berg toonde meer waar gezag, dan de schriftgeleerden op den stoel van Mozes. Evenzo zal Christus, als Hij door Zijn Geest spreekt tot de ziel, leren met gezag. Hij zegt: Er zij licht en er is licht.