Jeremia 28:10-17
Wij hebben hier een voorbeeld,
I. Van de onbeschaamdheid van de valse profeet. Om de belediging van Jeremia volkomen te maken, "nam hij het juk van de hals van Jeremia, dat deze droeg als een herinnering aan wat hij geprofeteerd had aangaande de onderwerping van de volken aan Nebukadnezar, en hij verbrak het, om een teken te geven van de vervulling van zijn profetie". Zie, hoe de leugengeest, in de mond van de valse profeet, de taal van de Geest van de waarheid nabootst: "Zo zegt de Heere: Alzo zal Ik verbreken het juk van Nebukadnezar, de koning van Babel, niet alleen van de hals van dit volk, maar van de hals van alle volken in nog twee volle jaren." Of Hananja door de kracht van een verhitte verbeelding zichzelf overtuigd had, en het geloofde, of dat hij wist, dat het vals was, en alleen hen overreedde van het te geloven, blijkt niet maar het is duidelijk, dat hij spreekt met overvloedige zekerheid. Het is niets nieuws om het vaderschap van leugens aan God toe te schrijven.
II. Van het geduld van de ware profeet. "Jeremia ging bedaard zijns weegs, en als hij gescholden werd, schold hij niet weer," en wilde niet twisten met een, die op het toppunt van woede was, en te midden van de priesters en het volk, die hevig tegen hem ingenomen waren. De reden, waarom hij heenging, was niet, dat hij niets te antwoorden had, maar, omdat hij bereid was te wachten, totdat het God zou behagen hem een direct en onmiddellijk antwoord te geven, dat hij tot nu toe nog niet ontvangen had. Hij verwachtte, dat God hem een bijzondere boodschap geven zou voor Hananja, en hij wilde niets zeggen totdat hij die ontvangen had. "Ik ben als een dove, ik hoor niet. Want op U, Heere, hoop ik, Gij zult verhoren." Het kan soms wijs zijn kever terug te trekken dan te twisten. "Currenti cede furiri- Geef de toorn plaats."
III. Van de rechtvaardigheid Gods, als Hij oordeelt tussen Jeremia en zijn tegenstander. Jeremia ging zijns weegs als een, in wiens mond geen schelden is, maar spoedig legde God hem een woord op de tong: want Hij openbaart Zich aan hen, die Hem in stilte hun zaak opdragen.
1. Het woord van God, in de mond van Jeremia, wordt bekrachtigd en bevestigd. Jeremia moet zelf de waarheid niet mistrouwen van wat hij in Gods naam overgebracht heeft, omdat het zo'n vermetelen tegenstand en tegenspraak ontmoet heeft. Indien, wat wij gesproken hebben, de waarheid van God is, moeten wij het niet loochenen, omdat mensen het tegenspreken, want groot is de waarheid, en zij zal triomferen. Zij zal standhouden, Iaat ons daarom stand houden voor haar, en niet vrezen, dat het ongeloof of de laster van de mensen ze te niet zal doen. Hananja heeft houten jukken verbroken, maar Jeremia moet ijzeren jukken voor hen maken, die niet verbroken kunnen worden, vers 13, want (zegt God): Ik heb een ijzeren juk gedaan aan de hals van alle deze volken, dat zwaarder zal drukken, en vaster binden, om Nebukadnezar, de koning van Babel te dienen, en opdat zij niet in staat zullen zijn het juk af te schudden, hoe zij er ook tegen worstelen, want zij zullen hem dienen, of zij willen of niet, en wie is er, die twisten kan met Gods raad? Wat tevoren gezegd werd, wordt herhaald: "Ik heb hem ook het gedierte des velds gegeven," alsof daar iets belangrijks in was. De mensen hadden door hun goddeloosheid zichzelf gemaakt "als de beesten, die vergaan," en daarom verdienden zij door een willekeurige macht geregeerd te worden zoals de dieren geregeerd worden, en met zulk een macht regeerde Nebukadnezar, want "die hij wilde, doodde hij, en die hij wilde, behield hij in het leven." 2. Hananja wordt veroordeeld om te sterven voor zijn tegenspraak, en Jeremia zegt hem dat stoutmoedig in het gezicht, als hij daartoe last bekomen heeft van God, hoewel hij tevoren wegging en niets zei, toen hij die last nog niet ontvangen had.
a. De misdaden, waarvan Hananja overtuigd is, zijn: bedrog van het volk en hoon tegen God: "Gij hebt gemaakt, dat dit volk op leugen vertrouwt," daar gij hen aanmoedigt te hopen, dat zij vrede zullen hebben, `t geen hun vernietiging te schrikkelijker zal maken, als die komt, toch was dit niet het ergste: "Gij hebt afval gesproken tegen de Heere, " gij hebt hun geleerd alle goede raad te verachten, die hun in Gods naam gegeven is door de ware profeten, en hebt die krachteloos gemaakt. Veel hebben te verantwoorden, die, door zondaars te zeggen dat zij vrede zullen hebben, al gaan zij ook voort, hun harten verharden, tot minachting van de verwijten en vermaningen van het woord, en van de middelen en wegen, die God gebruikt om hen tot berouw te brengen.
b. Het oordeel, tegen hem uitgesproken, is: "Ik zal u wegwerpen van de aardbodem, als onwaardig er op te leven, gij zult er in begraven worden. Dit jaar zult gij sterven, en sterven als een opstandeling tegen God, tot wie de dood zal komen met smart en met een vloek". Dit vonnis werd voltrokken, vers 17. Hananja stierf in hetzelfde jaar, binnen twee maanden, want zijn profetie is gedateerd van de vijfde maand. vers 1. en zijn dood van de zevende. Goede mensen mogen soms weggenomen worden door de dood in het midden hunner dagen, en als een genade, zoals Josia, maar, wijl dit voorspeld was als de straf voor zijn zonde, en daarnaar plaats vond, kan men het veilig uitleggen als een getuigenis van de Hemel tegen hem en als een bevestiging van Jeremia's zending. En, als het hart des volks niet ellendig verhard was geweest door de bedriegelijkheid van de zonde, dan zou dit hebben verhinderd, dat het nog meer verhard werd door de bedriegelijkheid van de profeten.