Mattheus 5:17-20
Zij, voor wie Christus predikte, en ter wier behoeve Hij deze instructies gaf aan Zijne discipelen, waren mensen, die voor hun Godsdienst het oog hadden:
1. Op de Schriften van het Oude Testament als hun regel, en Christus toont, dat zij hierin gelijk hadden.
2. Op de schriftgeleerden en Farizeeën als hun voorbeeld, en Christus toont aan, dat zij hierin ongelijk hadden, want:
I. De regel, dien Christus is komen instellen, kwam nauwkeurig overeen met de Schriften van het Oude Testament, hier genoemd: de Wet en de Profeten. De profeten waren uitleggers der wet, en uit beiden te zamen bestond die regel van geloof en praktijk, die Christus op den troon vond in de Joodse kerk, en hier laat Hij hem op den troon.
1. Hij protesteert tegen het denkbeeld van het Oude Testament te vernietigen of te verzwakken: Meent niet, dat Ik gekomen ben om de Wet en de Profeten te ontbinden.
a. "Laten de vrome Joden, die liefde hebben voor de Wet en de Profeten, niet vrezen, dat Ik gekomen ben om die te ontbinden." Laten zij niet bevooroordeeld zijn tegen Christus en Zijne leer uit ene jaloerse vrees, dat het koninkrijk, dat Hij is komen oprichten, aan de eer der Schriften te kort zal doen, welke zij hebben aangenomen als komende van God, en waarvan zij de kracht en de reinheid hadden ervaren, neen, laten zij er van overtuigd zijn, dat Christus gene boze bedoelingen heeft tegen de Wet en de Profeten.
b. "Laten de onheilige Joden, die de Wet en de Profeten niet genegen en hun juk moede zijn, de hoop niet koesteren, dat Ik gekomen ben om ze te ontbinden." Laten vleselijk gezinde libertijnen zich niet inbeelden, dat de Messias is gekomen, om hen vrij te stellen van de Goddelijke geboden en hun tevens de Goddelijke beloften te verzekeren, hen zalig te maken en hun tevens vrijheid te geven om te leven naar het hun gelust. Christus beveelt thans niets, dat door de wet der natuur of de zedelijke wet was verboden, en Hij verbiedt niets, wat door deze wetten geboden was. Het is ene grote vergissing te denken, dat Hij dat doet, en Hij draagt er zorg voor die vergissing te herstellen, Ik ben niet gekomen om te ontbinden of te vernietigen. De Zaligmaker van zielen is de verderver van niets anders dan van de werken des duivels, van niets, dat van God komt, en nog veel minder van die voortreffelijke geboden, die wij hebben van Mozes en de Profeten. Neen, Hij is gekomen om ze te vervullen. Dat is:
a. De geboden der wet te gehoorzamen, want Hij is geworden onder de wet. Galaten 4:4. Hij heeft in alle opzichten gehoorzaamheid betoond aan de wet, Hij heeft Zijne ouders geëerd, den sabbat geheiligd, Hij heeft gebeden, aalmoezen gegeven, en gedaan wat nooit iemand anders gedaan heeft, volmaakt gehoorzaamd, en de wet nooit in iets gebroken of overtreden.
b. De beloften der wet te vervullen, en de voorzeggingen der profeten, die allen van Hem getuigden. Het verbond der genade is, in substantie, thans hetzelfde, als het toen was, en Christus is er de Middelaar van. Te beantwoorden aan de typen der wet, en zo heeft Hij, de ceremoniële wet niet ledig gemaakt, maar vervuld, en zich zelven geopenbaard als het Wezen van al die schaduwen.
c. Er het ontbrekende van aangevuld, en haar dus vervolledigd en volmaakt. Dat is het wat het woord plèrosai eigenlijk betekent. Indien wij de wet beschouwen als een vat, waarin te voren water was, dan is Hij niet gekomen om dat water uit te storten, maar om het vat tot aan den rand te vullen, of, als ene schilderij, waarvan eerst de losse omtrekken gemaakt zijn, welke later aangevuld worden, zo heeft Christus door Zijne aanvullingen en uitleggingen de Wet en de Profeten verbeterd.
d. Om met hetzelfde plan of ontwerp voort te gaan. Het is er zo ver vandaan, dat de Christelijke instellingen datgene, wat het voornaamste doel was van den Joodsen Godsdienst, zou tegenwerken, of weerspreken, dat zij het juist in de hoogste mate bevorderen. Het Evangelie is de tijd der verbetering, Hebreeën 9:10, niet de herroeping der wet, maar de verbetering der wet, en bijgevolg, hare bevestiging.
2. Hij betuigt er het eeuwige van, niet alleen is het Zijne bedoeling of voornemen niet haar op te heffen, maar zij zal nooit opgeheven worden, vers 18, "Voorwaar zeg Ik u: Ik, de Amen, de getrouwe Getuige, verklaar plechtig, totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, wanneer de tijd niet meer zijn zal, en de onveranderlijke staat des loons alle wetten zal hebben vervangen, zal er niet ene jota noch een tittel, niet de kleinste of geringste omstandigheid, van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied, " want wat is het dat God doet in al de werkingen van de voorzienigheid en de genade, - wat anders dan de Schrift vervullen? Veeleer zullen hemel en aarde samenkomen, en al de volheid daarvan in verderf en verwarring gehuld worden, dan dat enig woord van God ter aarde zal vallen, of ijdel zal wezen. Het woord des Heeren blijft in der eeuwigheid, het woord der Wet, zowel als het woord des Evangelies. Merk op, dat de zorge Gods betreffende Zijne wet zich uitstrekt, zelfs tot de dingen, die van het minste belang schijnen, de jota's en de tittels, want alles wat Godes is, en Zijn stempel draagt, hoe klein het ook zij, zal bewaard blijven, De wetten van mensen zijn, in hun eigen bewustzijn, zo onvolmaakt, dat zij het als een grondregel erkennen en aannemen, dat Apices juris non sont jura. De uiterste punten der wet zijn geen wet, maar God zal iedere jota en tittel Zijner wet handhaven.
3. Hij draagt Zijnen discipelen op de wet zorgvuldig te bewaren, en toont hun het gevaar van de verwaarlozing of minachting er van, vers 19, Zo wie een van deze minste geboden van de wet van Mozes zal ontbonden hebben, -en nog zo veel te meer een van de grotere, gelijk de Farizeeën deden, die de gewichtiger zaken der wet veronachtzaamden, -en de mensen zal leren, gelijk zij leerden, die het gebod Gods overtraden door hun inzettingen, Hoofdstuk 15:3, die zal de minste genaamd worden in het koninkrijk der hemelen. Hoewel de Farizeeën zulk een roep hebben als leraren, zullen zij toch niet als leraren in Christus, koninkrijk gebruikt worden, maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, zoals Christus' discipelen zullen doen, en zich alzo betere vrienden zullen betonen van het Oude Testament dan de Farizeeën waren, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen. Merk op,
a. dat onder de geboden Gods sommigen kleiner zijn dan anderen, er zijn gene, die in volstrekten zin klein zijn, maar vergelijkenderwijs. De Joden achtten het gebod omtrent het vogelnest, Deuteronomium 22:6. 7, het kleinste van de geboden der wet, en toch had dit ene zeer grote betekenis en bedoeling. b. Dat het in leer en in praktijk gevaarlijk is, om het minste van Gods geboden te niet te doen, te ontbinden, dat is: er de strekking van te verminderen, of het verplichtende er van te verzwakken, wie dit doet, zal bevinden, dat hij het doet tot zijn eigen nadeel en gevaar. Een der tien geboden aldus te vernietigen, is te stout een stuk om door God voorbijgezien te worden. Het is nog iets meer dan de wet te overtreden, het is de wet verbreken, Psalm 119:126.
c. Dat hoe verder zulk een bederf zich verspreidt, hoe erger het is. Het is reeds onbeschaamdheid genoeg het gebod te ontbinden, maar nog groter is de onbeschaamdheid om den mens alzo te leren. Dit ziet duidelijk op hen, dien toenmaals op den stoel van Mozes gezeten waren, en die door hun uitleggingen den tekst bedierven en vervalsten. Meningen, die de strekking hebben om ernstige Godsvrucht, en de levensbeginselen van den Godsdienst door verdorvene uitleggingen der Schrift te ondermijnen en te verwoesten, zijn slecht, als zij gekoesterd worden, maar nog erger zijn zij, als zij verspreid en geleerd worden als het woord van God. Wie dit doet, zal de minste genoemd worden in het koninkrijk der hemelen, in het koninkrijk der heerlijkheid, hij zal daar niet komen, maar er voor eeuwig buitengesloten zijn, of liever in het koninkrijk van de Evangelie-kerk. Hij is er zo ver vandaan de waardigheid van leraar er van te verdienen, dat hij niet geacht zal worden er lid van te wezen. De profeet, die deze leugens leert, zal de staart wezen in dat koninkrijk, Jesaja 9:14. Als de waarheid zal blijken, dan zullen deze verdorvene leraars, hoewel zij even geroemd worden als de Farizeeën, door de verstandigen en Godvruchtigen als niets geacht worden. Niets maakt leraren zo verachtelijk en laag als het verderven der wet, Maleachi 2:8, 11. Zij, die zonde vergoelijken en aanmoedigen, en de strengheid en nauwgezetheid in den Godsdienst verachtelijk maken, zijn het schuim der kerk. Maar van den anderen kant: Diegenen zijn waarlijk eervol en van groot gewicht in de kerk van Christus, die zich door hun leven en hun leer er aan wijden om de reinheid en nauwgezetheid te bevorderen van praktische Godsvrucht, die beide doen en leren wat goed is-want zij die niet doen, wat zij leren, breken met de ene hand af, wat zij met de andere hebben opgebouwd, maken zich zelven tot leugenaars, en brengen de mensen in verzoeking om te denken, dat alle Godsdienst bedrog is-maar zij, die spreken uit ervaring, die wat zij prediken ook beleven, die zijn waarlijk groot. Zij eren God, en God zal hen eren, 1 Samuël 2:30, en hiernamaals zullen zij blinken als de sterren in het koninkrijk onzes Vaders.
II. De gerechtigheid, die Christus door dezen regel kwam vestigen, moet overvloediger zijn dan die der schriftgeleerden en Farizeeën, vers 20. Dit was ene vreemde leer voor hen, die op de schriftgeleerden en Farizeeën zagen als het hoogste in den Godsdienst bereikt hebbende. De schriftgeleerden waren de voornaamste leraren der wet, en de Farizeeën waren er de beroemdste belijders van, en beiden zaten op den stoel van Mozes, Hoofdstuk 23:2 en hadden zulk ene vermaardheid onder het volk, dat men op hen zag als buitengewoon in overeenstemming met de wet, en de mensen dachten, dat zij niet verplicht waren zo goed of vroom te wezen als zij, daarom was het hun ene grote verrassing te horen, dat zij beter behoorden te wezen, of niet naar den hemel zouden gaan, en daarom verzekert Christus dit hier met grote plechtigheid: Ik zeg u, dat het zo is. De schriftgeleerden en Farizeeën waren. vijanden van Christus en van Zijner leer, en waren grote verdrukkers, en toch moet het erkend worden, dat er iets prijzenswaardigs in hen was. Zij deden veel aan vasten en bidden en aan het geven van aalmoezen, zij waren stipt in het waarnemen der ceremoniële voorschriften, en legden er zich op toe anderen te onderwijzen, en toch zegt onze Heere Jezus hier aan Zijne discipelen, dat de Godsdienst, dien Hij kwam vestigen, niet slechts het slechte buitensloot van de schriftgeleerden en Farizeeën, maar hun goedheid, of vroomheid overtrof. Wij moeten meer doen dan zij, en beter doen dan zij, of wij zullen niet in den hemel komen. Zij waren in de wet eenzijdig, en legden den meesten nadruk op het ceremoniële gedeelte er van, maar wij moeten algemeen (universeel) zijn, en niet denken dat het genoeg is aan den priester tienden te geven, maar ons hart geven aan God. Zij bekommerden zich slechts om het uitwendige, maar wij moeten ene gewetenszaak maken van innerlijke Godsvrucht. Zij beoogden lof en toejuiching van mensen, maar wij moeten streven naar welbehaaglijkheid voor God, zij waren hoogmoedig op hetgeen zij deden in den Godsdienst, en vertrouwden er op als gerechtigheid, maar, wij, als wij alles gedaan hebben, moeten wij ons zelven verzaken, en zeggen: Wij zijn onnutte dienstknechten en betrouwen alleen op de gerechtigheid van Christus en aldus kunnen wij de schriftgeleerden en Farizeeën overtreffen.