Psalm 50:16-23
God had door de psalmist Zijn volk onderricht aangaande de rechte wijze van Hem te aanbidden en hun gemeenschap met Hem te onderhouden, nu richt Hij hier Zijn rede tot de goddelozen, de geveinsden, hetzij zij van de Joodsen, of van de Christelijken Godsdienst zijn. Geveinsdheid is goddeloosheid voor welke God richten zal.
Merk hier op:
I. De beschuldiging, die tegen hen wordt in gebracht.
1. Hun wordt ten laste gelegd dat zij zich ten onrechte de eer en de voorrechten van de Godsdienst toeëigenden, vers 16 Wat hebt gij o goddeloze, Mijn inzettingen op te tellen. Dit is een uitdaging aan hen, die in werkelijkheid goddeloos zijn, maar de schijn hebben van Godvruchtig te wezen, om te tonen welk recht zij hebben om zich met de mantel van de Godsdienst te bekleden, en op welk gezag zij hem dragen, als zij hem toch slechts gebruiken om er de afschuwelijke goddeloosheden van hun hart en hun leven mee te bedekken. Laat hen er hun recht en aanspraak op bewijzen, zo zij kunnen. Sommigen denken dat het profetisch heen wijst naar de Schriftgeleerden en Farizeeën, die de leraren en voorgangers waren van de Joodse kerk in de tijd toen het koninkrijk van de Messias opgericht, en de Evangelische wijze van Godsverering, waarvan in de voorafgaande verzen gesproken werd, ingevoerd zou worden. Zij hebben die grote omwenteling heftig tegengestaan, en al de macht en de invloed, die zij hadden door op Mozes' stoel te zitten, aangewend om het te beletten, en het bericht dat onze gezegende Heiland van hen geeft, Mattheus 23, en de apostel Paulus, Romeinen 2; 21, 22, toont dat deze verwijtingen zeer toepasselijk zijn op hen. Zij namen op zich om Gods inzettingen te vertellen, maar zij haatten Christus' onderricht; wat hadden zij er dus mee van doen om de wet te verklaren, zij die het Evangelie verwierpen? Maar het is toepasselijk op allen, die goddeloosheid bedrijven en toch Godsvrucht belijden inzonderheid als zij daarbij nog predikers zijn van de Godsdienst. Het is zeer ongerijmd op zichzelf, en een grote belediging van de God des hemels, als goddelozen Zijn inzettingen vertellen en Zijn verbond in hun mond nemen. Het is zeer mogelijk, en het komt maar al te dikwijls voor, dat diegenen Gods inzettingen aan anderen vertellen, die zelf in ongehoorzaamheid er aan leven, en dat zij, die Gods verbond in hun mond nemen, in hun hart hun verbond met de zonde en de dood aanhouden; maar deze maken zich schuldig aan overweldiging, zij eigenen zich een eer toe, waarop zij geen recht hebben, en er komt een dag, wanneer zij als indringers buiten geworpen zullen worden. Vriend, hoe zijt gij hier ingekomen?
2. Zij worden beschuldigd van de wetten en geboden van de Godsdienst te overtreden en te verbreken.
A. Hun wordt een onbeschaamde minachting van het woord Gods ten laste gelegd, vers 17 Gij haat onderricht. Zij beminden het onderricht te geven, aan anderen te zeggen wat zij doen moeten, want dit voedde hun hoogmoed en gaf hun een groot aanzien, en daarmee verschaften zij zich het levensonderhoud, maar zij haatten het onderricht te ontvangen van God zelf, want dat zou hun een teugel aandoen en vernederend voor hen zijn. Zij haat de tucht, de bestraffingen van het Woord, de bestraffingen van de voorzienigheid." Geen wonder dat zij, die het haten om verbeterd te worden ook de middelen tot verbetering haten. Gij; werpt Mijn woorden achter uw rug heen. Zij schenen Gods woord voor zich te stellen als zij op Mozes' stoel zaten en het op zich namen anderen in de wet te onderwijzen, Romeinen 2:19, maar in hun wandel wierpen zij Gods woorden achter hun rug, en wilden de regel niet zien, door welke zij besloten waren zich niet te laten regeren. Dit is het gebod des Heren verachten.
B. In vast verbond te zijn met de ergste zondaren, vers 18 Indien gij een dief ziet, in plaats van hem te bestraffen en tegen heen te getuigen, zoals zij behoren te doen, die Gods inzettingen vertellen, loopt gij met hem, keurt gij zijn praktijken goed, begeert gij deelgenoot met hem te zijn, te delen in de winst van zijn gevloekt bedrijf; en uw deel is met de overspelers, gij doet wat zij doen, moedigt hen aan om voort te gaan in hun goddeloosheid, gij doet deze dingen en hebt een welgevallen in degenen, die ze doen,
C. Een voortdurend volharden in de ergste zonden van de tong, vers 19. "Uw mond steekt gij in het kwade, gij geeft u niet slechts toe in kwaadspreken, maar gij wijdt er u aan."
a. Liegen. Uw tong koppelt bedrog, hetgeen een liegen aanduidt met overleg en met voorbedachten rade. Zij knoopt bedrog aan elkaar, zo lezen het sommigen. De ene leugen brengt de andere voort, en het ene bedrog heeft een ander bedrog nodig om het te bedekken.
b. Laster vers 20. "Gij zit, gij spreek tegen uw broeder, stelt hem laaghartig voor in een verkeerd licht, oordeelt en bestraft hem op meesterachtige wijze, en spreekt vonnis over hem uit, alsof gij zijn meester waart, wie hij moet staan of vallen, terwijl hij toch uw broeder is, evengoed is als gij zijt, met u op gelijken voet staat, want hij is de zoon van uw moeder. Hij is uw nabestaande, die gij behoort lief te hebben, voor wie gij in de bres moest staan, die gij behoort te verdedigen als anderen hem aanvallen of mishandelen, maar gij mishandelt hem zelf; wiens gebreken gij behoort te bedekken, al zou hij werkelijk verkeerd hebben gedaan, maar gij beschuldigt hem vals van hetgeen, waaraan hij onschuldig is. Gij zit, en doet dit, als een rechter op zijn rechterstoel, met gezag; gij zit in het gestoelte van de spotters om hen te bespotten en te belasteren, voor wie gij eerbied behoort te hebben, en aan wie gij vriendelijkheid moest betonen." Zij, die zelf kwaad doen, hebben er gewoonlijk een welbehagen in om kwaad te spreken van anderen.
II. Het bewijs voor deze beschuldiging. "Deze dingen doet gij, vers 21. Het feit is te openbaar om ontkend te worden, de fout te erg om verontschuldigd te worden. God weet, en uw eigen hart weet, dat gij deze dingen doet." De zonden van de zondaren zal aan hen bewezen worden in het oordeel van de grote dag zonder tegengesproken te kunnen worden "Ik zal u bestraffen, of u overtuigen, zodat gij niets voor uzelf te zeggen zult hebben. De dag komt, wanneer aan onboetvaardige zondaren voor altijd de mond gestopt zal zijn, zodat zij verstommen. Met welk een beschaamdheid zullen zij vervuld zijn als God hun hun zonden ordelijk voor ogen stelt! Zij wilden hun zonden niet zien tot hun verootmoediging, meer wierpen ze achter hun rug, bedekten ze, poogden ze te vergeten, ook wilden zij hun eigen geweten niet toelaten ze hun in de herinnering te brengen; maar de dag komt, wanneer God hun hun zonden zal doen zien tot hun eeuwige schande en verschrikking; Hij zal ze hun ordelijk voor ogen stellen: erfzonde, dadelijke zonden, zonden tegen de wet, zonden tegen het Evangelie, zonden tegen de eerste tafel van de wet, tegen de tweede tafel, zonden van de kindsheid en van de jeugd, van de rijpere leeftijd, van de ouderdom. Hij zal ze in orde stellen, zoals getuigen in orde gesteld worden en in orde worden opgeroepen tegen de misdadiger, en hun gezegd wordt wat zij tegen hem te zeggen hebben. III. Het geduld van de Rechter, en des zondaars misbruik maken van dat geduld. "Ik zwijg, ik heb u niet verontrust op uw zondige weg, maar liet u aan uzelf over, het oordeel tegen uw zondige werken werd uitgesteld niet snel volvoerd." Het geduld van God met tergende zondaren is zeer groot. Hij ziet hun zonden en haat ze; het zou Hem noch moeilijk vallen, noch schade berokkenen, ze te straffen, en toch wacht Hij om genadig te zijn, en laat hun tijd om zich te bekeren, zodat zij zonder verontschuldiging zijn indien zij zich niet bekeren. Zijn geduld is des te meer verwonderlijk, omdat de zondaar er zo'n slecht gebruik van maakt. "Gij meent dat ik ten enenmale ben gelijk gij", even zwak en vergeetachtig als gij, even ontrouw aan Mijn woord als gij, even zeer een vriend van de zonde als gij." Zondaren houden Gods stilzwijgen voor instemming en Zijn geduld voor oogluiking, hoe langer hun dus uitstel wordt verleend, hoe meer hun hart wordt verhard; maar als zij zich niet bekeren, dan zullen zij hun dwaling inzien als het te laat is, en dan zullen zij tevens zien dat de God, die zij tergen, rechtvaardig, heilig en vreeslijk is, en dat Hij niet is gelijk zij.
IV. Hoe zij gewaarschuwd worden voor het ontzettend oordeel van de geveinsde: Verstaat dit toch, gij God vergetenden, vers 22; bedenkt dat God al uw zonden kent, er rekening van houdt; dat Hij er u ter verantwoording voor zal roepen; dat misbruikt geduld in zoveel groter toorn zal verkeren; dat, hoewel gij God en uw plicht jegens Hem vergeet Hij u niet zal vergeten, noch uw rebellie tegen Hem. Bedenkt dit bijtijds, eer het te laat is, want zo hier niet aan gedacht wordt, en van de gedachte er aan geen goed gebruik wordt gemarkt, dan "zal Hij verscheuren, en er zal niemand zijn om te redden." Het is het oordeel van de geveinsde om in tweeën gehouwen te worden, Mattheus 24:51 Het vergeten van God is op de bodem van de goddeloosheid van de goddelozen. Zij, die God kennen, maar Hem niet gehoorzamen, doen blijken dat zij Hem vergeten. Zij, die God vergeten, vergeten zichzelf, en het zal nooit goed met hen wezen voor zij nadenken en aldus tot zichzelf komen. Nadenken is de eerste stap tot bekering. Zij, die op de waarschuwingen van Gods Woord geen acht willen slaan, zullen gewis verscheurd worden door de verrichtingen van Zijn toorn. Als God komt om zondaren te verscheuren, dan is er geen redding mogelijk uit Zijn hand. Zij kunnen zichzelf niet redden, en evenmin kan enigerlei vriend, die zij in de wereld hebben, hen redden.
V. Aan ons allen worden volledige instructies gegeven hoe aan dit ontzettend oordeel is te ontkomen. Laat ons op de slotsom letten van geheel deze zaak, wij hebben haar in vers 23 dat ons wijst op hetgeen wij te doen hebben om ons grote, ons voornaamste doel te bereiken.
1. Des mensen hoogste doel is God te verheerlijken; en hier wordt ons gezegd dat wie dank of lof offert, Hem eert, hij zij Jood of heiden, deze geestelijke offeranden zullen van hem aangenomen worden. Wij moeten God loven, en wij moeten lof offeren, die tot God richten, zoals ieder offer tot Hem gericht was, hem in de handen geven van de priester, onze Heere Jezus, die ook het altaar is. Zie toe dat het een vuuroffer is, aangestoken door de vlam van een heilige liefde en toewijding; wij moeten vurig van geest zijn in het loven van de Heere. In Zijn oneindige, neerbuigende goedheid behaagt het Hem om dit als een eren van Hem te beschouwen en aan te nemen. Hiermede geven wij Hem de eer Zijns naams, en doen wij wat wij kunnen om de belangen van Zijn koninkrijk onder de mensen te bevorderen.
2. In vereniging hiermede is het des mensen hoogste doel God te genieten, en hier wordt ons gezegd dat zij, die hun weg wel aanstellen, (vers 23, of die hun wandel wel inrichten, Gods heil zullen zien. a. Het is niet genoeg voor ons dat wij dank offeren, wij moeten daarbij ook onze weg wel aanstellen onze levenswandel goed inrichten. Dankzegging is goed, maar dankbaarheid te tonen in ons leven is beter.
b. Zij, die hun weg wel willen aanstellen, moeten zich moeite geven om hem goed in te richten, overeenkomstig de regel, zij moeten hun weg verstaan, en hem alzo kunnen richten en regelen.
c. Zij, die zorg dragen voor hun levenswandel, verzekeren zich de zaligheid, God zal hun Zijn heil doen zien, want het is een heil, geheel bereid om geopenbaard te worden. Hij zal het hun doen zien en doen genieten, het doen zien, en geven dat zij zichzelf er voor eeuwig gelukkig in zijn. Het recht aanstellen van onze weg is de enige weg, maar de zekere, de onfeilbare weg, om tot de grote zaligheid te komen.