12. En gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, omdat gij in Mijne inzettingen niet gewandeld, en Mijne rechten niet gedaan hebt, maar naar de rechten der Heidenen, die rondom u zijn, gedaan hebt. (
Hoofdstuk 5:7).
Vele der verleide burgers zullen in de stad omkomen, voor deze zal zij de pot zijn en zij zullen het vlees wezen, dat daarin gekookt wordt- maar gij zelf zult niet het vlees in deze pot zijn, maar er worden uitgehaald en elders worden klein gehakt.
Het woord: "deze stad zou de pot en wij het vlees zijn" zal dus door de uitkomst ene zekere bevestiging verkrijgen, maar ene ontzaglijke. Zij waren de eigenlijke moordenaars dergenen, die bij de belegering omkwamen, daar zij door hun goddeloze aanslagen de Chaldeën deden komen. "Ulieden zal Ik doen uitgaan" hier vooreerst de tegenstelling tegen hun hoop om in de stad te blijven; in het volgende dan verder, dat dit uitvoeren niet met vriendschappelijke bedoeling geschiedt, maar om hun kwelling te verlengen. Uit vrees voor het zwaard des konings van Babel hadden zij het vuur van oproer aangestoken en dreven zij, daar hij tot bestraffing van dezen opstand naderde, den tegenstand tot op het uiterste. Maar juist wat zij uit vrees voor het zwaard ondernemen, zal het zwaard over hen brengen, dat zij bij ootmoedige onderwerping, zo als Jeremia hun predikte, zouden zijn ontkomen. Na de inneming der stad werden de voornaamste beambten en notabelen voor Riblath aan den Orontes, aan het noordeinde van Coele-Syrië door Nebukadnezar gevoerd en daar op zijn bevel gedood. De voorzegging kan niet eerst na de geschiedenis zijn gevormd: Ezechiël legde zijn Boek zijnen tijdgenoten voor, die hem konden controleren, en het bewijs voor de voorzeggingen, die nog bij het leven van den Profeet vervuld werden, ligt in die, welke eerst lang na zijnen dood tot vervulling kwamen. Maar het vertrouwen, waarmee Ezechiël het schipbreuk lijden der coalitie verkondigt, strekt ten bewijze, dat zijne profetie een bovennatuurlijk element is, en wanneer dit moet worden toegestaan, zo kan men zich ook aan bijzonderheden niet verder stoten; deze te verklaren voor later door den Profeet bijgevoegd, is hem tot enen bedrieger vernederen.