2 Koningen 23:1-3
Josia had een boodschap van God ontvangen, dat het verderf van Jeruzalem niet was af te wenden, maar dat hij alleen zijn eigen ziel zou bevrijden, maar daarom gaat hij nu niet in wanhoop stil zitten, besluitende om nu maar niets te doen voor zijn land, omdat hij niet alles kon doen wat hij wenste, neen hij zal zijn plicht doen, en dan de uitkomst aan God overlaten. Er wordt besloten tot een openbare reformatie, indien iets het bedreigde verderf kon afwenden, dan moet dit het wezen en hier hebben wij de toebereidselen tot deze reformatie.
1. Hij riep een algemene vergadering van de staten bijeen, de oudsten, de magistraten, of vertegenwoordigers van Juda en Jeruzalem, om met hem samen te komen in het huis des Heeren, met de priesters en profeten, de gewone en de buitengewone dienaren van de Godsdienst, opdat het, daar zij allen er zich mee verenigden, een nationale daad zou worden, waardoor te meer waarschijnlijkheid zou bestaan om nationale oordelen te voorkomen. Zij werden allen opgeroepen om de vergadering bij te wonen, opdat de zaak met des te meer plechtigheid gedaan zou worden, allen hun advies zouden uitbrengen en er behulpzaam in zouden zijn, en opdat zij, die ertegen waren, er van afgebracht zouden worden om tegenstand te bieden. Parlementen zijn volstrekt geen verkorting van de eer en de macht van goede vorsten, maar wel een grote steun voor hen.
2. Inplaats van tot deze vergadering een redevoering te houden, gebood hij dat het wetboek voor haar gelezen zou worden, ja hij schijnt het zelf gelezen te hebben, vers 2, als iemand, die er diep door was aangedaan, en die verlangend was dat ook zij er door getroffen zouden worden. Josia acht het niet beneden zich om de lezer te zijn, evenmin als Salomo het beneden zich heeft geacht om een prediker, en David zelf om een dorpelwachter te zijn in het huis van God.
Behalve de bijeenkomst van de aanzienlijken, waren ook nog alle man van Juda en de inwoners van Jeruzalem gekomen om de wet te horen lezen. Het is in werkelijkheid in het belang van de vorsten om de kennis van de Schriften in hun gebied te bevorderen. Indien het volk slechts even vast besloten is om de wet te gehoorzamen als hij om naar de wet te regeren, dan zal het koninkrijk gelukkig zijn. Alle mensen hebben er belang bij de Schriften te kennen, en allen, die in hoogheid zijn, om er de kennis van te verspreiden.
3. Inplaats van wetten voor te stellen om hen te bevestigen in hun plicht, stelde hij voor een vereniging te vormen, om zich gezamenlijk te verbinden aan God, vers 3. Het boek van de wet was het boek des verbonds, dat, zo zij Gode een volk zouden zijn, Hij hun een God zou wezen, hier nu verbinden zij zich om te doen wat hunner was, niet twijfelende of God zou dan doen wat Zijns is.
a. Het verbond was dat zij de Heere zouden nawandelen in onderworpenheid aan Zijn wil, in Zijn inzettingen en naar Zijn beschikkingen, naar Zijn roepstemmen zouden horen, en op Zijn bewegingen acht zouden geven, dat zij al Zijn geboden, zedelijke, ceremoniëele en rechterlijke nauwgezet zouden onderhouden met gehele harte en ganser ziele, met alle mogelijke zorg en oplettendheid, met oprechtheid, kracht, kloekmoedigheid en standvastigheid, en aldus de voorwaarden van het verbond zouden nakomen, in vertrouwen op de beloften ervan.
b. Die het verbond aangingen, waren in eerste plaats de koning zelf, die bij zijn pilaar stond, Hoofdstuk 11:14, en openlijk zijn instemming betuigde met dit verbond, om hun het voorbeeld te geven en hen te verzekeren, niet alleen van zijn bescherming, maar van zijn voorgang, en al de hulp, die zijn macht hun kon verlenen in hun gehoorzaamheid. Het is geen verkorting van de vrijheid, ook niet van de vorsten zelf om in banden van verplichting te zijn jegens God. Ook het gehele volk stond in dit verbond, dat is: zij gaven te kennen dat zij er mee instemden en beloofden dat zij er zich aan zouden houden. Het is goed en nuttig om ons met alle mogelijke plechtigheid te verbinden tot onze plicht, en het is inzonderheid goed en tijdig na een tijd van afval tot zonde, en verval van hetgeen goed is. Een eerlijk gemoed deinst niet terug voor een stellige verbintenis om te doen wat goed is, en te laten wat kwaad is.