Mattheus 24:4-31
De discipelen hadden gevraagd betreffende den tijd: Wanneer zullen deze dingen zijn? Christus geeft hun hierop geen antwoord, Hij zegt niet na hoeveel dagen en jaren Zijne voorzegging uit zou komen, want het komt ons niet toe te weten de tijden of gelegenheden, Handelingen 1:7. Maar zij hadden ook gevraagd: Wat zal het teken zijn? En op die vraag geeft Hij een volledig antwoord, want wij hebben er belang bij de tekenen der tijden te onderscheiden, Hoofdstuk 16:3. Nu betreft de profetie in de eerste plaats de gebeurtenissen, die nabij zijn-de verwoesting van Jeruzalem, het einde van de Joodse kerk en staat, de roeping der heidenen, en de oprichting van Christus' koninkrijk in de wereld. Maar gelijk de profetieën van het Oude Testament, die onmiddellijk en in de eerste plaats betrekking hebben op de zaken der Joden en de revoluties in hun staat, toch voorzeker onder hun type verder zien, namelijk op de Evangeliekerk en het rijk van den Messias, en aldus in het Nieuwe Testament verklaard worden, en in deze voorzeggingen uitdrukkingen worden gevonden, die daaraan eigen zijn, en op niets anders van toepassing kunnen wezen, zo ziet ook deze profetie onder het type van de verwoesting van Jeruzalem, ver in de toekomst, namelijk op het algemene oordeel. En zoals dit gewoonlijk het geval is met profetieën, sommige plaatsen er van zijn het meest van toepassing op het type, en anderen op het antitype, en, als gewoonlijk, wijst zij bij het einde meer bijzonder op het antitype. Het is opmerkelijk, dat hetgeen Christus hier aan Zijne discipelen zegt, meer strekt om hen op hun hoede te doen zijn, dan om hun nieuwsgierigheid te voldoen, meer om hen voor te bereiden op de komende gebeurtenissen, dan om hun een bepaald denkbeeld van die gebeurtenissen te geven. Dat is het goede verstaan van de tijden, dat wij allen moeten begeren, om daaruit op te maken wat Israël behoort te doen. En zo is deze profetie van blijvend nut voor de kerk, want hetgeen dat er geweest is, hetzelfde zal er zijn, Prediker 1:5, 6, 7 9, en de reeks, het verband en de voortekenen der gebeurtenissen, zijn heden nog tamelijk gelijk aan hetgeen zij toen waren, zodat er van de profetie in dit hoofdstuk, heenwijzende naar die gebeurtenis, zulke zedelijke aanduidingen en zodanige betekenis van de tekenen der tijden afgeleid kunnen worden, als het hart van den wijze zal weten te gebruiken om er voordeel mede te doen voor zijne ziel.
I. Christus voorzegt het uitgaan van bedriegers. Hij begint met ene waarschuwing: Ziet toe, dat u niemand verleide. Zij verwachtten, dat hun gezegd zou worden, wanneer deze dingen zijn zullen, in dat geheim ingewijd te worden, maar deze waarschuwing is een sterke beteugeling van hun nieuwsgierigheid. Wat gaat het u aan? Denkt aan uw plicht, volgt Mij, en laat u niet verleiden om af te laten van Mij te volgen. Zij die het meest nieuwsgierig zijn naar de verborgen dingen, die het hun niet toekomt te weten, worden het gemakkelijkst door bedriegers misleid, 2 Thessalonicenzen 2:3. De discipelen, horende dat de Joden, hun onverzoenlijkste vijanden, verdaan zullen worden, zouden in gevaar kunnen zijn van zich aan al te grote gerustheid over te geven. Neen, zegt Christus, gij zijt nog aan andere gevaren blootgesteld. Verleiders zijn gevaarlijker vijanden voor de kerk dan vervolgers. Drie maal maakt Hij in deze rede melding van het verschijnen van valse profeten, hetgeen was:
1. Een voorteken van Jeruzalems ondergang. Rechtvaardiglijk zijn zij, die ware profeten hebben gedood, overgelaten om verstrikt te worden door valse profeten, en zij, die den waren Messias hebben gekruisigd, overgelaten om door valse Christussen te worden bedrogen en verbroken. De verschijning van dezen was de aanleiding tot de verdeling des volks in partijen en facties, waardoor hun val werd bespoedigd, en de zonde van velen, die door hen terzijde afgeleid werden, droeg er toe bij om de maat vol te laten worden. Het was ene toetsing voor de discipelen en dus in overeenstemming met hun proeftijd, opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar mogen worden. Betreffende deze verleiders hebben wij te letten op:
a. Hun schoonschijnend voorgeven. Satans handelingen doen het meeste kwaad als hij zich voordoet als een engel des lichts. De schijn van het grootste goed is dikwijls een dekmantel voor het grootste kwaad. Er zullen valse profeten komen, vers 11-24. De verleiders zullen voorgeven, dat zij spreken en handelen onder de ingeving van Gods Geest, dat zij een onmiddellijke opdracht hebben van boven, en den geest der profetie hebben, terwijl dit alles een leugen is. De zodanige zijn er vroeger geweest, Jeremia 23:16, Ezechiël 13:6, gelijk dit voorzegd was, Deuteronomium 13:3. Sommigen denken dat de verleiders, die hier bedoeld zijn, gevestigde leraars der kerk waren, en als zodanig naam hadden gemaakt, maar later de waarheid, die zij hadden geleerd, heb- ben verraden en zich aan dwaling hebben overgegeven. Van de zodanige dreigt te meer gevaar, naarmate het minder wordt vermoed. Een verrader in het garnizoen kan meer onheil teweegbrengen, dan duizend bekende vijanden van buiten. Er zullen valse Christussen opstaan, onder den naam van Christus, vers 5, den naam voerende, die Hem alleen toekomt, en zeggende, Ik ben Christus, vers 24. In dien tijd werd de verschijning van den Messias algemeen verwacht, zij spraken van Hem als van den Komende. Maar toen Hij gekomen is, heeft de meerderheid des volks Hem verworpen, en daarvan werd gebruik gemaakt door hen, die de eerzucht hadden om zich een naam te maken, door zich als christussen voor te doen. Josephus maakt melding van verscheidene zodanige bedriegers in dien tijd, zoals een zekere Theudas, die verslagen werd door Cospius Fadus, een ander door Felix, en nog een ander door Festus. Dosetheus zei, dat hij de Christus was, voorzegd door Mozes. (Origen adversus Celsum). Zie Handelingen 5:36, 37. Simon de tovenaar beweerde de grote kracht Gods te zijn, Handelingen 8:10. In latere eeuwen zijn er meer van zulke bedriegers geweest. Ongeveer honderd jaren na Christus was er een, die zich Bar-Kochba, de zoon der ster, noemde, maar bleek Bar-Kochba, de zoon ener leugen te zijn. Ongeveer vijftig jaren geleden heeft Sabbatai Levi zich in het Turkse rijk als den Messias opgeworpen, en werd door de Joden hoog vereerd, maar het duurde niet lang, of zijne uitzinnigheid is openbaar geworden. De Roomse Godsdienst heeft in waarheid, onder Christus' naam, een valsen Christus gesteld. De paus dient zich aan, in Christus' naam, als Zijn stedehouder, maar matigt zich wederrechtelijk al Zijne ambten aan, en dus is hij Zijn mededinger, en als zodanig Zijn vijand, een bedrieger en antichrist. Deze valse christussen en valse profeten zullen hun agenten en zendelingen hebben aan alle plaatsen, ijverig in de weer om de mensen tot hen te trekken, vers 23. Alsdan, als openbare rampen beroering brengen, en de mensen alles zullen aangrijpen wat hun uitzicht op verlossing schijnt te geven, zal Satan daar zijn voordeel mede doen om hen te bedriegen. Dan zullen zij zeggen: Ziet, hier is de Christus, of daar. Maar geeft geen acht hen, de ware Christus heeft niet getwist, noch geroepen, en van Hem werd ook niet gezegd: Ziet hier! of ziet daar! Lukas 17:21. Indien dus iemand alzo van Hem spreekt, beschouwt dit dan als ene verzoeking of verleiding. De kluizenaars, die den Godsdienst zoeken in een klooster- of kluizenaarsleven, zeggen: Hij is in de woestijn. De priesters, die den gewijden ouwel tot Christus maken, zeggen: Hij is: en tois tameiois, in de verborgen kamers: ziet, Hij is in dit verborgen kastje, in dat beeld. Aldus eigenen sommigen de tegenwoordigheid van Christus toe aan ene partij, ene gezindte, alsof zij het monopolie hadden van Christus en het Christendom, en alsof met hen het koninkrijk van Christus moet staan of vallen, leven of sterven. Ziet, Hij is in deze kerk, in dat concilie, terwijl toch Christus alles is in allen, niet hier of dáár is, maar tot Zijn volk komt om hen te zegenen aan alle plaats, waar Hij Zijns naams gedachtenis stichten zal.
b. Het bewijs, dat zij zullen bijbrengen voor hun voorgeven: Zij zullen grote tekenen en wonderheden doen, vers 24. Geen ware wonderen, dezen hebben het Goddelijk zegel, en door dezen wordt de leer van Christus bevestigd. Daarom moeten wij, indien iemand ons door tekenen en wonderheden daarvan zoekt af te trekken, ons houden aan den regel, vanouds gegeven, Deuteronomium 13:1-3, Als dat teken of dat wonder komt, zo volgt toch hem niet, die u zou willen overhalen om andere goden te dienen, of in andere christussen te geloven, want de Heere uw God verzoekt ulieden, dat is: stelt u op de proef. Maar dit waren wonderen der leugen, 2 Thessalonicenzen 2:9, gewerkt door Satan, (onder de toelating Gods), die de overste van de macht der lucht is. Er wordt niet gezegd: Zij zullen wonderen doen, maar zij zullen grote tekenen tonen . Zij zijn slechts ene vertoning, hetzij zij op der mensen lichtgelovigheid werken door leugenachtige verhalen, of hun zinnen bedriegen door goocheltoeren of kunstenarijen, zoals de Egyptische tovenaars gedaan hadden.
c. Hun succes hierin.
Zij zullen velen verleiden, vers 5, en wederom in vers 11. De duivel en zijne medestanders kunnen het ver brengen in het bedriegen van arme zielen. Weinigen vinden de enge poort, maar velen worden heengetrokken naar den breden weg. Velen zullen misleid worden door hun tekenen en wonderheden, en velen overgehaald door de hoop op verlossing uit hun verdrukking. Maar noch wonderheden, noch grote scharen zijn stellige tekenen van een ware kerk: want de gehele aarde verwonderde zich achter het beest, Openbaring 13:3.
Zij zouden, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen verleiden. Dit duidt aan, Ten eerste. De kracht van hun begoocheling, zij is zo groot, die stroom is zo sterk, dat velen medegevoerd zullen worden, zelfs diegenen, van wie men gedacht zou hebben, dat zij vaststonden. Der mensen kennis of wetenschap, hun gaven en talenten, hun geleerdheid en hoge positie en veeljarig belijden van den Godsdienst zal hen niet beveiligen, integendeel, in weerwil van dit alles zullen velen verleid worden. Niets dan de almachtige genade Gods ter volvoering van Zijn eeuwig raadsbesluit, zal beveiligen of beschermen. Ten tweede. De veiligheid der uitverkorenen temidden van dit gevaar, die als vaststaand wordt aangemerkt in dezen tussenzin: Indien het mogelijk ware, welke duidelijk te kennen geeft dat het niet mogelijk is, want zij worden in de kracht Gods bewaard, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast blijve. Het is mogelijk, dat degenen, die eens verlicht zijn geweest, afvallig worden, Hebreeën 6:4, 5, 6, maar niet degenen, die uitverkoren zijn. Indien Gods uitverkorenen bedrogen zouden worden, dan zou Gods uitverkiezing teniet gemaakt worden, hetgeen ondenkbaar is, want die Hij tevoren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen, en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd en verheerlijkt, Romeinen 8:30. Zij zijn aan Christus gegeven, en van allen, die Hem gegeven zijn, zal Hij er geen verliezen, Johannes 10:28. Grotius denkt, dat hiermede de grote moeilijkheid bedoeld wordt om de eerste Christenen van hun geloof af te trekken, en haalt het aan als spreekwoordelijk gebezigd door Galen, als hij van iets wil spreken, dat zeer moeilijk of zedelijk onmogelijk is, dan zegt hij: Eerder zoudt gij een Christen van Christus kunnen aftrekken. d. De herhaalde waarschuwingen van onzen Heiland aan Zijne discipelen om op hun hoede tegen hen te zijn. Hij waarschuwde hen, opdat zij zouden waken, vers 25, Ziet, Ik heb het u voorzegd. Wie tevoren is ingelicht waar hij zal worden aangevallen, kan zich redden, zoals de koning van Israël gedaan heeft, 2 Koningen 6:9, 10. Christus' waarschuwingen zijn bestemd om ons te doen waken, en hoewel de uitverkorenen er voor bewaard zullen worden om bedrogen of verleid te worden, zullen zij dit slechts door het gebruik der bestemde middelen en een behoorlijk acht geven op de waarschuwingen van het woord. Wij worden bewaard door het geloof, geloof in het woord van Christus, dat Hij ons voorzegd heeft. Wij moeten hen niet geloven, die zeggen: Ziet, hier is de Christus, of Ziet, Hij is daar, vers 23. Wij geloven, dat de ware Christus aan de rechterhand Gods is, en dat Hij geestelijk tegenwoordig is, waar twee of drie in Zijn naam vergaderd zijn. Gelooft dus hen niet, die u willen aftrekken van een Christus in den hemel, door u te zeggen dat Hij ergens op aarde is, of u willen aftrekken van de algemene kerk op aarde, door u te zeggen: Hij is hier, of dáár, gelooft het niet. Niets is vijandiger aan het ware geloof dan lichtgelovigheid. De onnozelen geloven ieder woord, en lopen ieder geroep na. Memnêso apistein -Wacht u van te geloven. Wij moeten niet uitgaan met hen, die zeggen: Hij is in de woestijn, of, in de binnenkamers, vers 26. Wij moeten niet luisteren naar iedere geestelijken kwakzalver, of ieder volgen, die met zijn vinger wijst naar een nieuwen Christus en een nieuw Evangelie. Gaat niet uit, want zo gij het wèl doet, dan loopt gij gevaar van door hen gevangen te worden, blijft dus het gevaar uit den weg, wordt niet medegevoerd met iedere wind. Menigeen is door zijn ijdele nieuwsgierigheid om uit te gaan tot algehelen afval gekomen. In zulke tijden is uwe kracht gelegen in stil te zitten, en het hart gesterkt te laten worden door genade.
II. Hij voorspelt oorlogen en grote beroeringen onder de volken, vers 6, 7. Bij de geboorte van Christus heerste algemeen vrede in het rijk, de tempel van Janus was gesloten, maar denkt niet, dat Christus gekomen is, om vrede te geven, of zulk een vrede te doen voortduren, Lukas 12:51. Neen, Zijne stad en Zijn muur zullen gebouwd worden in benauwdheid der tijden, en zelfs oorlogen zullen Zijn werk bespoedigen. Van den tijd, dat de Joden Christus hebben verworpen en Hij hun huis woest heeft gelaten, is het zwaard nimmer van hun huis afgewend, het zwaard des Heeren was nooit rustig, omdat Hij er bevel aan had gegeven tegen een huichelachtige natie en het volk van Zijn toorn, en hierdoor is het verderf over hen gekomen. Hier is:
1. Ene voorzegging van de gebeurtenis van den dag. Gij zult nu weldra horen van oorlogen en geruchten van oorlogen. Als er oorlogen zijn, wordt er van gehoord, want de strijd dergenen, die streden, geschiedde met gedruis, Jesaja 9:4. Zie hoe vreeslijk hij is, O mijne ziel, gij hoort het krijgsgeschrei, Jeremia 4:19. Zelfs de rustigen in den lande, en de minst-nieuwsgierigen, kunnen niet anders dan het rumoer van den krijg horen. Zie wat het gevolg is van de verwerping des Evangelies. Zij, die de boden des vredes niet willen horen, zullen de boden des krijgs horen. God heeft een zwaard gereed om den twist Zijns verbonds te wreken, den twist Zijns nieuwen verbonds. Het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, dat is: een deel of gewest van het Joodse volk tegen het andere, de ene stad tegen de andere, 2 Kronieken 15:5, 6, en in hetzelfde gewest en dezelfde stad zal de ene partij tegen de andere opstaan, zodat zij elkaar zullen verteren en verpletteren, Jesaja 9:18-20.
2. Een gebod voor den plicht van den dag, Ziet toe, wordt niet verschrikt. Is het mogelijk zulke treurige tijdingen te horen, en niet verschrikt te worden? Maar, als het hart bereid is en op God vertrouwt, wordt het bewaard in vrede, en is het niet bevreesd, neen, niet voor den alarmkreet van Te wapen! te wapen! Weest niet ontroerd, Mê throeithe. Wordt niet in verwarring gebracht, wordt door geen barensweeën bevangen, zoals een zwangere vrouw door schrik, ziet toe. Er is voortdurende zorg en waakzaamheid nodig, om beroering uit het hart te houden als er oorlogen gaande zijn, en het is tegen den wil van Christus, dat zelfs in benauwde tijden het hart Zijns volks ontroerd is. Wij moeten niet verschrikt of ontroerd wezen en dat wel om twee redenen,
a. Wijl ons gezegd is dit te verwachten. De Joden moeten gestraft worden, er moet verderf over hen komen, hierdoor moet de gerechtigheid Gods en de eer des Verlossers gehandhaafd worden, en daarom moeten al die dingen geschieden. Het woord is uit Gods mond uitgegaan en zal ter zijner tijd vervuld worden. De gedachte aan de onveranderlijkheid der raadsbesluiten Gods, die alle gebeurtenissen beheersen en regelen, moet ons hart tot rust brengen, wat er ook moge gebeuren. God volvoert slechts hetgeen voor ons bestemd is, en ons bovenmate ontroerd zijn is slechts een weerstreven van die beschikking Gods. Laat ons daarom berusten, omdat die dingen moeten geschieden, niet slechts als gevolg van het raadsbesluit Gods, maar als een middel tot een ander doel. Het oude huis moet afgebroken worden (hoewel dit niet kan geschieden zonder gedruis, stof en gevaar) eer het nieuwe gebouw opgetrokken kan worden. De dingen, die beweeglijk zijn, die wankelen, moeten weggeruimd worden, opdat blijven zouden de dingen, die niet beweeglijk zijn, Hebreeën 12:27.
b. Omdat wij nog erger te wachten hebben. Nog is het einde niet, het einde des tijds is er nog niet, en zolang de tijd duurt, moeten wij benauwdheid en onrust verwachten, verwachten, dat het einde van de ene beproeving slechts het begin van een andere beproeving zijn zal. Of wel: Het einde van deze benauwdheid is er nog niet, " er moet van meer dan een oordeel gebruik gemaakt worden, om de Joodse macht naar beneden te brengen, meer fiolen des toorns moeten uitgestort worden, slechts een wee is voorbij, er moeten nog meerdere komen, meer pijlen uit Gods pijlkoker moeten tegen hen gebruikt worden, weest dus niet verschrikt, bezwijkt niet onder den tegenwoordigen last, verzamelt veeleer al de kracht en den moed, die gij hebt, om tegen te gaan hetgeen nog komen moet. Weest niet verschrikt door het horen van oorlogen en geruchten van oorlogen, want wat zou er dan van u worden als hongersnoden en pestilentiën komen? Als het enkel beroering zal zijn het gerucht te verstaan, Jesaja 28:19, wat zal het dan wezen den slag te gevoelen, als hij het gebeente en het vlees raakt? Indien het lopen met de voetknechten ons vermoeit, hoe zullen wij ons dan mengen met de paarden? En als wij verschrikt zijn voor een beekje op onzen weg, hoe zullen wij het dan maken in de verheffing van den Jordaan? Jeremia 12:5. Hij voorzegt andere oordelen, die meer onmiddellijk door God gezonden worden-hongersnoden, pestilentiën en aardbevingen. Hongersnood is dikwijls het gevolg van oorlog, en pestilentie van hongersnood. Dat waren de drie oordelen, waaruit David een te kiezen had, en hij was er in grote benauwdheid om, want hij wist niet wat het ergste was. Maar hoe ontzettende verwoestingen zullen zij aanrichten, als zij allen over een volk worden uitgestort! Behalve oorlog (en dat is reeds genoeg) zal er zijn:
1. Hongersnood, aangeduid door het zwarte paard onder het derde zegel. Openbaring 6:5, 6. Wij lezen van een hongersnood in Judea, niet lang na Christus, en die grote armoede teweegbracht. Handelingen 11:28, maar de ergste hongersnood heeft in Jeruzalem geheerst gedurende het beleg, zie Klaagliederen 4:9, 10. 2. Pestilentiën, aangeduid door het vale paard, waarop de dood was gezeten, en dat gevolgd werd door de hel, of het graf, onder het vierde zegel, Openbaring 6:7, 8. Deze verwoest zonder onderscheid te maken, en legt, binnen weinig tijds, hopen op hopen.
3. Aardbevingen in verscheidene plaatsen, of van plaats tot plaats, hen vervolgende, die er voor vlieden, zoals voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, Zacheria 14:5. Grote verwoestingen zijn door aardbevingen aangericht, zij hebben van velen den dood veroorzaakt, en den schrik van nog meerderen. In de visioenen der Openbaring is het opmerkelijk, dat aardbevingen goed, maar geen kwaad aanduiden voor de kerk, Openbaring 6:12, 15, 11:12-13, 19, 16:17-19. Als God de aarde geweldiglijk schudt, Jesaja 2:21), dan is het om er de goddelozen van uit te schudden, Job 38:13, en den wens aller volken in te leiden, Haggai 2:7-8. Maar hier wordt er van gesproken als van schrikkelijke oordelen, die toch slechts een beginsel der smarten zijn, oodinoon -van barensweeën, snel en heftig, en toch ook vervelend, langdradig. Als God oordeelt, zal Hij de overhand hebben, als Hij begint in toorn, zal Hij voleinden, 1 Samuël 3:12. Als wij zien op de eeuwigheid der ellende, die aan de hardnekkige verwerpers van Christus en Zijn Evangelie te wachten staat, dan kunnen wij betreffende de grootste tijdelijke oordelen in waarheid zeggen: Zij zijn maar het beginsel der smarten, hoe erg de zaken ook voor hen uitzien, er wacht hun nog erger.
III. Hij voorzegt de vervolging van Zijn eigen volk en Zijne dienstknechten, waarop dan een algemene afval, een verval in den Godsdienst, volgen zal.
1. Het kruis zelf wordt voorspeld, vers 9. Van alle toekomstige gebeurtenissen gaat ons het meest ons eigen lijden aan, hoewel wij gewoonlijk het minst verlangen om dit te weten. Alsdan, wanneer hongersnoden en pestilentiën heersen, zullen zij ze toeschrijven aan de Christenen, en dit tot een voorwendsel maken om hen te vervolgen, "de Christenen voor de leeuwen!" Toen Christus voor h et eerst Zijne discipelen uitzond, had Hij hun gezegd, wat harde dingen zij zullen hebben te verduren, maar totnutoe hadden zij daar nog weinig van ervaren, en daarom herinnert Hij hen er nogmaals aan, dat hoe minder zij hadden geleden, hoe meer er te vervullen overbleef, Colossenzen 1:24. Zij zullen verdrukt worden, banden en gevangenis hebben te verduren, wrede spotternijen en geselingen, zoals Paulus, 2 Corinthiërs 11:23-25, niet terstond gedood, maar den gansen daggedood, in doodsgevaar menigmaal, gedood op zulk ene wijze, dat zij zich voelen sterven, tot een schouwspel der wereld gemaakt, 1 Corinthiërs 4:9-11. Zij zullen gedood worden. Zo wreed zijn de vijanden der kerk, dat zij met niets minder bevredigd kunnen worden dan met het bloed der heiligen, waarnaar zij dorsten, dat zij zuigen, vergieten als water. Zij zullen gehaat worden van alle volken om Zijns naams wil, zoals Hij hun reeds tevoren gezegd had, Hoofdstuk 10:22. De wereld in het algemeen was doorzuurd van vijandschap en kwaadwilligheid jegens de Christenen. De Joden, hoewel boosaardig gezind jegens de heidenen, zijn toch nooit zo door hen vervolgd als de Christenen. Zij werden gehaat door de Joden, die verstrooid waren onder de volken, en waren het mikpunt van de boosaardigheid der wereld. Wat zullen wij denken van deze wereld, als de beste en voortreffelijkste mensen er de ergste behandeling van ondervonden? Het is de oorzaak, die den martelaar maakt en hem vertroost. Het was om Christus' wil, dat zij aldus gehaat werden. Hun belijden en prediken van Zijn naam heeft de volken in zodanige woede tegen hen ontstoken. De duivel, bevindende dat hierdoor een noodlottige slag aan zijn rijk werd toegebracht, en dat zijn tijd waarschijnlijk kort zou zijn, is afgekomen, hebbende groten toorn. 2. De ergernis van het kruis, vers 10-12. Satan blijft zijn invloed oefenen door geweld van wapenen, hoewel Christus zich ten laatste toch zal verheerlijken door het lijden van Zijn volk en Zijne dienstknechten. Drie boze uitwerkselen der vervolging worden hier voorspeld.
a. De afval van sommigen. Als het belijden van het Christendom aan de mensen duur te staan begint te komen, dan zullen er velen geërgerd worden, dan zullen zij eerst het oneens worden met hun belijdenis, en dan afvallen van hun belijdenis. Zij zullen beginnen met hun Godsdienst te twisten, er los van worden, hem moede worden, om dan ten laatste in opstand er tegen te komen. Het is niets nieuws, -ofschoon het wel zeer vreemd is-dat mensen, die den weg der gerechtigheid hebben gekend, er van afwijken. Paulus klaagt meermalen over hen, die goed begonnen zijn, maar zich hebben laten verhinderen om voort te gaan. Zij waren bij ons, maar zijn van ons uitgegaan, omdat zij niet waarlijk uit ons waren, 1 Johannes 2:19. Het is ons voorzegd. Tijden van lijden zijn tijden van schudding, en die bij fraai weer staande bleven, vallen in den storm, zoals de steenachtige plaatsenhoorders, Hoofdstuk 13:21. Velen zullen Christus volgen in den zonneschijn, maar zullen voor zich zelven gaan zorgen, en Hem voor zich zelven laten zorgen, in den donkeren, bewolkten dag. Zij houden van hun Godsdienst, zolang zij er goedkoop aan kunnen komen, maar zodra hun belijdenis hun iets kost, zullen zij haar terstond laten varen.
b. De boosaardigheid van anderen. Als vervolging in zwang is, zijn nijd, vijandschap en boosheid als een besmettelijke ziekte verspreid onder de mensen, terwijl barmhartigheid, tederheid en gematigdheid als iets vreemds worden aangezien. Zij zullen elkaar overleveren, dat is: Zij, die verraderlijk hun Godsdienst hebben verlaten, zullen hen haten en verraden, die hem blijven aankleven, en voor wie zij vriendschap hebben voorgewend. Afvalligen zijn gewoonlijk de bitterste en heftigste vervolgers. Tijden van vervolging zijn hartontdekkende tijden. Wolven in schaapsklederen werpen dan hun vermomming af en verschijnen als wolven. Zij zullen elkaar overleveren en elkaar haten. Die tijden moeten wel gevaarlijk zijn, wanneer haat en verraad, twee van de ergste dingen, die bestaan kunnen, omdat zij lijnrecht in strijd zijn met twee van de beste- liefde en waarheid-de overhand hebben. Dit schijnt te wijzen op de barbaarse behandeling, die onderscheidene factiën onder de Joden elkaar aandeden, en rechtvaardiglijk werden zij, die Gods volk opaten alsof zij brood aten, aldus overgelaten om elkaar te verbijten en te vereten. Of het kan ook zien op het kwaad, dat aan de discipelen van Christus gedaan zou worden door hen, die hun het naast waren, zoals in Hoofdstuk 10:21. De ene broeder zal den anderen broeder overleveren tot den dood.
c. Het algemene verval en het verkouden der meesten, vers 12. In tijden van verleiding, als er valse profeten opstaan, in tijden van vervolging, als de heiligen gehaat worden, dan zijn deze twee dingen te verwachten. Het vermenigvuldigen der ongerechtigheid. Hoewel de wereld altijd in het boze ligt, zijn er toch tijden, wanneer gezegd kan worden, dat de ongerechtigheid op zeer bijzondere wijze vermenigvuldigd wordt, wanneer zij meer dan gewoonlijk verspreid is, zoals in de oude wereld, toen al het vlees zijn weg verdorven had op de aarde, en wanneer zij meer dan gewoon verregaand of buitensporig is, als het geweld is opgerezen tot ene roede der goddeloosheid, Ezechiël 7:11, zodat de hel losgebroken schijnt in Godslasteringen en vijandschap tegen de heiligen. Het afnemen der liefde, dit is het gevolg van het voorgaande, omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van velen verkouden. Versta dit in het algemeen van ware, ernstige Godsvrucht, die als geconcentreerd is in liefde. Het is maar al te algemeen, dat belijders van den Godsdienst koel en koud worden in hun belijdenis, wanneer de goddelozen heet worden in hun goddeloosheid, zoals de kerk van Efeziërs in slechte tijden haar eerste liefde heeft verlaten. Openbaring 2:4. Of het kan meer bijzonder verstaan worden van broederlijke liefde. Als de ongerechtigheid toeneemt, verleidende ongerechtigheid, vervolgende ongerechtigheid, dan zal deze genade gemeenlijk afnemen. De Christenen beginnen elkaar te wantrouwen, de genegenheid wordt vervreemd, afstand in het leven geroepen, partijen geformeerd, en zo gaat dan de liefde teloor. De duivel is de beschuldiger der broederen, niet slechts bij hun vijanden, waardoor de vervolgende ongerechtigheid vermenigvuldigd wordt, maar ook bij elkaar, waardoor de liefde van velen zal verkouden. Dit geeft een treurig gezicht op de tijden, dat er zulk ene afneming zal zijn in de liefde, maar, Ten eerste. Het is de liefde van velen, niet van allen. In de ergste tijden heeft God nog een overblijfsel, die vasthouden aan hun oprechtheid, en hun ijver behouden, zoals in de dagen van Elia, toen hij zich alleen overgebleven waande. Ten tweede. Deze liefde is verkoud, maar niet dood, zij neemt af, maar zij is niet afgeworpen. Er is leven in den wortel, dat zich tonen zal als de winter voorbij is. De nieuwe natuur kan verkouden, maar zal niet verouderen, want dan zou zij verwelken en sterven.
3. Vertroosting gegeven met betrekking tot deze ergernis van het kruis, om het volk des Heeren er onder te ondersteunen, vers 13, Wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.
a. Het is troostrijk voor hen, die het goede wensen voor de zaak van Christus in het algemeen, dat, hoewel velen geërgerd worden, sommigen toch volharden zullen tot het einde. Als wij zo velen terug zien gaan, dan zullen wij allicht vrezen, dat de zaak van Christus teniet zal gaan uit gebrek aan hen, die haar moesten steunen, dat Zijn naam der vergetelheid prijsgegeven zal worden uit gebrek aan belijders van dien naam, maar zelfs dan is er een overblijfsel naar de verkiezing der genade, Romeinen 11:5. Dit wordt gezegd van dezelfden tijd, waarop deze profetie betrekking heeft, een overblijfsel van mensen, die niet zijn van hen, die zich onttrekken ten verderve, maar die geloven en volharden tot behoudenis der ziel. Zij volharden tot het einde, tot het einde huns levens, tot het einde van hun tegenwoordigen staat van hun beproeving of toetsing, of wel tot het einde van deze tijden van lijden en beproeving, tot den laatsten strijd, hoewel zij geroepen worden om ten bloede toe te weerstaan.
b. Het is troostrijk voor hen, die aldus volharden tot het einde, en lijden vanwege hun standvastigheid, dat zij zalig zullen worden. De volharding verwerft de kroon, door vrije genade, en zal haar dragen. Zij zullen zalig worden, wellicht reeds in deze wereld verlost worden uit hun benauwdheden, maar het is toch de eeuwige zaligheid, die hier bedoeld wordt. Zij, die volharden tot het einde hunner dagen, zullen dan het einde huns geloofs en hunner hope verkrijgen, namelijk de zaligheid hunner zielen, 1 Petrus 1:9, Romeinen 2:7, Openbaring 3:21. De erekroon zal alles vergoeden, en een gelovig zien op deze erekroon zal ons in staat stellen liever op den brandstapel te sterven met de vervolgden, dan in een paleis te leven met de vervolgers.
V. Hij voorzegt de prediking van het Evangelie in de gehele wereld, vers 14. Dit Evangelie des koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden, en dan zal het einde komen. Merk hier op:
1. Dat het het Evangelie des koninkrijks genoemd wordt, omdat het het koninkrijk der genade ontsluiert hetwelk heenvoert naar het koninkrijk der heerlijkheid, het koninkrijk van Christus opricht in deze wereld, en ons het onze verzekert in de andere wereld. 2. Dit Evangelie zal vroeg of laat in de gehele wereld gepredikt worden, aan alle schepsel, alle natiën moeten er door onderwezen, tot discipelen gemaakt worden, want in het Evangelie zal Christus gezien worden als het heil Gods. Te dien einde is de gave der talen de eersteling des Geestes geweest.
3. Het Evangelie wordt gepredikt tot een getuigenis allen volken, dat is: een getrouwe bekendmaking van den zin en den wil van God betreffende den plicht, dien God van den mens eist, en het loon, dat de mens van God kan verwachten. Het is een getuigenis voor hen, die geloven, 1 Johannes 5:11, dat zij zalig zullen worden, en tegen hen, die in hun ongeloof volharden, dat zij verdoemd zullen worden, Markus 16:16. Voorts wordt hier te kennen gegeven, dat voor de verwoesting van Jeruzalem dit Evangelie door de gehele wereld, zo al niet gehoord, maar dan toch besproken zal worden, men zal er van horen. De Oud Testamentische kerk zal niet geheel en al opgelost worden, voordat de Nieuw Testamentische kerk tamelijk goed gevestigd zal zijn. Het aanzien van een verdorven, ontaarde kerk is toch nog beter dan in `t geheel geen kerk. Binnen veertig jaren na den dood van Christus is het geluid des Evangelies uitgegaan over de gehele aarde, Romeinen 10:18. Paulus heeft het Evangelie van Christus vervuld van Jeruzalem af, en rondom, tot Illyricum toe, en ook de andere apostelen zaten niet stil. De vervolging der heiligen te Jeruzalem heeft er toe bijgedragen om hen te verspreiden, zodat zij het land doorgingen en het woord verkondigden, Handelingen 8:1-4. En als de boodschap van den Verlosser heengezonden is in alle delen der wereld, dan zal het einde komen van den Joodsen staat. Aldus is datgene, hetwelk zij dachten te voorkomen door Christus ter dood te brengen, juist er door teweeggebracht, allen geloofden in Hem, en de Romeinen zijn gekomen en hebben hun plaats en volk weggenomen, Johannes 11:48. Paulus zegt, dat het Evangelie in de gehele wereld gekomen is, en onder al de creatuur gepredikt is, Colossenzen 1:6-23. Er wordt tevens te kennen gegeven, dat zelfs in tijden van verzoeking, benauwdheid en vervolging het Evangelie des koninkrijks gepredikt en verbreid zal worden, en zich ook door den grootsten tegenstand een weg zal banen. Al is het ook, dat de vijanden der kerk zeer heet zullen worden in hun toorn, en velen van hare vrienden zullen verkouden, toch zal het Evangelie worden gepredikt. En zelfs dan, als velen zullen vallen door het zwaard en door de vlammen, en velen goddelooslijk zullen handelen, verdorven door vleierijen, zal het volk, dat zijn God kent, bekrachtigd worden tot de grootste daden door velen te onderwijzen, Daniël 11:32, 33, zie hier een voorbeeld van in Filippenzen 1:12-14. Hetgeen hier voornamelijk bedoeld schijnt is, dat dan, en niet eerder, het einde der wereld zal komen, wanneer het Evangelie zijn werk in de wereld gedaan zal hebben. Het Evangelie zal worden gepredikt, en met dat werk zal worden voortgegaan na uwen dood, zodat alle volken of het genot zullen hebben van het Evangelie, of het zullen hebben afgewezen en dan zal het einde komen, waarvan Hij tevoren gezegd had, vers 6, 7, nog is het niet, niet voordat deze tussenliggende raadsbesluiten volvoerd zullen zijn. De wereld zal blijven bestaan zolang er nog uitverkorenen Gods zijn, die niet zijn geroepen, maar als zij allen zijn ingezameld, dan zal zij terstond met vuur verbrand worden.
VI. Hij voorzegt meer bijzonder het verderf, dat stond te komen over het volk der Joden, hun stad, hun tempel en natie, vers 15, en verder. Hier nadert Hij dichter tot het antwoord op hun vraag betreffende de verwoesting van den tempel, en wat Hij hier zegt, zal Zijn discipelen nuttig zijn zowel tot regeling van hun gedrag als tot hun vertroosting met betrekking tot die grote gebeurtenis. Hij beschrijft den voortgang dier ramp, zoals die gewoonlijk in den oorlog wordt gezien. 1. De Romeinen, die den gruwel der verwoesting in de heilige plaats aanrichten, vers 15. Sommigen denken, dat die gruwel een beeld was, dat door sommige Romeinse stadhouders in den tempel werd geplaatst, en een grote ergernis was voor de Joden, waardoor zij tot opstand werden geprikkeld, en aldus de verwoesting over hen gebracht werd. Het beeld van Jupiter Olympus, dat Antiochus op het altaar Gods liet plaatsen, wordt Bdelugma crêmooseoos -De gruwel der verwoesting genoemd, dus hetzelfde woord als hier door den geschiedschrijver gebruikt, 1 Mac. 1:54. Sedert de Babylonische gevangenschap was er niets-en kon er niets zijn-dat den Joden meer tegen de borst was dan een beeld in de heilige plaats, gelijk blijkt uit den krachtigen tegenstand, dien zij boden, toen Caligula er zijn standbeeld wilde plaatsen, hetgeen noodlottige gevolgen gehad zou hebben, indien dit niet voorkomen ware, en de zaak ware bijgelegd door het gedrag van Petronius. Maar toch heeft Herodes een adelaar boven den tempelpoort doen aanbrengen, en sommigen zeggen, dat het standbeeld van Titus in den tempel geplaatst werd. Anderen verklaren dit liever door de parallelplaats, Lukas 21:20 :Wanneer gij zien zult, dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt. Jeruzalem was de heilige stad: de berg Moria, dicht bij Jeruzalem, werd om zijne nabijheid tot den tempel, zeer bijzonder heilige grond geacht. Nu lag het Romeinse leger rondom Jeruzalem, en dat was nu de gruwel der verwoesting. Van het land eens vijands wordt gezegd, dat het het land is, waarover gij verdrietig zijt, Jesaja 7:16, en zo kan dan het leger eens vijands van een zwak, doch eigenzinnig volk wel de gruwel genoemd worden. Nu wordt gezegd, dat hiervan gesproken is door Daniël, den profeet, die duidelijker dan alle andere profeten des Ouden Testaments van den Messias en Zijn koninkrijk gesproken heeft. Hij spreekt van een verwoestenden gruwel, die gesteld zal worden door Antiochus, Daniël 11:31, 12:11, maar hetgeen waarop onze Heiland hier zinspeelt, hebben wij in de boodschap, die hem gebracht werd door den engel, van hetgeen komen zou aan het einde der zeventig weken, lang na het vorige: over den gruwelijken vleugel zal een verwoester zijn. Heirlegers van afgodendienaars kunnen wèl gruwelijke legers genoemd worden, en sommigen denken dat de beroeringen, de opstanden en de afschuwelijke partijen en oproeren in de stad en den tempel tenminste wel als een deel van den gruwel kunnen beschouwd worden, die verwoesting bracht. Christus wijst hun op deze profetie van Daniël, opdat zij zouden zien hoe van het verderf van hun stad en tempel in het Oude Testament werd gesproken, hetgeen Zijne voorzegging zou bevestigen, en er tevens het hatelijke van zou wegnemen. Evenzo konden zij daaruit ook den tijd er van afleiden en bepalen-spoedig nadat de Messias uitgeroeid zou zijn, de zonde die dit teweegbracht-hun verwerping van Hem, en de zekerheid er van-het zijn vastelijk besloten verwoestingen. Gelijk Christus door Zijne geboden de wet bevestigde, zo heeft Hij door Zijne voorzeggingen de profetieën des Ouden Testaments bevestigd, en het zal nuttig zijn ze beide met elkaar te vergelijken. Daar hier verwezen wordt naar ene profetie, welke gewoonlijk duister is, voegt Christus er deze aantekening bij: die het leest, die merke daarop, die de profetie van Daniël leest, die merke er op, dat zij nu binnenkort vervuld zal worden in de verwoesting van Jeruzalem. Zij, die de Schrift lezen, moeten er naar streven haar te verstaan, want anders is hun lezen van generlei nut, wat wij niet verstaan, kunnen wij niet gebruiken, Johannes 5:39, Handelingen 8:30. De engel, die deze profetie aan Daniël overleverde, wekte hem op om te weten en te verstaan, Daniël 9:25. En wij moeten er niet aan wanhopen om zelfs duistere profetieën te verstaan, de grote Nieuw Testamentische profetie wordt openbaring, niet verborgenheid genoemd. Hetgeen nu geopenbaard is, behoort ons, en daarom moeten wij het ootmoedig en naarstig onderzoeken. Of wel: Hij lette er op, of hij versta, niet slechts de Schriften, die van deze dingen spreken, maar hij versta door de Schriften de tijden, 1 Kronieken 12:32. Laat hem opmerken en er van verzekerd wezen, dat, niettegenstaande de ijdele hoop, waarmee het misleide volk zich vleit, de gruwelijke legers zullen verwoesten. 2. De middelen tot behoud, tot welke nadenkende mensen de toevlucht moeten nemen, vers 16, 20. Dat alsdan die in Judea zijn, vlieden op de bergen. Dan moet gij tot het besluit komen, dat er voor u niet anders redding is dan in de vlucht. Wij kunnen dit nemen
a. Als ene voorzegging van het verderf zelf, en dat dit onweerstaanbaar zal wezen, zodat het ook de kloekmoedigsten niet mogelijk zijn zal er het hoofd aan te bieden of er tegen te strijden, maar zij het laatste redmiddel zullen moeten aangrijpen, namelijk de vlucht. Het duidt aan hetgeen Jeremia zozeer en zo herhaaldelijk betuigd heeft-hoewel tevergeefs-toen Jeruzalem belegerd werd door de Chaldeeën, namelijk dat het doelloos zou zijn weerstand te bieden, maar dat het verstandig van hen zijn zou om te capituleren. En zo toont hier ook Christus, hoe vruchteloos het zijn zou om stand te houden, en daarom zegt Hij tot ieder, dat de vlucht het verkieslijkst is.
b. Wij kunnen het ook beschouwen als ene aanwijzing aan de volgelingen van Christus wat zij doen moeten. Zij moeten zich niet verbinden met hen, die tegen de Romeinen strijden, maar berusten in het raadsbesluit, dat was uitgegaan, en in allerijl de stad en het land verlaten, zoals zij uit een instortend huis of uit een zinkend schip zouden weggaan, zoals Lot Sodom heeft verlaten, en Israël de tenten van Dathan en Abiram. Hij toont hun: Waarheen zij moeten vluchten-van Judea naar het gebergte, niet naar de bergen rondom Jeruzalem, maar die in een afgelegen deel des lands zijn, en hun tot ene schuilplaats kunnen dienen, niet zozeer omdat het natuurlijke vestingen waren, maar omdat zij ver weg en als verborgen waren. Van Israël wordt gezegd, dat het verstrooid is op de bergen, 2 Kronieken 18:16, zie ook Hebreeën 11:38. In het hol der leeuwen en de bergen der luipaarden zou het veiliger voor hen zijn dan onder de oproerige Joden of de verwoede Romeinen. In tijden van onmiddellijk gevaar is het niet slechts wettig, maar plichtmatig om door alle goede en eerlijke middelen ons lijfsbehoud te verzekeren, en zo God ons ene deur ter ontkoming opent, dan behoren wij er gebruik van te maken, want anders vertrouwen wij niet op God, maar verzoeken Hem. Er kan een tijd wezen, wanneer zelfs zij, die in Judea zijn waar God bekend is en Zijn naam groot is, naar de bergen moeten vlieden, en zolang wij slechts het gevaar, niet den plicht, uit den weg gaan, kunnen wij op God vertrouwen om ene schuilplaats te voorzien voor Zijne verdrevenen, Jesaja 16:45. In tijden van openbare rampen, als het duidelijk blijkt, dat wij in het vaderland van generlei dienst of nut, maar daar buiten veilig kunnen wezen, dan worden wij door de voorzienigheid Gods geroepen om weg te gaan. Wie vlucht, kan later weer strijden. Dat zij zich moeten haasten, vers 17, 18. Het leven zal in gevaar zijn, in onmiddellijk gevaar, de gesel zal plotseling slaan, en daarom, die op het dak is, wanneer het alarmsein komt, kome niet af om iets uit zijn huis weg te nemen, maar klimme af langs den naasten weg, ten einde te ontkomen, en evenzo, die op den akker is, zal bevinden dat het de wijste partij is om onmiddellijk te vluchten, en niet weer te keren om klederen weg te nemen, of de schatten van zijn huis, en dat wel om twee redenen. Ten eerste. Omdat de tijd, die nodig is tot het inpakken zijner zaken, zijne vlucht zou vertragen. Als de dood aan de deur is, is oponthoud of uitstel gevaarlijk. Het was het bevel aan Lot: Zie niet achter u om. Zij, die overtuigd zijn van de ellende van een zondigen toestand, en van het verderf, dat hun in dien toestand wacht, en bijgevolg van de noodzakelijkheid om tot Christus te vluchten, moeten wèl acht geven, opdat zij, na alzo overtuigd te zijn, toch niet door dralen en uitstellen voor eeuwig omkomen. Ten tweede. Omdat het medenemen van klederen en andere roerende goederen en kostbaarheden slechts een last voor hem zou zijn, en hem zou belemmeren in zijne vlucht. Toen de Syriërs gevlucht zijn, 2 Koningen 7:15, hebben zij hun klederen weggeworpen. In zulke tijden moeten wij dankbaar zijn, als ons leven ons gegeven wordt tot een buit, al kunnen wij dan ook niets anders redden, Jeremia 45:4, 5. Want het leven is meer dan het voedsel. Zij, die het minst meedroegen, waren het veiligst op hun vlucht. De reiziger, die geen penning bezit, kan door rovers niets verliezen. Het was aan Zijn eigen discipelen dat Christus dit vergeten van huis en goed heeft aanbevolen, zij hadden een woning in den hemel, dáár was hun schat, dáár waren hun duurzame klederen, waarvan de vijand hen niet kon beroven. Ik heb al mijne bezittingen bij mij, zei Bias, de wijsgeer, in zijn vlucht met ledige handen. Die genade in het hart heeft, draagt alles met zich, als hij van alles ontbloot is. Nu hebben zij, tot wie Christus dit persoonlijk gezegd heeft, dien treurigen dag niet beleefd, geen der twaalven, behalve Johannes. Zij behoefden zich niet schuil te houden in de bergen (Christus heeft hen verborgen in den hemel), maar zij lieten die aanwijzingen na aan hun opvolgers, en zij waren hun nuttig, want toen de Christenen in Jeruzalem en in Judea het verderf zagen komen, trokken zij zich allen terug naar ene stad, genaamd Pella, aan gene zijde van den Jordaan, waar zij veilig waren, zodat onder de vele duizenden, die bij de verwoesting van Jeruzalem zijn omgekomen, er geen enkel Christen was. Aldus ziet een kloekzinnig mens het kwaad en verbergt zich, Prediker 22:3, Hebreeën 11:7. Deze waarschuwing werd niet geheim gehouden. Mattheus' Evangelie werd lang voor deze verwoesting bekend en verspreid, zodat ook anderen er hun voordeel mede hadden kunnen doen, maar hun omkomen doordat zij er niet aan geloofden, was een beeld en type van hun omkomen voor eeuwig doordat zij geen geloof sloegen aan de waarschuwingen van Christus betreffende den toekomenden toorn. Voor wie in dien tijd de ellende zeer groot zal zijn, vers 19. Wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen! Dat gezegde van Christus bij Zijn dood verwijst naar dezelfde gebeurtenis, Lukas 23:29. Er komen dagen, in welke men zeggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaren, en de buiken, die niet gebaard hebben, en de borsten. die niet gezoogd hebben. Zalig zijn zij, die gene kinderen hebben, om ze te zien vermoorden, maar rampzalig zijn zij, die dan kinderen baren en zogen, van alle anderen zijn dezen in de treurigste omstandigheden. Ten eerste. Voor dezen zal de hongersnood het smartelijkst zijn, als zij zien hoe de tong van het zoogkind kleeft aan zijn gehemelte van dorst, en zij zelven wreder zijn geworden dan de zeekalveren, Klaagliederen 4:3, 4. Ten tweede. Voor haar zal het zwaard het schrikkelijkst wezen, als het met erger dan dierlijke woede wordt gehanteerd. Het is een ontzettende verloskunst, die geoefend wordt, als de zwangere vrouwen door den verwoeden overwinnaar worden opengesneden, 2 Koningen 15:16, Hosea 14:1, Amos 1:13, of de kinderen uitgebracht worden tot den doodslager, Hosea 9:13. Ten derde. Voor haar zal ook de vlucht een grote beproeving zijn. De zwangere vrouw kan zich niet haasten en kan niet ver lopen, het zoogkind kan niet achtergelaten worden, of, zo dit wèl gedaan wordt: Kan ook ene vrouw haren zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon haars buiks? Wordt het kind medegenomen, dan vertraagt het de vlucht der moeder en stelt dus haar leven bloot aan gevaar, en het loopt zelf gevaar van in Mefiboseths lot te delen, die kreupel werd door een val, toen zijne voedster haastte om te vluchten, 2 Samuël 4:4. Waar zij te dien dage om moesten bidden: Bidt, dat uwe vlucht niet geschiede des winters, noch op een sabbat, vers 20. Het betaamt den discipelen van Christus in het algemeen, om in tijden van beroering en ramp veel te bidden, dat is een balsem voor elke wond, het is nooit ontijdig, maar zeer bijzonder tijdig, wanneer wij van alle kanten worden benauwd. Er is niets aan te doen, gij moet vluchten, het raadsbesluit is uitgegaan, zodat God zich niet zal laten verbidden om Zijn toorn weg te nemen, neen, al zouden zelfs Noach, Daniël en Job in hun midden zijn. Het is genoeg, spreekt Mij niet meer van deze zaak, maar doet wat gij kunt om u zo goed mogelijk te redden, en als gij niet in het geloof kunt bidden, dat gij niet genoodzaakt zult worden te vluchten, zo bidt, dat de omstandigheden er voor in genade beschikt mogen worden, dat, hoewel de drinkbeker niet van u voorbij kan gaan, het uiterste van het oordeel toch afgewend moge worden. God beschikt over de omstandigheden en gebeurtenissen, die soms op de een of andere wijze een grote verandering teweegbrengen, en daarom moet in dezen ons oog altijd op Hem gericht wezen. Als Christus hun zegt om die gunst te bidden, dan geeft dit Zijn voornemen te kennen, om hun bede toe te staan, en bij een algemene ramp moeten wij gene vriendelijkheid in de een of andere bijzonderheid voorbijzien, maar zien en erkennen hoe en waarin het nog erger had kunnen wezen. Christus zegt nog tot Zijne discipelen te bidden voor zich zelven en voor hun vrienden, dat, wanneer zij genoodzaakt mochten worden te vluchten het op den meest geschikten en gunstigen tijd moge zijn. Als rampen en benauwdheden wel te wachten, maar toch nog verre zijn, dan is het goed om reeds vooraf veel te bidden. Zij moeten bidden, Ten eerste. Dat hun vlucht, indien dit de wil van God over hen is, niet des winters geschiede, wanneer de dagen kort zijn en het weer koud is, en de wegen vuil en slijkerig zijn, en het reizen, inzonderheid voor een geheel gezin, bemoeilijkt wordt. Paulus maant Timotheus tot spoed aan om voor den winter tot hem te komen, 2 Timotheus 4:21. Hoewel het gemak en genoegen van het lichaam niet in de eerste plaats in aanmerking moeten komen, behoort er toch betamelijke aandacht aan gewijd te worden. Hoewel wij moeten aannemen wat God ons zendt, en wanneer Hij het ons zendt, mogen wij toch bidden tegen lichamelijke ongemakken, en wij worden hiertoe aangemoedigd door dat de Heere voor het lichaam is. Ten tweede. Dat het niet zij op een sabbat, niet op den Joodsen sabbat, omdat het reizen dan aanstoot zou geven aan hen, die reeds misnoegd waren op de discipelen vanwege hun aren plukken op dien dag, niet op den Christelijken sabbat, omdat het voor hen zelven ene smart zou wezen om op dien dag te moeten reizen. Dit geeft Christus' bedoeling te kennen, dat er na de prediking van het Evangelie in de gehele wereld een wekelijkse sabbat gehouden zou worden in Zijne kerk. Het geeft ook te kennen, dat de sabbat gehouden moet worden als een dag van rust, waarop men zich te onthouden heeft van wereldlijken arbeid en van reizen, maar overeenkomstig Zijn eigen verklaring van het vierde gebod, werken van noodzakelijkheid op den sabbat toch geoorloofd zijn, zoals dit vlieden voor een vijand om ons leven te redden. Indien dit niet geoorloofd ware, Hij zou gezegd hebben: Wat er ook met u moge gebeuren, vlucht niet op den sabbat, maar blijft, al zoudt gij dan daardoor ook moeten sterven. Want wij mogen ook de geringste zonde niet doen om aan het grootste gevaar te ontkomen. Tevens wordt er door aangeduid, dat het voor een Godvruchtige zeer onbehaaglijk en onaangenaam is, om voor een werk der noodzakelijkheid afgehouden te worden van de plechtige viering van den eredienst op den sabbat. Wij moeten bidden, dat wij rustige, ongestoorde sabbatten mogen hebben, en er geen ander dan sabbatswerk op behoeven te doen, opdat wij zonder afgeleid te worden ons tot de aanbidding des Heeren kunnen begeven. Het was wenselijk, dat zij, zo zij moesten vluchten, het voorrecht en den troost van nog een sabbat mochten hebben, om hen te helpen hun lasten te dragen. In den winter te vluchten is onbehaaglijk voor het lichaam, maar op den sabbat te vluchten is verdrietelijk voor de ziel, en dat temeer, wanneer men daarbij aan vroegere sabbatten gedenkt, Psalm 42:5.
3. De grootheid, het zware, van de benauwdheden, die onmiddellijk volgen zullen, vers 21.
Alsdan zal grote verdrukking wezen, alsdan, wanneer de maat der ongerechtigheid vol is, alsdan, wanneer de dienstknechten Gods verzegeld en veilig zijn, dan zullen de verdrukkingen komen. Niets kan tegen Sodom gedaan worden, voordat Lot te Zoar is, maar zie dan terstond uit naar vuur en zwavel. Er zal grote verdrukking wezen. Groot, voorzeker, zullen de verdrukkingen geweest zijn, toen pest en hongersnood woedden in de stad, en (erger dan die beiden) partijschappen en verdeeldheid, zodat het zwaard van een ieder tegen zijn metgezel was gericht, toen en aan die plaats was het, dat de handen der armzalige vrouwen haar eigen kinderen hebben gedood. Buiten de stad stond het Romeinse leger gereed hen te verslinden, vervuld van woede tegen hen, niet slechts omdat zij Joden waren, maar omdat zij oproerige Joden waren. Oorlog was een van de drie rampen, waarvoor David teruggeschrikt is, maar het was de oorlog, waardoor de Joden te gronde gingen, en daarenboven heersten nog hongersnood en pestilentie in de hevigste mate. In Josephus' Geschiedenis der Joodse oorlogen komen wellicht meer tragische bladzijden voor dan in enige andere geschiedenis.
a. Het was een ongeëvenaarde verwoesting, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal. Menige stad en menig koninkrijk is verwoest geworden, maar nooit met ene verwoesting gelijk aan deze. Laat nu geen vermetel zondaar denken, dat God zijn ergst gedaan heeft, Hij kan den oven zevenmaal heter doen worden, en nog zeven maal heter, en dat zal Hij, als Hij grotere en nog grotere gruwelen zal zien. De Romeinen waren, toen zij Jeruzalem verwoestten, ontaard van de eer en de deugd hunner vaderen, die zelfs hun overwinningen draaglijk hadden gemaakt voor de overwonnenen. En de hardnekkigheid der Joden zelven heeft grotelijks bijgedragen tot de verdrukking. Geen wonder, dat de verwoesting van Jeruzalem ongeëvenaard was, daar de zonde van Jeruzalem een ongeëvenaarde zonde was-hun kruisigen namelijk van Christus. Hoe dichter een volk tot God genaderd is in belijdenis en door ontvangen voorrechten, hoe groter en zwaarder Zijn oordeel over hen wezen zal indien zij van deze voorrechten misbruik maken en aan die belijdenis ontrouw zijn, Amos 3:2.
b. Het was ene verwoesting, die, zo zij lang bleef aanhouden, ondraaglijk zijn zou, zodat geen vlees zou behouden worden, vers 22. Zo triomfantelijk zou de dood rondwaren, in zo sombere akelige gestalten, en van zo veel schrikkelijks vergezeld, dat er geen ontkomen aan zou zijn, maar vroeg of laat allen afgesneden zouden worden. Die aan het ene zwaard ontkwam, viel door een ander zwaard, Jesaja 24, 17, 18. Josephus schat het aantal dergenen, die in de onderscheidene plaatsen gedood werden, op meer dan twee millioen. Geen vlees zal behouden worden, Hij zegt niet: Gene ziel zal behouden worden, want de vernietiging van het vlees kan dienen tot behoudenis der ziel in den dag van den Heere Jezus, maar het aardse leven zal in zo overvloedige mate opgeofferd worden, dat men zou denken, dat, indien dit voor ene wijle aanhield, er een volkomen voleinding zou zijn. Maar temidden van al deze verschrikkingen is hier een woord van troost, namelijk dat om der uitverkorenen wil die dagen verkort zullen worden, niet korter gemaakt dan God bepaald en verordineerd heeft, (de voleinding, vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over den verwoeste, Daniël 9:27), maar korter dan verordineerd had kunnen zijn, indien Hij met hen had gehandeld naar hun zonden, korter dan de vijanden bedoeld hebben, die allen uitgeroeid zouden hebben, indien God, die hen als werktuigen had gebruikt om Zijn eigen bedoelingen stand te brengen, geen perk had gesteld aan hun toorn, korter dan iemand, die naar menselijke waarschijnlijkheid oordeelde, zich zou hebben kunnen voorstellen. In tijden van algemene rampen betoont God Zijne gunst jegens het uitverkoren overblijfsel, Zijne juwelen, Zijn bijzonderen schat, dien Hij in zekerheid zal brengen, als Hij het minderwaardige, de prullen, aan de plunderaars overlaat. Het verkorten van rampen is ene vriendelijkheid, die God dikwijls bewijst om der uitverkorenen wil. in plaats van te klagen, dat onze beproevingen zo lang duren, zullen wij, als wij onze gebreken en tekortkomingen inzien, redenen bespeuren om dankbaar te zijn, dat zij niet altijd duren. Als het ons slecht gaat, betaamt het ons te zeggen: Gode zij dank, dat het niet erger is, Gode zij dank, dat het de hel niet is, dat het geen eindeloze, onherstelbare ellende is. Het was een treurende, weeklagende kerk, die gezegd heeft: Het zijn de goedertierenheden des Heeren dat wij niet vernield zijn, en het is om den wille der uitverkorenen, opdat hun geest niet van voor Zijn aangezicht overstelpt zou worden, indien Hij eeuwiglijk zou twisten, en zij niet in verzoeking zouden komen, om zo al niet hun hart, dan toch hun handen uit te strekken naar onrecht. En nu komt de herhaalde waarschuwing om zich te wachten van verstrikt te worden door valse christussen en valse profeten, vers 23, die hun redding en verlossing zouden beloven, zoals de leugenprofeten in den tijd van Jeremia, Jeremia 14:13, 23:16, 17, 27:16, 28:2, maar hen zouden misleiden. Tijden van grote benauwdheid zijn tijden van grote verzoeking, en daarom moeten wij dan dubbel op onze hoede zijn. Indien zij zullen zeggen: Ziet, hier is de Christus, of daar, die ons zal verlossen van de Romeinen, slaat geen acht op hen, het is alles slechts ijdele praat. Zulk een verlossing is niet te wachten, en dus ook niet zulk een verlosser.
VII. Hij voorzegt de plotselinge verspreiding van het Evangelie in de wereld omtrent den tijd van deze grote gebeurtenissen. vers 27, 28.
Gelijk de bliksem uitgaat van het oosten, alzo zal ook de toekomst van den Zoon des mensen wezen. Dit wordt hier gegeven als tegengift tegen het vergift van deze verleiders, die zeiden: Ziet, hier is de Christus, of daar, Lukas 17:23-24. Luistert niet naar hen, want de komst van den Zoon des mensen zal wezen als de bliksem.
1. Het schijnt in de eerste plaats bedoeld te zijn van Zijne komst om Zijn geestelijk koninkrijk op te richten in de wereld. Waar het Evangelie kwam in zijn licht en kracht, dáár kwam de Zoon des mensen, en wel op een gans tegenovergestelde wijze als die van de verleiders en valse christussen, die in de huizen insluipen, 2 Timotheus 3:6, terwijl Christus niet komt met zulk een geest der vreesachtigheid, maar der kracht, en der liefde, en der gematigdheid. Het Evangelie zal opmerkelijk zijn wegens twee zaken.
a. Zijn snelle verspreiding, het zal uitgaan als de bliksem, zo zal het Evangelie gepredikt en verbreid worden. Het Evangelie is licht, Johannes 3:19, en hierin is het niet gelijk aan den bliksem, die een plotseling verschijnende en even snel weer verdwijnende lichtstraal is, want het is zonlicht, en daglicht, maar het is als het bliksemlicht in deze opzichten: Het is, evenals de bliksem, licht van den hemel. Het is God, en niet de mens, die de bliksemen uitzendt en ze roept, opdat zij henen varen en zeggen: Zie, hier zijn wij. Job 38:35. Het is God, die ze leidt, Job 37:3. Voor den mens zijn zij een der wonderen van de natuur, boven zijne macht om ze voort te brengen, en een van de geheimenissen der natuur, die hij niet kan verklaren, maar zij zijn van boven, Zijne bliksemen verlichten de wereld, Psalm 97:4. Het Evangelie is zichtbaar, in het oog vallend, als de bliksem. De verleiders gingen met hun diepten van Satan in de woestijn en in de binnenkamers, het licht schuwende, ketters werden lucifugae lichtschuwers genoemd. Maar de waarheid zoekt gene hoeken, al wordt zij daar soms in gedrongen en in geduwd, zoals de vrouw in de woestijn, hoewel zij met de on was bekleed, Openbaring 12:1. Christus heeft het Evangelie openlijk gepredikt, Johannes 18:20, en Zijne apostelen op de daken, Hoofdstuk 10:27, niet in een hoek, Handelingen 26:26, Psalm 98:2. Het was voor de wereld plotseling en verrassend, als de bliksem. Den Joden was het wel voorzegd, maar voor de heidenen was het gans en al ongedacht en onverwacht, en het kwam tot hen met een onverklaarbare kracht, eer zij het wisten. Het was licht uit de duisternis, Hoofdstuk 4:16, 2 Corinthiërs 4:6. Wij lezen, dat door den bliksem legers werden verslagen, 2 Samuël 22:15, Psalm 144:6. De machten der duisternis werden verstrooid en verslagen door den bliksem van het Evangelie. Het heeft zich ver en wijd verspreid, snel en onweerstaanbaar, als de bliksem, die uitgaat, veronderstel eens van het oosten (van Christus wordt gezegd, dat Hij opkomt van het oosten, Openbaring 7:2, Jesaja 41:2) en schijnt tot het westen. De verbreiding van het Christendom in zoveel ver gelegen landen, met verschillende talen, door werktuigen, waarvan zo weinig welslagen te wachten scheen, ontbloot van alle wereldlijke hulpmiddelen en tegenover zoveel tegenstand, en in zo korten tijd, was een der grootste wonderen, die ooit gewrocht zijn ter bevestiging er van. Hier was Christus, gezeten op Zijn wit paard, spoed aanduidende zowel als kracht, en uitgaande overwinnende en opdat Hij overwonne, Openbaring 6:2. Het licht des Evangelies ging op met de zon, en ging er ook mede onder, zodat de stralen er van de einden der aarde bereikten, Romeinen 10:18, Psalm 19:4, 5. Hoewel er tegen gestreden werd, kon het toch nimmer opgesloten worden in ene woestijn of in ene binnenkamer, zoals de verleiders dit waren, maar, overeenkomstig het woord van Gamaliël, bewees het zich van God te zijn, doordat het niet verbroken kon worden, Handelingen 5:38, 39. Christus spreekt van schijnen tot het westen, omdat het zeer voorspoediglijk verspreid werd in de landen westwaarts van Jeruzalem, gelijk Herbert zegt in zijn "strijdende kerk". Hoe spoedig heeft de Evangeliebliksem dit eiland, Groot- Brittannië, bereikt! Tertullianus, die in de tweede eeuw geschreven heeft, neemt er notitie van, dat de sterkten van Brittannië, ontoegankelijk voor de Romeinen, door Jezus Christus werden ingenomen. Dit is van den Heere geschied.
b. Een tweede merkwaardigheid betreffende het Evangelie was zijn verwonderlijke voorspoed in die plaatsen, waarin het verbreid werd. Het heeft grote scharen toegebracht, niet door uitwendigen dwang, maar door een natuurlijke neiging en aandrang, als het ware, als die de roofvogels tot hun prooi brengt, want alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden, vers 28. Waar Christus gepredikt wordt, zullen zielen tot Hem vergaderd worden. De verhoging van Christus van de aarde, dat is: de prediking van Christus gekruist, die, naar men zou denken, alle mensen van Hem weg zou drijven, zal alle mensen tot Hem trekken, Johannes 12:32, overeenkomstig de profetie van Jakob, dat tot Hem de volkeren vergaderd zullen worden, Genesis 49:10, 1), Jesaja 60:8. De arenden zullen zijn waar het dode lichaam is, want het is voedsel voor hen, een feestmaal, waar de verslagenen zijn, daar is hij, Job 39:33. Men zegt, dat de arenden een verwonderlijke schranderheid en scherpte van reukorganen bezitten om aas te ontdekken, en dat zij er dan snellijk heen vliegen, Job 9:26. Zo zullen de zielen, die door God worden opgewekt, krachtig heengetrokken worden naar Jezus Christus, om zich met Hem te voeden. Waarheen zal de arend gaan dan naar het aas? Waarheen zal de ziel gaan dan naar Jezus Christus, die de woorden heeft des eeuwigen levens? De arenden zullen onderscheiden hetgeen geschikt voor hen is of niet, en zo zullen zij, wier geestelijke zintuigen geoefend zijn, de stem des goeden Herders kennen, en haar onderscheiden van die van den dief of moordenaar. De heiligen zullen zijn, waar de ware Christus is, niet waar valse christussen zijn. Dit is toepasselijk op het verlangen naar Christus en gemeenschap met Hem, dat gewrocht is in iedere godvruchtige ziel. Waar Hij is in Zijne instellingen, in de door Hem verordineerde genademiddelen, daar zullen Zijne dienstknechten willen zijn. Een levend beginsel van genade is een soort van natuurlijk instinct in al de heiligen, dat hen naar Christus heen drijft om zich met Hem te voeden.
2. Sommigen verstaan die verzen van de komst van den Zoon des mensen om Jeruzalem te verwoesten, Maleachi 3:1, 2, 5. Er was in deze gebeurtenis zulk een buitengewone tentoonspreiding van Goddelijke macht en gerechtigheid, dat zij de komst van Christus genoemd wordt. Nu worden dienaangaande hier twee dingen aangeduid.
a. Dat zij voor de meesten even plotseling zou wezen als een bliksemstraal, die wel den donderslag aankondigt, waardoor hij gevolgd wordt, maar zelf onverwacht en dus verrassend is. De verleiders zeggen: Zie hier is de Christus om ons te verlossen, of daar, een schepsel hunner verbeelding, maar eer zij het weten, zal een toorn des Lams, de toorn van den waren Christus, hen staande houden, en zij zullen niet ontkomen.
b. Dat zij even terecht verwacht kon worden, als dat de arend naar het dode lichaam heen vliegt, hoewel zij den bozen dag van zich afschuiven, zal hij toch even zeker komen als de roofvogels bij het aas, dat open en bloot in het veld ligt. De Joden waren zo verdorven en ontaard, zo laag en zo slecht, dat zij als een dood lichaam waren geworden, onderworpen aan het rechtvaardige oordeel Gods. Zij waren ook zo onrust stokend en oproerig, en op allerlei wijze zo tergend en prikkelend voor de Romeinen, dat zij zich bloot hebben gesteld aan hun toorn en wraak, en als een uitlokkende prooi voor hen waren. De Romeinen waren als een arend, en de arend was ook afgebeeld op de veldtekenen van hun leger. Van het leger der Chaldeeën werd gezegd, dat het vloog als een arend, zich spoedende om te eten, Habakuk 1:8. De verwoesting van het Nieuw Testamentische Babylon wordt voorgesteld door ene oproeping, gericht tot de roofvogels om te komen en het vlees der verslagenen te eten, Openbaring 17:17, 18. Aan openbare boosdoeners wordt het oog uitgepikt door de raven, en des arends jongen zullen het eten, Prediker 30:17. De Joden werden opgehangen in ketenen, Jeremia 7:33, 16:4. De Joden konden zich niet meer beveiligen tegen de Romeinen dan een dood lichaam zich kan verweren tegen de arenden. De verwoesting zal de Joden ontdekken overal waar zij zijn, zoals de arend het aas ruikt. Als een volk zich door zijne zonde tot stinkend, walglijk aas maakt, kan men niet anders verwachten, dan dat God arenden onder hen zendt, om hen te verdelgen en te verslinden.
3. Het is zeer toepasselijk op den dag des oordeels, de komst van onzen Heere Jezus Christus op dien dag, en onze toe vergadering tot Hem, 2 Thessalonicenzen 2:1. Zie hier nu
a. Hoe zij zullen komen, als de bliksem. De tijd was nu nabij, wanneer Hij uit deze wereld zou overgaan tot den Vader. Daarom moeten zij, die naar Christus vragen, niet uitgaan in de woestijn of gaan in de binnenkamers, niet luisteren naar iedereen, die den vinger opheft om hen uit te nodigen tot een aanschouwen van Christus, maar laat hen opwaarts zien, want de hemelen moeten Hem bevatten, en van daar verwachten wij den Zaligmaker, Filippenzen 3:20. Hij zal komen met de wolken, zoals ook de bliksem komt en alle oog zal Hem zien, gelijk men zegt, dat het voor alle levende schepselen natuurlijk is, om hun aangezicht naar den bliksem te keren, Openbaring 1:7. Christus zal verschijnen aan de gehele wereld, van het ene einde des hemels tot het andere, en geen ding zal voor het licht en van de hitte van dien dag verborgen zijn.
b. Hoe de heiligen tot Hem zullen vergaderd worden, zoals de arenden door hun natuurlijk instinct en met de grootst-mogelijke snelheid tot het dode lichaam vergaderd worden. Als de heiligen naar de heerlijkheid gehaald worden, zullen zij als op vleugelen der arenden gedragen worden, Exodus 19:4, als op vleugelen der engelen. Zij zullen opvaren met vleugelen gelijk de arenden, en, evenals zij, zullen zij de kracht vernieuwen.
VIII. Hij voorzegt Zijne wederkomst aan het einde des tijds, vers 29-31. De zon zal verduisterd worden, enz.
1. Sommigen denken, dat dit alleen van de verwoesting van Jeruzalem en den ondergang van het Joodse volk verstaan moet worden. Het verduisteren van zon, maan en sterren duidt de verduistering aan van de heerlijkheid van dien staat, zijne schokkingen, en de algemene verwarring, waarmee deze verwoesting gepaard gaat. Grote slachtingen en verwoestingen worden in het Oude Testament aldus voorgesteld, zoals in Jesaja 13:10, 34:4, Ezechiël 32:7, Joël 2:31. Of wel: door de zon, maan en sterren kunnen bedoeld zijn de tempel, Jeruzalem en de steden van Juda, die allen verwoest zullen worden. Het teken van den Zoon des mensen kan beduiden een kennelijke verschijning van de macht en de gerechtigheid van den Heere Jezus, wraak doende over Zijn bloed, waarvan zij de schuld over zich en hun kinderen hebben ingeroepen, en de bijeen vergadering Zijner uitverkorenen, vers 31 duidt de verlossing aan van een overblijfsel van deze zonde en dat verderf.
2. Het schijnt veeleer te verwijzen naar Christus' wederkomst. De vernietiging van de bijzondere vijanden der kerk was een type van de overwinning over hen allen, en daarom kan hetgeen werkelijk op den groten dag gedaan zal worden in overdrachtelijken zin toegepast worden op die verwoestingen, maar toch moeten wij wèl acht geven op het eerste en voornaamste doel er van. En daar wij het allen eens zijn om de wederkomst van Christus te verwachten, waartoe is het dan nodig om van deze verzen zulk een gedwongen verklaring te geven, als sommigen gedaan hebben, daar die verzen toch zo duidelijk zijn en zo overeenkomen met andere Schriftuurplaatsen, inzonderheid als Christus hier antwoordt op ene vraag betreffende Zijne komst aan het einde der wereld, waarvan Christus nooit geschroomd heeft om er met Zijne discipelen over te spreken? Het enig bezwaar hiertegen is, dat er gezegd wordt, dat dit terstond na de verdrukking dier dagen zijn zal. Maar wat dat betreft:
a. Het is iets zeer gewoons, dat in profetischen stijl van grote en stellige dingen gesproken wordt als gans nabij zijnde, en dit geschiedt om er de grootheid en de stelligheid van uit te drukken. Henoch sprak van Christus' wederkomst als van iets dat binnen het gezicht valt: Ziet, de Heere is gekomen, Judas 14.
b. Een dag is bij den Heere als duizend jaren, 2 Petrus 3:8. Dit wordt daar aangevoerd met betrekking tot deze zelfde zaak, en zo kan er van gezegd worden, dat het terstond daarna zou zijn. De verdrukking van deze dagen sluit niet slechts de verwoesting van Jeruzalem in, maar al de andere verdrukkingen, die over de kerk zullen komen, niet slechts haar deel in de rampen der natiën, maar de verdrukkingen die meer bijzonder over haar komen. Zo lang de volken vaneen gereten worden door krijg, en de kerk door scheuringen, verleiding en vervolging, kunnen wij niet zeggen, dat de verdrukking van dien dag voorbij is. Geheel de toestand van de kerk op aarde is een toestand van strijd, daar moeten wij op rekenen. Maar als de verdrukking der kerk voorbij is, haar strijd vervuld is, en de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus vervuld zullen zijn, zie dan uit naar het einde. Betreffende de wederkomst van Christus wordt hier voorzegd, dat er alsdan een grote en verbazingwekkende verandering in de schepselen zal plaatshebben, inzonderheid in de hemellichamen, vers 29. De zon zal verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven. De maan schijnt met een ontleend licht, indien dus de zon, waaraan zij haar licht ontleent, in duisternis is verkeerd, dan moet zij vanzelf falen. De sterren zullen van den hemel vallen. Zij zullen haar licht verliezen en verdwijnen, en zijn, alsof zij gevallen waren, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden. Dit duidt aan: Ten eerste. Dat er een grote verandering zal plaatshebben, ten einde alle dingen nieuw te maken. Dan zal de wederoprichting aller dingen zijn, als de hemelen niet weggeworpen zullen worden als een wegwerpelijk kleed, maar veranderd als een gewaad om op betere wijze gedragen te worden. Zij zullen voorbijgaan met een gedruis, 2 Petrus 3:10, opdat er nieuwe hemelen zullen komen. Ten tweede. Het zal een zichtbare verandering zijn, zodat de wereld er acht op moet slaan, want zodanig moet de verduistering van zon en maan wel wezen, en het zal een verbazingwekkende verandering zijn, want de hemellichamen zijn niet zo onderhevig aan verandering als de schepselen van deze lagere wereld. De dagen der hemelen en de duur van zon en maan worden gebruikt om aan te duiden hetgeen duurzaam en onveranderlijk is, zoals in Psalm 89:30. Toch zullen zij aldus bewogen worden.
Ten derde. Het zal een algemene verandering zijn. Als de zon verduisterd is en de krachten der hemelen bewogen worden, dan kan het niet anders, of de aarde zal in een kerkerhol worden verkeerd, en hare grondslagen zullen beven. Huilt, gij dennen, dewijl de cederen gevallen zijn. Als de sterren van den hemel vallen, dan is het geen wonder, dat de bergen beven en de heuvelen versmelten. De ganse natuur zal geschokt worden, en toch zal dit de blijdschap niet verhinderen en het juichen van hemel en aarde voor het aangezicht des Heeren, als Hij komt om de aarde te richten, Psalm 96:11, 13, zij zullen, als het ware, roemen in de verdrukking.
Ten vierde. De verduistering van zon, maan en sterren, die gesteld waren tot heerschappij over dag en nacht, Genesis 1:16-18 (de eerste heerschappij vermeld van enig schepsel) betekent het tenietdoen van alle heerschappij en alle macht en kracht (zelfs die van de hoogste oudheid en het grootste nut schijnen te zijn) opdat het koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven worden, en Hij alles zij in allen, 1 Corinthiërs 15:24, 28. De zon werd verduisterd bij het sterven van Christus, want toen was er, in een opzicht, het oordeel dezer wereld, Johannes 12:31, ene aanduiding van hetgeen er zijn zou bij het algemene oordeel.
Ten vijfde. De glorierijke verschijning van onzen Heere Jezus, die zich zal tonen als het afschijnsel van de heerlijkheid des Vaders en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid, zal zon en maan verduisteren, zoals kaarslicht verduisterd is in de stralen van de middagzon, zij zullen geen heerlijkheid hebben ten aanzien van deze uitnemende heerlijkheid, 2 Corinthiërs 3:10. De maan zal schaamrood worden, en de zon zal beschaamd wezen, als God zal verschijnen, Jesaja 24:23.
Ten zesde. De zon en de maan zullen dan verduisterd worden, omdat zij niet meer nodig zijn. Aan zondaren, die hun deel verkiezen in dit leven, zal alle genoeglijkheid en behaaglijkheid voor eeuwig ontzegd worden. Gelijk zij geen droppel waters zullen hebben, zo zullen zij ook geen straal van licht hebben. Nu doet God Zijne zon opgaan over de aarde, maar dan: -"Ik ontzeg u het licht der zon en der maan." Duisternis moet hun deel wezen. Aan de heiligen, die hun schat in den hemel hadden, zal zoveel licht, en blijdschap en vertroosting worden gegeven, dat het licht van zon en maan er door overtroffen en nodeloos zal worden gemaakt. Welke behoefte is er aan lichtvaten, als wij komen tot de Bron en Vader des lichts? Jesaja 60:19, Openbaring 22:5. Dat alsdan in den hemel zal verschijnen het teken ven den Zoon des mensen, vers 30, de Zoon des mensen zelf, zoals hier volgt: Zij zullen den Zoon des mensen zien, komende op de wolken. Bij Zijn eerste komst was Hij gezet tot een teken, dat wedersproken zal worden, Lukas 2:34, maar bij Zijne wederkomst tot een teken, dat bewonderd zal worden. Ezechiël was een mensenkind, gegeven tot een wonderteken, Ezechiël 12:6. Sommigen maken dit tot ene voorzegging van de voorboden en voorlopers van Zijne komst, kennis gevende van Zijn nadering, een licht schijnende voor Hem, een vuur voor Zijn aangezicht, dat verteert, Psalm 50:3, 1 Koningen 19:11, 12. Het is een ongegronde waan der ouden, dat dit teken van den Zoon des mensen het teken des kruizes zal zijn, ontplooid als ene banier. Maar het zal gewis zulk een overtuigend teken zijn, dat het ongeloof er door beschaamd en verslagen zal staan van hen, die zeiden: Waar is de belofte Zijner toekomst? Dat alsdan al de geslachten der aarde zullen wenen, vers 30, Openbaring 1:7.
Alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven. Sommigen van al de geslachten der aarde zullen rouw bedrijven, want de meesten zullen sidderen bij Zijne komst, terwijl het verkoren overblijfsel het hoofd zal opheffen van vreugde, wetende dat hun verlossing en hun Verlosser nadert. Vroeg of laat zullen alle zondaren rouw bedrijven: boetvaardige zondaars zien op Christus en treuren met ene droefheid naar God, en zij, die met deze tranen zaaien, zullen weldra met gejuich maaien, onboetvaardige zondaren zullen Hem zien, dien zij doorstoken hebben, en hoewel zij thans lachen, zullen zij dan wenen en treuren met een duivelse smart, en eindeloos afgrijzen en wanhoop. Dat zij alsdan den Zoon des mensen zullen zien, komende op de wolken des hemels met grote kracht en heerlijkheid. Het oordeel van den groten dag zal den Zoon des mensen overgegeven worden, ingevolge en ter beloning van Zijn groot werk voor ons als Middelaar, Johannes 5:22, 27. De Zoon des mensen zal te dien dage komen op de wolken des hemels. Veel van de waarneembare gemeenschap tussen den hemel en de aarde geschiedt door de wolken, zij zijn, als het ware, het middel van deelneming of deelhebbing er tussen, opgetrokken door den hemel van de aarde, afdruipende van den hemel op de aarde. Christus is met een wolk ten hemel gevaren, en zal evenzo wederkomen. Handelingen 1:9, 11.
Ziet, Hij komt met de wolken, Openbaring 1:7. Ene wolk zal des Rechters wagen zijn, Psalm 104:3, Zijn kleed, Openbaring 10:1, Zijne tent, Psalm 18:12, Zijn troon, Openbaring 14:14. Toen de wereld door water verwoest werd, kwam het oordeel in de wolken des hemels, want de vensters des hemels werden geopend, en zo zal het ook wezen, als zij verwoest zal worden door vuur. Christus is voor Israël heengegaan in ene wolk, die een heldere en een donkere zijde had, zo zal de wolk een heldere en een donkere zijde hebben, waarin Christus op den groten dag zal komen, zij zal vertroosting en verschrikking brengen. Hij zal komen met grote kracht en heerlijkheid. Zijn eerste komst was in zwakheid, maar Zijn wederkomst zal met grote kracht en heerlijkheid zijn in overeenstemming met de majesteit van Zijn persoon en het doel Zijner komst. Hij zal bij Zijne komst met lichamelijke ogen gezien worden: de Zoon des mensen zal de Rechter wezen, opdat Hij gezien worde, en de zondaars des te meer beschaamd en schaamrood zullen worden, die Hem zullen zien zoals Bileam Hem zien zal, niet nabij, Numeri 24:17, Hem zien, maar niet als den hun. Het heeft de pijniging verzwaard van dien zondaar in de hel, dat hij Abraham zag van verre. Is Hij dit, dien wij hebben geminacht en verworpen, en tegen wie wij hebben gerebelleerd, dien wij opnieuw hebben gekruisigd, die onze Verlosser had kunnen zijn, maar onze Rechter is, en voor eeuwig onze Vijand zijn zal? De Wens aller volken zal dan hun verschrikking wezen.
e. Dat Hij Zijne engelen zal uitzenden met een bazuin van groot geluid, vers 31. De engelen zullen Christus dienende vergezellen bij Zijne wederkomst. Zij worden Zijne engelen genoemd, hetgeen bewijst dat Hij God is en Heere der engelen. Zij zullen verplicht zijn Hem te dienen. Deze dienende metgezellen zullen door Hem gebruikt worden als beambten van het hof bij het oordeel op dien dag. Zij zijn thans gedienstige geesten door Hem uitgezonden, Hebreeën 1:14, en dat zullen zij dan ook wezen. Hun dienst zal ingeleid worden met ene bazuin van groot geluid, om de slapende wereld wakker te maken en op te schrikken. Van deze bazuin wordt gesproken, 1 Corinthiërs 15:52 en 1 Thes. 4:16. Bij de wetgeving op Sinaï was het geluid der bazuin zeer bijzonder sterk, Exodus 19:13, 16, maar veel schrikkelijker nog zal het op den groten dag zijn. Onder de wet moest er op de bazuin geblazen worden ter bijeenroeping der vergaderingen, Numeri 10:2, om God te loven, Psalm 81:4, bij het offeren van brandoffers, Numeri 10:10, en bij de uitroeping van het jubeljaar, Leviticus 25:9. Zeer gepast dus zal het geluid der bazuin gehoord worden op den laatsten dag, als de algemene vergadering bijeengeroepen zal worden, als de lof Gods heerlijk zal gevierd worden, als de zondaren vallen als offers der Goddelijke gerechtigheid, en de heiligen hun eeuwigdurend jubeljaar zullen ingaan. Dat zij Zijne uitverkorenen zullen bijeen vergaderen uit de vier winden. Bij de wederkomst van Jezus Christus zal er een algemene bijeenkomst wezen van al de heiligen. Alleen de uitverkorenen zullen vergaderd worden, het uitverkoren overblijfsel, slechts weinigen in aantal, vergeleken bij de velen, die slechts geroepen zijn. Dit is de grondslag van de eeuwige gelukzaligheid der heiligen, dat zij de uitverkorenen Gods zijn. Tot aan de eeuwigheid volgen de gaven der liefde van eeuwigheid: en de Heere kent degenen, die de Zijnen zijn. De engelen zullen gebruikt worden om hen te vergaderen, als dienaren van Christus en als vrienden der heiligen. Wij hebben den last, of de opdracht, die hun gegeven is, Psalm 50:5, Verzamelt Mij Mijne gunstgenoten, ja er zal tot hen gezegd worden: Dezen zijn uwe broederen, want de uitverkorenen zullen dan den engelen gelijk zijn, Lukas 20:36. Zij zullen vergaderd worden van het ene uiterste der hemelen tot het andere uiterste derzelve. De uitverkorenen Gods zijn verstrooid, Johannes 11:52, er zijn er aan alle plaatsen, onder alle volken, Openbaring 7:9, maar wanneer die grote vergaderingsdag komt, zal niet een hunner ontbreken, afstand van plaats zal niemand uit den hemel houden, als zij er niet door afstand van genegenheid uitgehouden worden. De hemel is van overal gelijkelijk bereikbaar, Hoofdstuk 8:11, Jesaja 43:6, 49:12.