12. En zij hoorden (volgens betere lezing "ik hoorde
Hoofdstuk 6:6;
9:13 grote, luid en verklinkende stem uit de hemel, die tot hen zei: "Kom hier op tot Mij in de hemel. " en zij voeren op naar de hemel in de wolk, die tot dat doel was neergedaald, evenals eensJezus op zo'n wolk opvoer (
Lukas 24:51 Handelingen 1:4); en hun vijanden aanschouwden hen, hoe zij zo in de hemel werden opgenomen, zonder dat men het kon verhinderen.
De voorspelling, die in Vers 9 voorafging, had ons verplaatst in de 19de eeuw, zo hoog geroemd en door de mannen van die tijdgeest zo hoog verheven. Zij had ons voor de laatste drie jaren daarvan een schitterende hoogte getoond, die echter meer met vrees dan met bewondering vervult. De anti-christelijke geest, waarmeen het dier uit de afgrond door hen, die zich buiten de tempel van God in de voorhof bevonden, of de heidenen in de geestelijke zin van het woord die eeuw hadden vervuld, had het gebracht tot hele overwinning van de gemeente, die in de tempel aanbad en tot het doden van de getuigen. Hij heerste nu onbeperkt en zonder terughouding in de hele Christenheid en zijn grondtellingen waren van kracht in Staat in Kerk, in school en huis; de gemeente van de Heere daarentegen leefde als verborgen in de woestijn op haar plaats en de lijken van hun getuigen lagen ter beschouwing voor de grote geesten van die tijd onbegraven op de straat. Maar nauwelijks zal de eeuw met dat slot van deze laatste drie jaren geëindigd zijn en daarmee de "een en twee tijden" (vgl. Hoofdstuk 12:14) vervuld hebben, nauwelijks zal de volgende 20ste eeuw, waarvoor de profeten van de tijdgeest nog grote dingen op het gebied van het stoffelijk leven hebben doen verwachten, en een ontwikkeling van de van alle banden van orthodoxie en van confessionalisme bevrijden genius van de mensheid voorspeld hadden, er dicht bij zijn, om tot in de hemel op te klimmen. En zie, dan zal meteen het eerste jaar van deze nieuwe eeuw in het midden afgebroken ("Da 7:25 en tot de halve tijd, tot een halve dag worden gemaakt door een geheel onverwachte, buitengewone gebeurtenis, die de eEr van God en van Zijn rijk op het schitterendst herstelt. Terwijl eerst (Vers 7-10) de ziener van de Openbaring eprofeteerd heeft, gaat de voorspelling, nu deze gebeurtenis moet worden voorgesteld, in een visioen over. Johannes ziet voor zijn ogen plaats hebben wat geschieden zal en hij verhaalt nu wat hij ziet en hoort. Zeker is, zoals de aard van de Apocalyps meebrengt ("Da 7:1" en "Da 7:3 de ontdekking van de toekomst aan de andere zijde ook een grootse verberging. Wij zien wel, dat God een werk doet, waardoor Hij aan de heerschappij van de tijdgeest van een zijde, waarvan men dit het allerminst heeft verwacht, een snel einde bereidt in het bestuur van Christus in de hun Heer ontrukte Christenen voor enige tijd machtiger dan ooit van te voren weer opricht, maar de rede daarover is zo duister, zo in moeilijk gesteld, dat hier reeds van toepassing is wat in Hoofdstuk 13:18 gezegd wordt: "hier is de wijsheid, die het verstand heeft, onderzoekt deze dingen. " Wij hebben het resultaat van ons onderzoek reeds bij Mattheus 24:33, 36 uitgesproken en uit de Heilige Schrift bevestigd. Juist die vierde halve profetische dagen, waarvan van te voren sprake was, zullen, zo menen wij, die tijd zijn, dat God Zich weer tot Zijn oude verbondsvolk keert en de daad van de genade, volbrengt, die in Jesaja 63:7- 64:12 is voorspeld, zodat opnieuw, maar nu in omgekeerde zin, het woord van Christus (Lukas 19:40) bevestigd wordt: "zo deze (de Christenen van dezen tijd) zwijgen, zullen de stenen (de tot nu toe zo verharde Joden) roepen". Naardien onder de Christelijke gemeente door de anti-christelijke grondstellingen en pogingen alle invloed van de getuigende gemeente vernietigd is, Christus met Zijn Evangelie uit het openbare, sociale en politieke leven uitgeroeid is, en niets meer is in de grote stad, die geestelijk Sodoma en Egypte heet, zo wijst de uitdrukking in Vers 8 : "waar ook onze Heere gekruisigd is" er duidelijk genoeg op, dat nu een geheel gelijke verandering van het rijk van God moet plaats hebben, als toen het eigenlijke Jeruzalem de Heiland verworpen en aan het kruis had genageld. Toen werd het rijk van God van Israël genomen en de heidenen gegeven; nu hebben op geestelijke wijze die volken, die uit de olijfboom, die van nature wild was, afgehouwen en tegen nature in de olijfboom ingeënt zijn geworden, hetzelfde gedaan: zij hebben Christus uitgevoerd buiten de legerplaats en daar als een misdadiger verworpen, hoewel in een andere vorm. Zo kan het gevolg ook geen ander zijn dan dat omgekeerd het rijk van God, dat zij van zich hebben gestoten, de Joden wordt teruggegeven. Dat zal zeker de meesten iets vreemds voorkomen, dat wij binnen het vierde van een eeuw zo'n gebeurtenis, als Israëls bekering, reeds zouden moeten verwachten. Daartoe zijn toch nog in het geheel geen tekenen aanwezig, integendeel, die de gezindheid en handelwijze van dit volk van onze tijd beschouwt, zal veelal overhellen tot de mening van Luther, zoals die bij Jesaja 57:21 "Isa 57:21"is meegedeeld, dan de mogelijkheid van het geen wij zo-even hebben uitgesproken, toegeven. Intussen moet het "gans Israël" van welks latere bekering Paulus in Romeinen 11:26 spreekt, niet van de hele grote massa zonder onderscheid worden opgevat, maar alleen van de "verkiezing van de genade", die uit het hele getal van stammen is genomen. en de hele omvang van de volk vertegenwoordigt; zoals dat in Hoofdstuk 7:4, van ons boek tot 12 x 1200 = 144000 zielen is beperkt. Bovendien is het een geheel nietige veronderstelling, als men meent dat Israëls bekering de laatste vrucht van een langzame, allengs voortgaande ontwikkeling zal zijn; zij is integendeel het werk van de genade, die in de plaats van de goddelijke Zoon op eenmaal en plotseling komt, als de juist afgemeten tijd van toorn is geëindigd en het uur van het ontfermen gekomen is. Zij is het werk van die genade, die met al haar wondermacht werkt (vgl. Hoofdstuk 12:7-12) en dan zal het ook bij deze wedergeboorte zijn als met elke andere (Johannes 3:8): "de wind blaast waarheen hij wil en u hoort zijn geluid, maar u weet niet van waar hij komt en waar hij heengaat. " Voor de lezer, die de Schrift kent, kan het aan geen twijfel onderhevig zijn, of de waarde van de tekst, die voor ons ligt: "een geest van het leven uit God is in hen gegaan en zij stonden op hun voeten", niet alleen op het gezicht in Ezechiel 37:7-10 doelen, maar de vervulling ervan ons voor ogen stellen. Alleen zou die een bedenking nog kunnen worden gemaakt dat toch van die twee getuigen sprake is, waarover na Vers 3 is gehandeld. Hebben wij nu van te voren deze twee getuigen opgevat van die uit de Christelijke Kerk, die uit de heidenen vergaderd is, hoe komen wij er toe, nu een quid pru quo te maken en in de plaats van de getuigende gemeente van Christus, die door de antichristelijke tijdgeest door middel van de alles vermogende staat overwonnen en gedood op de straat van de grote stad ligt, opeens het ruime veld, dat vol doodsbeenderen ligt, de verdorde beenderen van het hele huis van Israël te zetten? De bedenking wordt echter dadelijk weggenomen, als men maar eerst de wijze van beschouwing in de Openbaring n zich heeft opgenomen, Daar is de vrouw, die met de zon bekleed is en de maan aan haar voeten heeft en een kroon van twaalf sterren op haar hoofd, het volk van God in zijn Oud- en Nieuw-Testamentische roeping. Israël heeft deze roeping door zijn verwerping van Christus verspeeld en zo een plaatsbekleding door de gemeente, uit de Heidenen vergaderd, teweeg gebracht, maar zo weinig is deze gemeente nu zelf en zonder Israël die vrouw met de zon, als zij daarvoor, dat zij de olijfboom is ingeënt, en de wortel en het sap van de olijfboom deelachtig gemaakt is, zelf tot olijfboom gemaakt (Romeinen 11:17,. Het getuigen van de Christelijke kerk is diensvolgens slechts een volvoeren van de roeping van Israël, om te getuigen, waarom het ook boven geheel in een Israëlitisch kleed optrad en in Israëlitische vorm werkzaam was; want Israël's roeping om te getuigen is met Israël's verwerping niet teniet gegaan, maar door de Kerk opgenomen en voortgezet. Terwijl dus na het einde van de 19de eeuw de mond van de Kerk tot zwijgen gebracht en het getuigen van de Christelijke gemeente en van het geestelijk ambt gedood is, is als het ware Israël's dood volkomen geworden en daarmee de tijd van zijn wederopwekking gekomen. Het is nu ten eerste Israël zelf, in welks doodsbeenderen de Geest van het leven van God vaart. Uit dit volk worden de twee getuigen weer levend en staan op hun voeten; maar ook de Kerk, de Christelijke gemeente, gaat daarbij niet ledig heen, zodat zij in haar dood zou blijven; integendeel wordt tegelijk vervuld wat Paulus in Romeinen 11:15 schrijft. Evenals namelijk in de 1ste eeuw van de Christelijke tijdrekening Israël's verwerping de verzoening van de wereld is geweest, zo wordt de wederaanneming van de Joden aan het einde van de 19de eeuw voor de Christenen van deze tijd het leven uit de doden (vgl. Mattheus 25:4), waarover dan Vers 13 handelt. Voordat wij tot de beschouwing van dit vers overgaan, heeft eerst Vers 12 nog een nader bewijs, dat deze plaats werkelijk over Israël's bekering en weer aanneming handelt, in de stem van de hemel: "kom hier" en in het werkelijk opstijgen van hen, tot wie de stem werd gericht. Zonder twijfel slaat dit woord terug op hetgeen Jozef tot zijn broeders zegt (Genesis 45:4): "Nader toch tot mij". In de aanmerking op die plaats "Genesis 45:4" werd op het toneel van erkenning tussen de verheerlijkte Godmens, die op de troon van Zijn Vader zit en het volk, dat Hem verraden en aan de Heidenen verkocht heeft, maar waarmee Hij Zich in eeuwigheid verloofd heeft (Hosea 2:19 v.), gewezen als hetgeen door dat toneel van erkenning tussen Jozef en zijn broeders werd gewezen. Israël stijgt bij zijn wederaanneming wel niet lichamelijk, maar in de geestelijke zin van het woord, in een wolk naar de hemel. Het treedt in een zo onmiddellijke betrekking tot de Heiland, als het aan de Christelijke gemeente niet ten deel geworden is (Hoofdstuk 14:1), wordt als het ware weggenomen van de aarde, terwijl het uit alle landen, waarin het verstrooid is geweest, wordt uitgerukt en naar het heilige land overgebracht, waar het later van de ellende onder de heerschappij van de antichrist niets zal te lijden hebben (Hoofdstuk 12:14) en wordt daar in een nog veel meer omvattende in diepe zin tot een lichtgevende sterrenhemel verheven, dan het vroeger geweest is (Hoofdstuk 6:13). Reeds is een grote vrees gekomen over hen, die hen zagen, toen de Gerst van het leven van God in hen voer en zij op hun voeten stonden. Dat het juist Israël zou zijn, dat de historische Christus Zijn eer in de wereld zou teruggeven, die de Christenen Hem hadden ontnomen, had men het allerminst verwacht. Dat juist in een tijd, waarin men als zeker aannam, dat alle onderscheid tussen Jodendom en Christendom zou zijn weggenomen en alle tegenstelling in de eenheid van humanisme en civilisatie was opgeheven, zich Israël emancipeert van de vrijheid en gelijkheid en broederschap van de zozeer verlichte eeuw en zich tot zijn ware broeder Christus wendt, is een wonder voor de ogen van allen, tot men zich van de eerste schrik enigszins zal hebben hersteld en nu aan de slang, die achter de vrouw een water als een stroom uitspuwt, om haar te verdrinken, de aandacht geeft. (Hoofdstuk 12:15 v. 16:13 v). Terwijl nu echter de aarde de vrouw helpt en haar mond opent om de stroom te verslinden, blijft voor de vijanden van de Joden, die in de tijd van hun verwerping en verharding hen vertreden en onderdrukt hebben, hen later van de kennis van de zaligheid hebben afgehouden en de schoonste van hun geslacht hebben verworpen en afgezet, om ten slotte bij hun terugkeren voor hen te worden de Farao, die met zijn wagens en ruiters nazet, niets over dan het toezien. Zij kunnen niet meer tegenspreken, dat hetgeen Israël was toevertrouwd, Gods woord en getuigenis en wel tot elke letter in het bijzonder, volle, onbedrieglijke waarheid was en kunnen verder er niets tegen doen, dat de vrouw op haar plaats, waarheen zij als op vleugels van een grote adelaar als in de woestijn gevlogen is, gevoed wordt (Hoofdstuk 12:14). In de hereniging van de beide zo lang gescheiden delen van het volk, van het huis van Israël en van het huis van Juda tot een koninkrijk, onder de scepter van de zoon van David zijn de honderd vier en veertig duizend (Hoofdstuk 7:4; 14:1 nu weer de twee getuigen van de Heere, de twee olijfbomen en twee kandelaren, staande voor de God van de aarde, zoals voor de roeping van de Heidenen tot het rijk van God hun zo'n ereplaats in de wereld verleend was, waarbij dan zeker twee mannen van God onder hen nog in het bijzonder zich voordoen als de voorafgebeelden door Jozua en Zerubbabel (Neb. 12:1), bij het terugkeren uit de Babylonische ballingschap en het bouwen van de tweede tempel. Wij zullen bij Hoofdstuk 14:1, zien, dat er nu weer een tempel moet worden gebouwd en een godsdienst worden ingericht en dan het gezicht van Ezechiël in Hoofdstuk 40-48 in aanmerking moet worden genomen. Van die tempel van Ezechiël (Hoofdstuk 47:1) gaat een stroom uit naar het Oosten, aan welks oevers aan beide zijden zeer vele bomen staan en welks wateren het water van de dode zee gezond maken, zo merken wij hier weer iets van het leven uit de dode, dat door Israël's wederaanneming ten dele zal worden aan de Christelijk Kerk hier in ons Westen, waarvan wij het beeld in de Vers 8, beschreven lijken hebben gezien. Wat echter van te voren in het Westen is geschied, om zo'n weer levend maken mogelijk te doen zijn, wijst het vers aan, dat verder volgt.
De aan het kruis gestorven Jezus bleef niet in de dood, maar op de heerlijke Paasmorgen brak het nieuwe, goddelijke hemelleven voor Hem aan, uit de nacht van het graf en snel daarop voer de Zoon van God en van de mensen op, om zich te zetten aan de rechterhand van de majesteit in de hoogste hemelen. In die zegepraal delen ook Zijn getrouwe getuigen; ook in hen gaat een geest van het leven uit God; ook zij varen op naar de hemel in de wolk. Zij herleven, schoon gestorven voor een klein tijdje. Dat is het beeld van de Kerk van de Heere, waarvan door alle tijden heen dat woord van Jezus gold: "zij is niet dood, maar slaapt. "
Zonder deze woorden te beschouwen in hun profetisch verband, laat ons ze opvatten als de uitnodiging van onze grote Voorloper tot Zijn geheiligd volk. Op de bepaalde tijd zal er "een grote stem uit de hemel" worden gehoord tot elke gelovige, zeggende: "Kom herwaarts op". Dit behoorde voor de heiligen een onderwerp van blijde verwachting te wezen. In plaats van op te zien tegen het uur, wanneer wij de wereld moeten verlaten, om tot de Vader te gaan, moesten wij verlangen naar het uur van onze bevrijding. Ons lied moest wezen:
Mijn hart is in de hemel, Waar Jezus mij verbeidt; `k Zal haast Zijn stem vernemen: "Kom, deel mijn heerlijkheid. "
Wij worden niet geroepen naar beneden, naar het graf, maar naar boven, naar de hemel. Onze uit de hemel geboren geesten behoorden te reikhalzen naar de lucht van hun vaderland. Tevens moest de hemelse dagvaarding het voorwerp wezen van geduldig wachten. Onze God weet best wanneer ons toe te roepen: Komt hierheen op. " Wij moeten de tijd van onze afreis niet willen verhaasten. Ik weet dat de drang van de liefde ons zal doen roepen. Maar de lijdzaamheid moet haar volmaakt werk hebben. Met onfeilbare wijsheid beschikt God de meest gelegen tijd voor Zijn verlosten, om hier beneden te vertoeven. Ongetwijfeld, als er leedgevoel in de hemel kon bestaan, zou het zijn, omdat men niet langer op aarde heeft kunnen verkeren, om nog meer nut te stichten, om meerdere schoven te vergaderen voor de eeuwige schuur, meerdere parels voor Zijn kroon. Maar hoe kan dit, tenzij er meer wordt gewerkt. Het is waar, er is ook een keerzijde, hoe korter wij leven, hoe minder zonde wij bedrijven, maar o, wanneer wij met ons hele hart God dienen en Hij ons geeft het kostbare zaad uit te strooien en honderdvoud in te oogsten, zouden wij dan niet zeggen, het is beter voor ons te blijven waar wij zijn? Hetzij onze Meester zegt: "ga of blijf". Laat ons evenzeer vergenoegd zijn, als Hij ons maar met Zijn nabijheid begunstigt.
Maar na de drie en een halve dag, na die laatste tijd, dat de anti-christ bijzonder woedde tegen de telkens opstaande getuigen en hen tot hun vreugde telkens overwon en doodde, brak de hervorming zo krachtig door, door Zwinglius, Luther, Melanchton, Calvijn, Bucerus, Cranmer Knox en andere helden, dat de antichrist het niet stuiten kon. Dit is het opstaan van de getuigen. De personen, die gedood waren, werden niet weer lovend, maar hun getuigenis, het Evangelie, dat de vorige getuigen verkondigd hadden en waardoor zij de gruwelen van het pausdom hadden ontdekt en bestraft, kwam weer klaar en met kracht voor de dag, zoals Elias in Johannes de Doper herleefde. Dit geschiedde niet door uitwendige kracht en geweld, maar door de Geest van de Heere, die de geest van de hervormers verlichtte en brandende maakte, en door hun prediking ontstak de geest van een grote menigte van toehoorders. De hervorming brak zo overvloedig en klaarblijkelijk door, dat de anti-christ en zijn aanhang het aanschouwden met vrees, omdat zijn troon en kroon daardoor waggelden. Het opvaren is niet lichamelijk, maar geeft te kennen de openbare vertoning van het Evangelie in klaarheid, heerlijkheid en onoverwinnelijkheid en dat in spijt van de vijanden, die van te voren met blijdschap de dode lichamen van de getuigen aanschouwd hadden, die nu moesten zien, dat diezelfde zaak en dezelfde getuigenis zo doorbrak, dat er geen onderdrukken aan was.
De getuigen van Christus zouden voor een korte tijd moeten stilzwijgen, maar zij zouden van God worden opgewekt, dat is, zoals Medus zegt, zij zouden in de oude staat hersteld worden, want dat is in de geheime zin "opgewekt worden" of "in het leven hersteld worden"; (Jesaja 26:19 Hosea 6:2 Ezechiel 37:1 enz.), de monde van de getuigen zouden weer worden opengedaan en met grote kracht van de waarheid getuigenis geven (Handelingen 4:33). Hetgeen aan Christus geschied was, dat Hij door Zijn vijanden onrechtvaardig gedood, in het leven teruggebracht en ten hemel gevaren was, omhangen met een wolk, ditzelfde zou ook in de getuigen van Christus worden gezien. De hemelvaart betekent zonder twijfel de openbare verhoging van hen, zodat zij, zoals Medus schrijft, tot een hoger trap van eer en macht verheven zouden worden (Daniël 7:13 Jesaja 14:13, 19).
Behalve hun vorige eer zouden zij nu, na de zakken afgelegd te hebben, meerdere heerlijkheid verkrijgen, terwijl goddelijke kracht hen tot de hemel verhoogde en hun vijanden dit met verbazing en spijt beschouwden.
Brightman verklaart het eindigen van de drie en een halve dag van de 1ste Oktober 1550 en zegt: want op die tijd werden de profeten weer levend, na de verstoring de kerken in Duitsland toegebracht en de autoriteit en de majesteit van de Schriften en de verzamelingen van gelovigen groeiden aan, tot spijt van de antichrist en van al hun vijanden.