2. En ik zag, ten gevolge van dat roepen een levend beeld zich aan mijn blikken vertonen en zie, een wit paard, welks kleur reeds zijn ruiter karakteriseerde; als een zegerijke, triomferende vorst, was het, dat hij verscheen en die daarop zat had een boog, dat ver treffend krijgswapen; en hem is door onzichtbare hand een kroon of krans gegeven, zoals de overwinnaars die op het hoofd dragen (
1 Corinthiërs 9:25) tot een teken, dat de overwinning hem meteen was toegekend en de uitslag van zijn strijd niet twijfelachtig was. En hij ging nu ook uit ten strijde overwinnend met het bewustzijn van een overwinnaar, die van zijn zaak zeker is, op het aangezicht en opdat hij overwon, de zegepraal ook in bezit nam, die hem als zijn deel reeds was beloofd.
a) Openbaring 9:11
Anders beslist bij een strijd eerst de uitslag, wie van beide delen overwint en wie de neerlaag lijdt. Nergens, schrijft Graaf Maistre (geb. 1753 te Chambery in Savoie) wordt de mens meer en levendiger aan zijn nietigheid, nergens sterker aan de onvermijdelijke macht, die alles bestuurt, herinnerd dan in de strijd. Maar deze ruiter hier is overwinnaar nog voordat hij de slag heeft geslagen. De overwinnaarskrans is hem reeds op het hoofd gezet, terwijl hij nog maar ten strijde uittrekt en zo gaat hij die in met het volle bewustzijn dat hem lukken moet, waartoe hij is gezonden. Het schijnt, dat wij slechts aan Eén mogen denken, aan Hem, die in Hoofdstuk 19:11, onder hetzelfde beeld voorkomt, aan de verheerlijkte Christus. Alhoewel Hem nu nog lang niet alles in de wereld onderworpen is, wordt Hem toch reeds de overwinnaarskroon gegeven, omdat Zijn overwinning reeds zo goed als aanwezig is (Psalm 110). Daarop wijst ook de kleur van Zijn paard. De boog, die Hij draagt, wijst aan, hoe gemakkelijk Hem de lange en zware strijd tegen Zijn tegenstanders wordt, hoe weinig Hij blootgesteld is aan het gevaar, om zelf gewond te worden, hoe Hij integendeel door God is verordend tot een Rechter over de onboetvaardige en ongelovige wereld (Psalm 7:13 v. ; 45:6). Deze mening over de eerste ruiter, die zich vanzelf aan ons voordoet, wordt dan ook bij het grootste getal van de uitleggers gevonden en dan zou de betekenis van dit gezicht deze zijn, dat aan Christus' macht en bestuur alle volgende feiten onderworpen zijn. Zijn boog is de boog, met de zeker treffende pijl van het woord; Zijn krans of Zijn kroon is de diadeem van Zijn principiële overwinning over alle macht van de wereld en van de duisternis. En als Hij toch weer uittrekt om te overwinnen, dan is dit de zaak, dat zich Zijn principiële strijd en overwinning in een grote rij van wereldhistorische strijden en overwinningen ontwikkelen en voltooien moet. Hoe juist intussen het hier gezegde op zichzelf is, is toch het kardinale punt, waarop alles aankomt, hierbij geheel voorbij gezien en daarom ook de betekenis van ons gezicht in zulke algemene waarheden opgelost, dat het niet nodig zou geweest zijn, dat Johannes een bijzondere openbaring daarover werd gegeven. Wij moeten er integendeel op bedacht zijn, dat de schrijver van onze Apocalyps de wederopneming en volmaking van de Oud-Testamentische profetie, in het bijzonder die van Ezechiël, Daniël en Zacharia is en dan dient de plaats Daniël 9:24-27 ons tot handvatsel om te komen tot de juiste opvatting. In Vers 25 van die plaats is sprake van de Maschiach-Nagid (Messias de vorst). In het volgende vers wordt die naam gescheiden in twee personen: de Messias heet nog slechts eenvoudig Maschiach, daarentegen wordt de benaming Nagid overgedragen op de vorst van Rome, die Jeruzalem met zijn krijgsvolk zal verwoesten, maar zo, dat in hem de van de aarde uitgeroeide en ten hemel verheven Christus zelf werkzaam is. Zo is het duidelijk te verklaren, als hetzelfde beeld, dat in Hoofdstuk 19:11, nog meer bepaald of Christus, doelt, het beeld van een ruiter op het witte paard, op onze plaats degene betekent, die Christus' oordeel over Jeruzalem ten uitvoer brengt. Dezelfde verhouding heeft plaats als wanneer in Jeremia 25:9 Koning van Babel, als hij de eerste verwoesting van Jeruzalem teweeg brengt, een knecht van de Heere wordt genoemd. Het witte paard is een paard van de eer en kenschetst zijn ruiter als een, die met Zijn krijgsmacht niet zoals anders in de dienst van de Romeinse wereldmacht staat, maar met een goddelijke opdracht komt en een goddelijk werk volbrengt. En zo wordt hem dan ook reeds de overwinning toegekend, nog voordat de strijd beslist is. Jeruzalem zal zeker vallen en het Joodse volk bezwijken, want het uur van de Heere is gekomen. Verschillende verklaringen kunnen gegeven worden op de vraag, in hoeverre Vespasianus en in het bijzonder diens zoon Titus, van wie de vader de voortzetting van de oorlog opdroeg, toen die de keizerstroon beklom, inderdaad voor een waardige vertegenwoordiger van Christus kan worden aangezien, die in de catastrofe van Jeruzalems verwoesting tot Zijn rijk komt (Mattheus 16:28; 24:3, ; 26:64 Johannes 21:22), wat, om ten minste op een punt in het bijzonder te wijzen, zijn verschijning als boogschutter betreft, die hem moet voorstellen als een krijgsman, die uit de verte mikt en zeker treft, zonder zelf aan gevaar blootgesteld te zijn, zo is dit in de Joodse oorlog vaker of opmerkelijke wijze bewaarheid. Titus ontkwam namelijk bij gelegenheid van een recogdoceren als door een wonder aan het grootste levensgevaar, zodat Josephus (b. Judas V. 2. 2). opmerkt: "duidelijk kan men zien, dat de beslissende ogenblikken van de strijd en de gevaren van de vorsten onder Gods bestuur staan. " Het is dus de tijd van het paasfeest van het jaars 70 na Christus, waarmee de gezichten van de Openbaring eginnen; in Vers 9-11 wordt vervolgens herinnerd aan het paasfeest van acht jaar daarvoor.
Een wit paard is het zinnebeeld van overwinning, zoals in het oude Rome de overwinnaar met zes witte paarden, op de triomfwagen, de heilige straat naar het Capitool opreed. De eerste ruiter heeft een boog, het wapen, dat op verre afstand zijn schichten afzendt en draagt een krans of kroon, waardoor hij als overwinnaar of koning wordt voorgesteld. Deze ruiter op het witte triomfros beduidt de door de hand van de Vader gekroonde Heiland, Die, Overwinnaar op Golgotha, onmiddellijk na Zijn hemelvaart met grote spoed in de wereld uittrok, en zoals een pijl van de boog gedreven, Zijn woord in de harten uitzendt (Psalm 45:4-6), Zich een weg ontsluit op aarde, van overwinning tot overwinning voortsnelt, totdat, onder Gods toelating, het rijk van de satan krachtige stappen voorwaarts doet door het Arianisme en de volksverhuizing, van die natiën aan de kerk in het westen deze valse godsdienst brengen zouden. Na de afloop van de zeven zegels komt dan de ruiter, bij zijn terugkomst, met witte paarden van de hemel op aarde, waar zijn zaak door de drie volgende ruiters als uitgeroeid schijnt te zijn.
Het is dezelfde, die ook later zal voorkomen, als zittend op een wit paard en daar de naam draagt van de "Getrouwe en Waarachtige, die strijd voert in gerechtigheid; Dezelfde, van wie de kinderen van Korah zingen; "gord Uw zwaard aan de heup, o Held! uw Majesteit en Uw heerlijkheid. uw pijlen zijn scherp! volkeren zullen onder U vallen; zij treffen in het hart van de vijanden van de Koning; " het is Jezus Christus bovenal te prijzen in eeuwigheid. De kroon van de koninklijke waardigheid wordt geplaatst op Zijn hoofd, terwijl Hij uittrekt ter uitoefening van Zijn vorstelijke en rechterlijke ambt; op een blinkend paard is Hij gezeten ten teken van Zijn onvergelijkelijke heerlijkheid, en Zijn uittocht is zodanig, dat Hij zonder ophouden of vertragen de ene overwinning bij de andere voegt en over de wereld van de goddeloosheid triomfeert door de drie ruiters, die Hem als uitvoerders van Zijn bevelen volgen. Als de Kerk in beproeving en tegenspoed verkeert, stelt zij het zich voor de geest, dat Jezus de Koning is der koningen. Met onweerstaanbare kracht gordt Hij Zich aan tot een luisterrijke overwinning. Welaan dan! werp af uw zorgen en bekommeringen en wijk uit het hart, wat daar smart en angst verwekt! Niets of niemand vermag tegen uw Heer. Hem zij de heerlijkheid!
Johannes zag in vier verschillende vertoningen vier paarden van verschillende kleuren. De kleur van de paarden maakt daarom een hoofdtrek uit, in drie schilderingen. Het paard, dat hij zag, in het eerste gedeelte van de geopende boekrol, was wit, om de overwinningen van de ruiter af te beelden. Immers vanouds werden in de zegepralen bij de Romeinen, witte paarden gebruikt. Ook vertoonde zich de ruiter in alles als een zegepralend overwinnaar. Overwinning is daarom de hoofdzaak, die vertoond werd. Maar wat een overwinning is hier bedoeld? Van onze erachtens, de zegepraal, die het Evangelie behaald heeft op het ongeloof, door een verbazende voortplanting van het Christendom, onder allerlei Heidenen, bijzonder in het Roomse keizerrijk.
Sommigen verstaan bij de gezichten, die van de openingen van de vier eerste zegels volgen, de vier Monarchieën, waarvan Daniël heeft geprofeteerd. Maar dit voelen wordt weerlegd uit hetgeen Hoofdstuk 1:1 en Hoofdstuk 4:1 is gezegd, namelijk, dat hier vertoond worden dingen, die na deze geschieden moesten, niet dan zodanige dingen, die nu lang van te voren geschied waren. Die het nu van toekomende dingen verklaren, zijn ook van tweeërlei meningen. Enigen verstaan door de verschijningen, die op de opening van deze zegels vertoond worden, de veranderingen en zwarigheden, die het Roomse rijk, van deze tijd af tot de tijden van de keizer Constantijn toe, die de eerste Christen keizer is geweest, zijn overgekomen, zo namelijk, dat het witte paard met zijn overwinnende ruiter Christus zou betekenen, die, zoals Hij nu reeds door Zijn apostelen had begonnen, zo ook voortaan door andere getrouwe leraren de Heidense afgoderijen en andere ijdele godsdiensten zou onder de voet brengen en het Roomse rijk in dit stuk zo in een geheel andere staat herstellen. Het rode paard, de bloedstortingen en burgerlijke tweedrachten, die in dit rijk onder verscheidene keizers zouden ontstaan. Het zwarte paard, de hongersnoden en dure tijden, die God tot een straf onder hen tot verscheidene malen heeft gezonden. Het vale paard, de zware pest en andere vurige ziekten en sterften, die in dit volk zouden heersen en dat alles vanwege de vervolgingen, die zij tegen de Christenen tot tienmaal toe hebben verwekt. Waarop na de opening van het vijfde zegel de zielen van de gedode Christenen voor God zouden om wraak roepen, die na de opening van het zesde zegel verhoord zijn door God, waarna Constantinus is verwekt, die de tyrannische keizers en vervolgers van de gemeente, Maxentius, Maximianus, Licinius en andere hunsgelijken onder de voet heeft gebracht, de heidense afgoden al hun aanzien benomen en alle hun dienaars tot de uiterste wanhoop gebracht. Dit voelen over dit hoofdstuk komt met de eigenschappen van deze gezichten en met de historiën van die tijd, niet kwalijk overeen. Maar als hier eigenlijk van Christus als een lam, dat geslacht is, wordt gesproken, dat met Zijn bloed Zijn gemeente heeft gekocht en alleen gewag gemaakt wordt van vier dieren en vierentwintig ouderlingen, die alle voorgangers van de gemeente van Christus zijn, zoals in het voorgaande hoofdstuk verklaard is, zo is het wel zo gelofelijk, dat in deze en alle andere toekomende gezichten gezien wordt op de veranderingen en zwarigheden, als ook vertroostingen, die de Kerk van Christus door de hele wereld zouden overkomen. Door het witte paard wordt de zuivere prediking van het Evangelie verstaan, die Christus, de Koning der koningen, die dit paard regeert, zoals hierna verklaard wordt (Hoofdstuk 19:11), door de hele wereld met de kracht van Zijn Geest, als met Zijn boog gewapend zijnde, heeft verbreid en alle tegenstand door Zijn dienaren heeft overwonnen, zodat Hij niettegenstaande de vervolgingen van de heidense en andere barbaarse of ketterse koningen in het oosten en westen, daarin de overhand heeft behouden.
De zegels beginnen na de tijd, dat zij aan Johannes vertoond werden, maar niet lang daarna, eindigen zij met een half uur stilzwijgen. Hoofdstuk 8:1 De verademing van de Kerk over de tijd van Constantijn de Grote; zij gaat voor de bazuinen, de heerschappij van de antichrist. Zodat het klaarblijkelijk is, dat de zegels de Kerk onder de heidense keizers vertonen; maar het is zo klaar niet te bepalen, wanneer ieder zegel zijn begin en einde heeft en ook zijn de zaken duisterder voor ons, door gebrek aan geschiedschrijvers in die tijden. En ik zag, ik merkte met verlangen en aandacht toen het Lam, de Heere Jezus, een van de zegels geopend had, het eerste en ik hoorde een uit de vier dieren zeggen als een stem van een donderslag, het eerste dier een sterke, moedige en onversaagde leraar, met grote ernst en met een ontzettende en doordringende stem, mij en zo een ieder aanmoedigend: kom en zie. Let hier op, hier is wat groots te zien, dat tot veel sterkte en gemoedigdheid dient. En ik zag en zie een wit paard. Paarden gebruikt men in de oorlog en ook om brieven snel naar ver afgelegen plaatsen te zenden. Door paarden worden soms verstaan de uitvoeringen van Gods besluiten over de wereld, op een snelle en ontzaglijke wijze (Zacharia 1:8). Achter hem waren rode, bruine en witte paarden, Vers 10 Deze zijn het, die de Heere uitgezonden heeft, om het land te doorwandelen. Soms betekenen zij de gelovigen, die met lust en een verheven hart Gods welbehagen doen (Zacharia 5:3). "Ik zal ze stellen zoals het paard Zijn majesteit in de strijd. " (Openbaring 9:14). "En de legers volgden hem op witte paarden". Hier is ook een wit paard, dat te kennen geeft zuiverheid, overwinning en blijdschap. En die daarop zat wordt wel niet genoemd, ook niet beschreven in zijn gedaante; maar aan zijn wapen, aan zijn kroon, aan zijn werk, ziet men, dat door deze rijder de strijdende Kerk verstaan wordt, die zit, steunt en gebouwd is op het fundament van de apostelen en profeten en als rijdende op het Woord van God, als Psalm 45:5 : Rijd voorspoedig in Uw heerlijkheid, op het Woord van de waarheid. De Kerk wordt beschreven van haar wapen, kroon en werk. Het wapen, waarmee de Kerk streed, is een boog, om door het Woord, als pijlen het hart te treffen van de enen tot bekering en van de anderen tot kwelling en pijniging, zoals Psalm 45:6 : uw pijlen zijn scherp, volken zullen onder u vallen, zij treffen het hart van de vijanden van de koning. De Kerk heeft geen lichamelijke wapens, haar wapen is het Woord van God, dat ook genoemd wordt het zwaard van de Geest (Efeze 6:17). Dit wapen is krachtig door God, tot neerwerping van de sterkten (2 Corinthiërs 10:4, 5). De Kerk wordt beschreven van haar kroon. En hem is een kroon gegeven. De Kerk had tot hiertoe wel gestreden en de overwinning gehad, waarop de kroon beloofd is, maar zij wordt nu als een overwinnares gekroond; de kroon geeft hier haar heerlijkheid te kennen (Ezechiel 6:12). Ik deed een kroon van de heerlijkheid op uw hoofd. zoals de wijsheid een sierlijke kroon is een kloeke vrouw de kroon van haar heren, de grijsheid de kroon van de ouderdom, zo zijn waarheid en heiligheid een sierlijke kroon voor de Kerk. God kroont haar met Zijn goedgunstigheid, zij is een sierlijke kroon in de hand van de Heere. Zij is een koninklijk priesterdom, dus komt hier de Kerk voor de dag. Die Kerk wordt beschreven van haar werk. En Hij ging uit, overwinnend en opdat Hij overwon. Tot hiertoe was de Kerk voorspoedig geweest en allerlei natiën waren onder de gehoorzaamheid van de Heere Jezus gebracht; zij zou in het toekomende voortgaan en niettegenstaande de zware verdrukkingen, die haar zouden overkomen, zou zij niet alleen staande blijven, maar zij zou het rijk van de Heere Jezus nog verder verbreiden. Deze verborgenheid was nodig tot vertroosting en bemoediging van de Kerk.
Het witte paard beduidt het Evangelie en de prediking ervan door de dienaren en alle gelovigen, als zijnde gelijk een paard, heerlijk, snel van loop, moedig tegen de vijanden en door geen schrik te weerhouden, en wit wegens het heldere licht van het Evangelie, zuiverheid van alle smet van de dwaling en goddeloosheid, voortreffelijkheid boven alle menselijke wijsheid en zeker triomferen over de vijanden (2 Petrus 1:20 Titus 1:2 Spreuken 3:14, 15 Jesaja 55:11).