1 Samuël 3:11-18
I. Hier is, na al deze voorbereiding, de boodschap, die God aan Samuël gegeven heeft betreffende Eli's huis. God kwam nu niet tot hem om hem te zeggen hoe groot een man hij zal worden, hoe hij zich zal onderscheiden, en hoe groot een zegen hij zal wezen in Israël. Jonge lieden wensen gewoonlijk zeer gaarne te weten wat hun in de toekomst wedervaren zal, maar God kwam tot Samuël, niet om zijn nieuwsgierigheid te bevredigen, maar om hem te gebruiken in Zijn dienst, en hem met een boodschap naar een ander te zenden, wat veel beter was. Toch zal deze eerste boodschap, die ongetwijfeld een diepe indruk bij hem heeft teweeggebracht, later van groot nut voor hem wezen, als zijn eigen zonen zullen blijven wel niet zo slecht te zijn als Eli's zonen, maar toch ook niet zo goed als zij behoorden te wezen, Hoofdstuk 8:3.
De boodschap is kort, volstrekt niet zo lang als die, welke de man Gods gebracht heeft, Hoofdstuk 2:27, want daar Samuël nog een kind was, was het niet te verwachten dat hij een lange boodschap zou kunnen onthouden, en God nam zijn jeugd en vatbaarheid in aanmerking. Het geheugen van kinderen moet niet overladen worden, neen, zelfs niet met Goddelijke dingen. Maar het is een treurige boodschap, een boodschap des toorns, om de vroegere boodschap te bevestigen, en het vonnis van kracht te maken, dat daarin werd uitgesproken, omdat Eli er misschien niet zoveel acht op heeft geslagen, als hij had moeten doen. Hoe minder op de bedreigingen Gods acht wordt geslagen, hoe zekerder zij ten uitvoer gelegd zullen worden, en hoe zwaarder zij zullen treffen. Er wordt hier verwezen naar hetgeen daar gezegd is beide nopens de zonde en de straf.
1. Nopens de zonde, het is de ongerechtigheid, die hij geweten heeft, vers 13. De man Gods heeft er hem van gesproken, en menigmaal heeft zijn eigen geweten er hem van gesproken. O hoeveel schuld en bederf is er in ons, waarvan wij kunnen zeggen: "Het is de ongerechtigheid, die ons eigen hart weet, wij zijn er ons van bewust! Kortom, dit was de ongerechtigheid: zijn zonen hebben zich vervloekt gemaakt, zo heeft hij hen niet eens zuur aangezien. Als hij zijn misnoegen over hun slechte daden heeft getoond, dan was het toch niet in die mate waarin hij het had behoren aan de dag te leggen, hij heeft hen bestraft, maar hij heeft hen niet gestraft voor het kwaad dat zij deden, noch hun de macht ontnomen om kwaad te kunnen doen, hetgeen hij als vader, hogepriester en richter gekund had. Zondaars maken zich door hun boosheid veracht. Zij verleiden zichzelf, want een ieder wordt verzocht, als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt, Jakobus 1:14, en hierdoor verlagen zij zich, maken zich niet slechts gering, maar hatelijk voor de heilige God, de heilige mensen en de engelen. Zonde is iets laags en maakt de mensen, meer dan iets anders, verachtelijk, Psalm 15:4. Eli's zonen hebben God licht geacht en Zijn offeranden verachtelijk gemaakt in de ogen des volks, maar de smaadheid is wedergekeerd in hun eigen boezem, zij hebben zich verachtelijk gemaakt. Zij, die de zonde van anderen niet tegengaan als zij er de macht toe hebben maken zich tot deelgenoten van hun schuld en zullen als hun medeplichtigen beschouwd en behandeld worden. Die met gezag bekleed zijn, zullen veel te verantwoorden hebben, indien zij het zwaard, dat zij dragen, niet tot een schrik doen zijn voor de boosdoeners.
2. Nopens de straf, het is wat Ik tegen zijn huis gesproken heb, vers 12, 13. Ik heb hem te kennen gegeven, dat Ik zijn huis rechten zal tot in eeuwigheid, dat is, dat er een vloek op zal rusten van geslacht tot geslacht. De bijzonderheden van deze vloek hadden wij tevoren, zij worden hier niet herhaald, maar er wordt bij gevoegd: A. Dat, wanneer dit vonnis zal beginnen ten uitvoer gelegd te worden, het een ontzetting zal wezen voor geheel Israël, vers 11. Al wie het horen zal, dien zullen zijn beide oren klinken. Iedere Israëliet zal door schrik en verbazing worden bevangen, als hij horen zal dat Eli's zonen gedood zijn, Eli zijn nek gebroken heeft, en het geslacht van Eli verstrooid werd. Heere, hoe vreeslijk zijt Gij in Uwe oordelen! Indien dit aan het groene hout gedaan wordt, wat zal aan het dorre geschieden? Gods oordelen over anderen moeten heilige vrees en ontzag in ons wekken, Psalm 119:120.
B. Dat dit ontzettend begin van de strafvoltrekking een zeker onderpand zal zijn van de voortgang en de voleinding er van. "Ik zal het beginnen, en zal er mee voortgaan, en voleinden alles wat Ik gesproken heb" vers 12. Er wordt te kennen gegeven, dat het mogelijk nog enige tijd duren zal, eer Hij zal beginnen, maar laat hen dat voor geen kwijtschelden houden, noch dit uitstel voor een begenadiging, want als Hij ten laatste zal beginnen, dan zal Hij ook voleinden.
C. Dat er geen hoop zal zijn op herroeping van dit vonnis, of dat de voltrekking er van verzacht zal worden, vers 14..
a. God zal het vonnis niet herroepen, want Hij heeft het bevestigd met een eed: Ik heb de huize van Eli gezworen, en wat God gezworen heeft, zal Hij niet terugtrekken, hetzij in genade of in oordeel.
b. Dat Hij nooit tot een schikking of bemiddeling zal komen voor het verbeurde. De ongerechtigheid des huizes Eli zal tot in van de eeuwigheid niet verzoend worden doorslachtoffer of spijsoffer. Geen verzoening zal gedaan worden voor de zonde, geen verzachting toegestaan worden van de straf. Dit was de onvolkomenheid van de offeranden van de wet, dat er ongerechtigheden waren die er niet door bereikt werden, die zij mei konden uitzuiveren, maar het bloed van Christus reinigt van alle zonden en beveiligt allen, die door geloof er in delen, tegen de eeuwigen dood, die de bezolding is van de zonde.
II. De overgave van deze boodschap aan Eli.
Merk op:
1. Samuëls bescheiden verbergen er van, vers 15.
a. Hij lag tot aan de morgen, en wij kunnen onderstellen dat hij wakker lag, peinzende over hetgeen hij gehoord had en het bij zichzelf herhalende, en overwegende welk gebruik hij er van moest maken. Als wij het geestelijk voedsel van Gods Woord hebben ontvangen, dan is het goed om kalm en rustig te zijn, en er tijd aan te geven om zijn werking te doen.
b. Hij deed de deuren van het huis des Heeren open in de morgen, zoals hij gewoon was te doen, daar hij het eerst op was in de tabernakel. Dat hij dit op andere tijden deed, was een voorbeeld van buitengewone gewilligheid in een kind, maar dat hij het deze morgen deed, was een voorbeeld van grote nederigheid. God had hem hoog bevoorrecht en geëerd boven al de kinderen zijns volks, toch was hij niet trots op de eer, noch er door opgeblazen, hij vond zich niet te "root en te goed om in deze geringe diensten gebruikt te worden, maar even goedsmoeds als altijd ging hij de deuren van de tabernakel opendoen. Hen, aan wie God zich openbaart, maakt en houdt Hij klein in hun eigen ogen, en gewillig om zich neer te buigen tot alles wat dienstbaar kan wezen aan Zijn heerlijkheid, al is het ook als dorpelwachters in Zijn huis. Men zou gedacht hebben dat Samuël zó vervuld was van zijn visioen, dat hij er zijn gewonen dienst door vergat, dat hij als in verrukking tot zijn metgezellen zou zijn gegaan, om hun mee te delen welk gesprek hij die nacht met God gehad heeft, maar hij houdt het bescheiden voor zich, verhaalt het visioen aan niemand, maar gaat stil aan zijn werk. Onze verborgen gemeenschap met God moet niet van de daken verkondigd worden.
c. Hij vreesde dit gezicht aan Eli te kennen te geven. Indien hij vreesde dat Eli vertoornd op hem zou zijn en hem zou berispen, dan zou ons dit reden geven te denken dat Eli even streng placht te wezen voor dit gewillige, volgzame kind, als hij toegevend was voor zijn eigen slechte zonen, en dat zou zeer hard voor hem geweest zijn. Maar wij willen onderstellen dat hij veeleer vreesde de goeden grijsaard smart te veroorzaken. Indien hij terstond met deze tijding tot Eli ware gegaan het zou de schijn hebben gehad alsof hij die vreeslijken dag begeerde, en hoopte zijn eigen geslacht op te bouwen op de puinhopen van Eli's geslacht, daarom betaamde het hem niet om er ijverig mee te zijn. Geen goed man kan genoegen vinden in het brengen van slechte tijdingen, inzonderheid Samuël niet aan Eli, de leerling aan de leermeester, die hij liefheeft en eert.
2. Eli's zorgvuldig vragen er naar, vers 16, Zodra hij Samuël hoorde, riep hij hem, waarschijnlijk aan zijn legerstede, en tevoren bespeurd hebbende, dat God tot hem had gesproken, noodzaakte hij hem, niet slechts door aandringen: Verberg het toch niet voor mij, maar, hem vreesachtig en terughoudend ziende, ook door een bezwering: God doe u zo, en zo doe Hij daartoe, indien gij een woord voor mij verbergt! Hij had reden genoeg om te vrezen dat de boodschap geen goeds voor hem inhield, maar kwaad, en toch kon hij, daar het een boodschap van God was, niet tevreden wezen om er onbekend mee te blijven. Een Godvruchtig man begeert bekend te zijn met el de wil van God, hetzij die gunstig of ongunstig voor hem is. Zijn bezwering: God doe u zo, en zo doe Hij daartoe indien gij een woord voor mij verbergt kan het schrikkelijk oordeel aanduiden, dat over ontrouwe wachters komen zal, indien zij de zondaren niet waarschuwen, zij brengen de toorn en de vloek over zich, die zij in de naam van God hadden moeten aankondigen aan hen, die in hun schulden wandelen.
3. Samuëls getrouw overbrengen van de boodschap ten laatste, vers 18. Hij gaf hem te kennen al die woorden, en verborg ze voor hem niet. Toen hij zag dat hij het hem zeggen moest, heeft hij de zaak niet bewimpeld, noch gepoogd haar beter te doen schijnen dan zij was, of hetgeen scherp was af te stompen, of de bittere pil te vergulden, maar gaf de boodschap zo duidelijk en volledig over als hij haar had ontvangen, niet achterhoudende, dat hij hem niet zou verkondigd hebben al de woorden Gods. Zo getrouw moeten ook Christus' dienaren handelen.
4. Eli's vrome berusting er in. Hij heeft niet aan Samuëls oprechtheid getwijfeld, was niet boos op hem, noch had hij iets in te brengen tegen de billijkheid van het vonnist Hij heeft niet, zoals Kam, geklaagd dat de straf zwaarder was dan hij verdiende of kon dragen, maar heeft zich geduldig onderworpen en de straf van zijn ongerechtigheid aangenomen. Hij is de Heere, Hij doe wat goed is in Zijn ogen. Hij begreep dat het vonnis slechts een tijdelijke straf bedoelde met de erfelijken vloek van oneer en armoede op zijn nakomelingen, maar niet hun eeuwige uitsluiting van Gods gunst, en daarom heeft hij zich blijmoedig onderworpen, hij heeft niet gemord, omdat hij het wangedrag kende van zijn familie, ook heeft hij nu geen voorbede gedaan om de herroeping van het vonnis, omdat God het door een plechtigen eed had bevestigd, die Hem niet zou kunnen berouwen. daarom bereidt hij zich tot een ootmoedige onderworpenheid aan Gods wil, evenals Aaron in een geval, dat er niet zeer ongelijk aan was, Leviticus 10:3, hij zweeg stil. In enkele woorden.
a. Spreekt hij de rustgevende waarheid uit: "Hij is de HEERE, Hij is het, die het oordeel uitspreekt, en van wiens gericht geen hoger beroep is, en tegen wiens uitspraak niets ingebracht kan worden. Hij is het, die het vonnis zal uitvoeren, wiens macht niet weerstaan kan worden, noch wiens vrijmacht kan worden betwist. Hij is de HEERE, die zich aldus zal heiligen en verheerlijken. Hij is de HEERE, bij wie geen ongerechtigheid is, die geen van Zijn schepselen ooit onrecht gedaan heeft, noch ooit doen zal, en niet meer eist dan hun ongerechtigheid verdient."
b. Hieruit komt hij tot de rustgevende gevolgtrekking: Hij doe wat goed is in Zijn ogen, ik heb niets te zeggen tegen Zijn handelingen, Hij is rechtvaardig in al Zijn wegen, en heilig in al Zijn werken, en daarom: "Zijn wil geschiede, ik zal des HEEREN gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd." Aldus behoren wij stil te zijn onder Godsbestraffingen en nooit met onze Maker te twisten.