8. En ik zag en zie, een vaal paard, van bleke geelachtige kleur, evenals van een lijk en die daarop zat, zijn naam was de dood; en de hel (Grieks "Hades"
1 Koningen 1:35 "
Job 7:9 volgde hem na, bereid om de vele offers, die hij zou eisen, in zich op te nemen, terwijl reeds nu tot zichtbare voorstelling van deze offers lange schaar van schimmen, van gedaanten van de dood achter de ruiter trokken. En hun, de dood en de hel (liever leest men "hem" namelijk de dood) werd macht gegeven in de strijd, die de tweede ruiter onder aanvoering van de eerste had teweeg gebracht en wiens nood onder de druk van de derde tot een vreselijke hoogte gerezen was, om te doden tot het vierde deel van de aarde, d. i. van de bewoners van het land met de vier zware straffen (
Ezechiel 14:21), met zwaard en met honger en met de dood door ziekten en pest en door de wilde dieren van de aarde, wie zij ten spijze werden voorgeworpen en waardoor zij in de ontvolkte landen verdelgd zouden worden (
Leviticus 26:22.
2 Koningen 17:26).
Het getal van de omgekomenen gedurende de belegering van Jeruzalem wordt geschat op 1 miljoen en 100. 000 mensen. Omdat nu reeds vroeger onder Cestius Gallus een telling had uitgewezen, dat de stad 2. 700. 000 gezonden bevatte, bestaat het getal van de omgekomenen in het geheel wel het vierde deel van het volk. Voor verreweg het grootste gedeelte bleef Israël in het leven bewaard, maar alleen om in alle winden verstrooid te worden. Van de drie delen in Ezechiel 5:1, staat dus het derde deel van de overigen tot de beide andere delen als drie vierde tot een vierde. En nu is het merkwaardig, dat dit onder alle volken van de aarde verstrooide volk, zoals de statistische berichten aanwijzen, in getal noch bijzonder verminderd noch bijzonder vermeerderd is, maar het ledental in werkelijkheid gelijk blijft aan dat, dat het na het oordeel over Jeruzalem gehad heeft (8-10 miljoen). Evenals dit voor de juistheid van onze verklaring spreekt, zo ook nog in het bijzonder de boven aangehaalde plaats uit de profeet Ezechiël, die ons zo bepaald als maar mogelijk is op het oordeel over Jeruzalem en het volk van Israël wijst, dat een andere verklaring in het geheel niet in de gedachte moest komen.
Een vaal paard is het zinnebeeld van de dood. De ruiter is degene, die het geweld van de dood heeft, de duivel, Hebreeën 2:14; die hem volgt vertegenwoordigt de onderwereld. Dood en hel rijden door de wereld rond, heet dus hetzelfde als: Alle duivels en afgrondsgeesten heersen op aarde en hebben in het beest uit de afgrond (11:7), eerst als volksheerschappij, dan als alleenheerschappij van de Antichrist, over de mensheid een macht bekomen als hun nog nooit ten deel viel. Duidde het derde zegel de heerschappij van Mohammedanisme en Pausdom aan, dan worden wij vanzelf door het vierde op de volgende macht, op het tijdperk gewezen, wanneer het woord bewaarheid wordt (Openbaring 2:13): "Wee degenen, die de aarde en de zee bewonen! want de duivel is tot u afgekomen en heeft grote toorn, wetend, dat hij een kleine tijd heeft. " Het viertal plagen is een uitdrukking voor de viervoudige openbaring van de toorn van God tegen de goddelozen, zoals de vier Cherubs een viervoudige uitstroming van scheppingskrachten in de wereld te kennen geven.
Wee! Hier worden al de plagen van de beide vorige ruiters bijeengevoegd en tot het uiterste opgevoerd. De bloedige tweedracht is geworden tot een oorlog, die alom dood en verderf verspreidt. De schaarsheid is geklommen tot een geduchte hongersnood. Daarbij besmettelijke ziekten en vergiftige, dodende dieren. En dat alles op éénmaal! Hoor hier het onderwijs van Jezus zelf; daar zegt de Heere van het rode en het zwarte paard: "en u zult horen van oorlogen en geruchten van oorlogen, zie toe en wordt niet verschrikt; want al die dingen moeten geschieden, maar nog is het einde niet. " Nu evenwel begint Hij te spreken van de verschijning van het vale paard. Geen afzonderlijke oorlogen worden meer gevoerd, maar een alhele krijg van allen tegen allen; op de hele aardbodem waart een verwoestend geweld van mensen tegen mensen; want de Heere vervolgt: "want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan en het een koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en daar zullen zijn hongersnoden en pestilentie en aardbevingen in verscheidene plaatsen. Maar al deze dingen zijn slechts een begin van de smarten. " Zo zijn ook deze akeligheden nog geenszins de voortekenen van het einde van de wereld, maar slechts de aanvang van de rampen, zoals dan ook in dit openbaringsgezicht nog drie andere zegels op het vierde volgen: Bleek en vaal is de dood. zoals de eerste ruiter de naam heeft van "oorlog", de tweede "schaarsheid" heet, zo draagt de derde de naam van "dood. " Vier dienaren zijn er, die het woeden van de dood aanbrengen: moorddadige oorlogen, hongersnood, pest en vergiftige of verscheurende dieren, die in de ontvolkte landen de overhand nemen. Maar naast deze werken nog andere geselroeden van God: aardbeving, brand en watersnood. De dood wordt gevolgd door de "hel", niet de Gehenna, maar de Hades, de plaats, waar de zielen van de goddelozen na de dood zich ophouden tot op het eindelijke wereldgericht. Ontzettend denkbeeld! Die "hel" volgt op de "dood! " Zo is "sterven" en "in de hades komen" één in het gericht van God over de goddeloze, tegen Jezus vijandige wereld! Wat moet het lot zijn van hen, die in de rampen en bezoekingen van onze tijd als onbekeerlijke, hardnekkige zondaars gestorven, of in de strijd tegen God en Zijn heilige wetten gevallen zijn!
Op deze tijdelijke overwinning volgen de drie grote plagen: krijg, hongersnood en pest. Het rode paard herinnert aan het vergieten van bloed, het zwarte aan dagen van rouw, het vale (d. i. bleke, lijkkleurige) aan de dood. De "mate tarwe" heet Gr. "choenix" en hield omstreeks zoveel in als een matig levend mens voor een dag nodig had. Deze maat zou "een penning", d. i. een denarius, omstreeks 30 cents, kosten, zoveel als een daggeld van die tijd (Mattheus 20:2, 9), waaruit blijkt dat de sterkste mannen met inspanning in hun nooddruft zouden voorzien. Deze hongersnood zou te erger zijn, omdat aan voorwerpen van weelde, olie en wijn, geen gebrek zou wezen. Een beeld van ontzettende ellende in een vervallen tijd, die de mindere klasse vreselijk teistert, terwijl de hogere haar aanvankelijk niet ondervindt. Tegelijk moeten de nauwkeurig opgegeven maten aanduiden hoezeer de hoop en het tijdperk van de plaag geheel in Gods hand gelegen zijn. De vierde ruiter, de "dood" volgt de "hel", het dodenrijk, op de voet, om allen die hij heeft omgebracht meteen op te nemen. "Zwaard en honger" zijn de beide vurige plagen: "dood" is de pest, waarmee te kennen wordt gegeven dat deze plaag de beide vorige tevens in zich opneemt.
Of bleekgroen, zoals de bladeren zijn, die verdorren, waardoor bekwamelijk verstaan worden de menselijke inzettingen en superstitiën, waardoor de aangezichten worden versteld (Mattheus 6:16) en de Kerk van Christus van haar gezonde leer gaandeweg beroofd en de mensen van Christus' verdiensten tot hun eigen verdiensten en tot andere middelaars en gronden van de zaligheid en haar verderf worden vervoerd. Mattheus 15:8, 9, 23:14 Galaten 5:4 Colossenzen 2: 18 welke superstitiën en menselijke inzettingen na deze ketterijen in de Kerk van Christus zijn ingebroken en hebben de weg gaandeweg tot het Antichristendom geopend.
Het zou er hier zo duister uitzien, de vervolging zou zo zwaar zijn en zo lang duren, dat er geen doorzien aan was, zodat het scheen dat het met de Kerk en het Christendom gedaan zou zijn; daarom was hier de hoogvliegende en scherpziende arend, zeer verlichte leraars nodig, die niet naar het uiterlijk aanzien oordeelden, maar die het oog hadden op de almacht, waarheid en onveranderlijkheid van God en zich daardoor verzekerd hielden en de gemeente verzekerden, dat de poorten van de hel de gemeente van God niet zouden overweldigen. Het zinnebeeld is: En ik zag en zie, een vaal paard en die daarop zat, zijn naam was de dood; en de hel volgde hem na. Dit vertoont de Kerk in de uiterste ellende en nabij haar hele uitroeiing, zoals zij geweest is in de tijden van keizer Diocletianus, die in 294 eindigde. Vaalheid is een afschuwelijke kleur, evenals de naam van de dood en de hel, dat is niet de verdoemenis; want deze dingen zouden de hel overkomen en er is geen verdoemenis voor hen, die in Christus Jezus zijn; maar de hel betekent hier het graf, zoals vaker in de Schrift; het graf ontvangt de doden; hierop ziende zegt men dat de hel op de dood volgt. De verklaring van het zinnebeeld wordt daarbij gedaan: En hun, de dood en de hel, werd macht gegeven, het is niet in de macht van de vijanden de Kerk naar hun welgevallen te behandelen, maar God geeft hun macht en laat hun boosheid los, zover als Hij wil; verder kunnen zij niet. Hij bepaalt hun woede tot een strobreed, tot een enig haar toe. Om te doden tot het vierde deel van de aarde; door de aarde wordt niet alles verstaan wat buiten de Kerk is, die de hemel genoemd zal worden, het ene en het andere is mis, maar hier wordt van de staat van de Kerk gesproken en de doden zijn de leden van de Kerk, die wij meteen onder het vijfde zegel zullen horen roepen: Hoe lang. wreekt U ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen? De strijdende Kerk is op aarde en maakt het beste en soms wel een groot gedeelte van de aarde uit en was toen over de hele aarde verspreid. Er zou zo'n bloedige vervolging tegen de Kerk aangericht worden, zodat het scheen alsof er geen overblijfsel gelaten zou worden, hoewel het vierde gedeelte, een bepaald getal voor een onbepaald, dat is weinigen, in vergelijking met de gedoden, door de bewaring van God zouden overblijven. De middelen, waardoor deze verwoesting zou geschieden, waren: Met zwaard en met honger en met de dood, dat is, pestilentie en door de wilde beesten van de aarde, waarvoor men de Christenen wierp, die ze verscheurden en opaten. Het ging er verschrikkelijk toe, niemand mocht burger of ingezetene zijn, of hij moest de heidensen afgoden offeren; die dat niet doen wilde, was een man van de dood; een Christen mocht noch ambacht, noch nering doen, hun goederen werden hun ontnomen, hun bleef geen middel over om van te leven, kerken en scholen werden neergeworpen, alle vergaderingen werden op de dood verboden, de vervolging was algemeen over de hele wereld, hele steden van de Christenen werden uitgemoord, kerken vol Christenen werden verbrand, een geheel legioen van 6. 000 of 10. 000 werden geslacht; daar was einde noch maat aan het bloedvergieten, het bloed maakte kleine poelen, de rivieren waren rood, de slachters moesten elkaar verpozen, men bedacht allerlei wrede wijzen van doden; roosters, metalen ossen, palen, waarop men de Christenen met gepekte stof omwonden, zette en zo in brand stak, dienden voor lantaarns; men zette ze in schepen, zonder roer of zeilen, zonder voedsel en drank en liet ze zo zeewaarts drijven; men trok hen met vier paarden van elkaar; het land stonk van onbegraven Christenen; de honden waren zo gewend mensenvlees te eten, dat zij op het laatst de levenden aantastten; dit duurde 10 jaren na elkaar.
Het vale paard wijst op de verdere verdrukking van de Kerk; zij was te voren als hijgend en bezwijkend, maar nu nadert zij de dood. De ruiter wordt met een vreselijke naam genoemd, waardoor te kennen wordt gegeven een aanbrengen van de dood aan velen. Hij wordt de dood genoemd, om de wrede soort van dood, waaraan de Christenen onder deze wrede vervolgingen onderworpen zouden zijn, die alle de vorige zou overtreffen. De dood en de sterfelijkheid zouden zo algemeen zijn, dat er in alle plaatsen graven waren. Het woord "hel" wordt liever met "graf" vertaald, niet alleen omdat in het Hebreeuws en Grieks het woord beiden betekent, maar omdat zij ook gewoon zijn, als zij een hopeloze toestand zullen uitdrukken, dood en graf samen te voegen (Job 17:1, 13) en omdat ook deze dood in het bijzonder betrekking heeft op de Kerk.
IV. Vers 9-17. De aanwijzing door het vierde zegel gegeven, dat slechts het vierde deel van het Joodse volk in de catastrofe, die het wacht, zal omkomen en verreweg het grootste gedeelte zou behouden blijven, doet de vraag oprijzen: van waar het dan komt, dat de Heere ook nu nog het woord zegt (Jeremia 4:27; 5:18): "Ik zal geen voleinding maken", omdat toch de wraak voor het rechtvaardige bloed, dat door Jeruzalem vergoten is (Mattheus 23:29), niet slechts de ondergang van de stad en de tempel, maar de uitroeiing van de hele natie eist. De vraag is volkomen gerechtigd en wordt daarom bij het openen van het vijfde zegel onmiddellijk in de mond gelegd van de zielen, wier bloed op de meest godslasterlijke en misdadige wijze bij het altaar vergoten is, het luidst om wraak roept, maar ook tevens gezegd, dat de volle wraak tot latere tijd bewaard moet blijven, wanneer die vanwege dezelfde misdaden aan de geroepenen uit de heidenen gepleegd zal worden volvoerd. Daarentegen bevat het gericht, dat nu volgt, de volkomenste rechtvaardiging voor hen. Het hierop geopende zesde zegel wijst vervolgens op de grote verandering van de hele toestand van de wereld, die met wegruimen van het eigenlijke verbondsvolk begint en wijst de vervulling aan van hetgeen de Heere bij Zijn wegvoering naar Golgotha aan de vrouwen, die Hem beweenden, verkondigde (Lukas 23:27) in de verschrikkingen en angsten bij de verwoesting van Jeruzalem. Deze is reeds in waarheid een dag van de toorn en een openbaring van de heerlijkheid van de ter rechterhand verhoogde Mensenzoon en toch eerst het voorbeeld van een nog andere dag van toorn en van een nog andere openbaring van heerlijkheid, zoals die dan ook in Mattheus 24, 25 in zo'n vorm voorkomt.