Openbaring 6:3-8
De drie volgende zegelen geven ons een treurig vooruitzicht van grote en bedroevende oordelen, met welke God hen straft, die het eeuwig Evangelie weigeren of misbruiken. Ofschoon sommigen deze zegels verstaan van de vervolgingen, die over de gemeente van Christus komen zouden, en anderen er de verwoesting van den Joodsen staat in zien, schijnen zij meer algemeen Gods verschrikkelijke oordelen voor te stellen, waardoor Hij den twist Zijns verbonds wreekt op degenen, die het licht achten.
I. Bij de opening van het tweede zegel, waartoe Johannes geroepen wordt om die bij te wonen, verschijnt een ander paard van andere kleur dan het vorige: een rood paard, vers 4. Dit vertegenwoordigt het vreeslijke oordeel van oorlog, hem, die op dat paard zat, werd macht gegeven den vrede weg te nemen van de aarde, en dat zij (de bewoners der wereld) elkaar zouden doden. Het is niet met zekerheid te zeggen wie hij was, die op dit rode paard zat: Christus zelf als de Heere der heirscharen, of een van de werktuigen, die Hij verwekt heeft om de oorlogen te voeren, maar dit staat vast:
1. Zij, die zich niet onderwerpen willen aan den boog van het Evangelie, moeten verwachten in stukken gehouwen te worden door het zwaard der goddelijke gerechtigheid.
2. Jezus Christus regeert en heerst niet alleen in het koninkrijk van genade, maar ook in het koninkrijk der voorzienigheid.
3. Het oorlogszwaard is een verschrikkelijk oordeel, het neemt den vrede, een van de grootste zegeningen, van de aarde en maakt dat de mensen elkaar doden. De mensen, die geroepen zijn elkaar lief te hebben en te helpen, worden door den oorlog opgezet om elkaar te doden.
II. Bij de opening van het derde zegel, die Johannes bevolen werd bij te wonen, verscheen een ander paard, verschillend van de vorige: een zwart paard, dat het verschrikkelijk oordeel van den hongersnood voorstelde. En die daarop zat had een weegschaal in de hand, vers 5, aanduidende dat de mensen hun dagelijks brood zuinig moeten uitwegen, zoals reeds bedreigd was in Leviticus 26:26 :Als Ik u den staf des broods zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in een oven bakken, en zullen uw brood bij het gewicht wedergeven, en gij zult eten, maar niet verzadigd worden. In vers 6 volgt: En ik hoorde ene stem: Een maatje tarwe voor een penning, en drie maatjes gerst voor een penning, en beschadig de olie en den wijn niet. Sommige uitleggers maken daaruit op, dat dit geen visioen van hongersnood maar van overvloed was, maar die mening wordt weerlegd, wanneer wij de hoegrootheid van de maat en de waarde van een penning, ten tijde van deze profetie, in aanmerking nemen, want een maatje is niet meer dan op zijn hoogst een halve liter, en de penning was naar de tegenwoordige geldswaarde op zijn minst een gulden, en dat is een groot bedrag voor zulk een kleine hoeveelheid voedsel. Het schijnt echter dat ook deze hongersnood, als meestal, het zwaarst op de armen drukt, want de olie en de wijn, weeldeartikelen voor de rijken, worden niet beschadigd, maar wanneer de staf des broods verbroken wordt, kunnen weeldeartikelen de plaats daarvan niet vervangen.
1. Wanneer een volk het geestelijk voedsel verwaarloost, kan God het rechtvaardig van het dagelijks brood beroven. 2. Een oordeel komt zelden alleen, het oordeel van den oorlog brengt vanzelf dat van den hongersnood in zijn gevolg mede, en zij, die zich onder het ene oordeel niet willen verootmoedigen, moeten een ander en groter verwachten, want God zal de sterkere zijn tegenover hen, die met Hem twisten. Hongersnood is een verschrikkelijk oordeel, maar honger naar het Woord is erger, ofschoon zorgloze zondaren daar ongevoelig voor zijn.
III. Bij de opening van het vierde zegel, dat Johannes na daartoe geroepen te zijn, ziet, verschijnt een ander paard, een vaal paard. Merk hier op:
1. Den naam van den berijder: De Dood, de koning der verschrikking, de pestilentie, de dood in zijn volle macht, de dood heersende over een plaats of een volk, de dood te paard, uitrijdende en van uur tot uur nieuwe overwinningen behalende.
2. De lijfwacht, of het gevolg, van dezen koning: De hel, een toestand van eeuwige rampzaligheid voor hen, die in hun zonden sterven, en in tijden van zulke algemene verwoesting gaan menigten onvoorbereid de vallei des doods binnen. Het is een ontzagwekkende gedachte en genoeg om een gehele wereld te doen sidderen, dat de eeuwige verdoemenis terstond volgt op den dood van den onbekeerden zondaar.
A. Er is natuurlijke zowel als gerechtelijke verhouding tussen het ene oordeel en het andere. De oorlog veroorzaakte verwoesting en daarvan zijn schaarsheid en hongersnood de natuurlijke gevolgen, en de hongersnood, die den mens berooft van zijn gewone onderhoud en hem dwingt ongezonde en zelfs schadelijke dingen te eten, verwekt dikwijls pestilentie.
B. Gods pijlkoker is vol pijlen, Hij weet steeds middelen en wegen om de goddelozen te straffen.
C. In het boek van Gods raadsbesluiten heeft Hij de oordelen voorbereid voor de hardnekkigen, zowel als de barmhartigheden voor terugkerende zondaren.
D. In het boek der Schrift heeft God bedreigingen tegen de goddelozen afgekondigd zowel als beloften voor de rechtvaardigen, en onze plicht is het op de bedreigingen zowel als op de beloften acht te geven.
IV. Na de opening van deze zegels van naderende oordelen en de bijzondere mededeling daarvan, vinden wij deze algemene opmerking: En hun werd (door God) macht gegeven om te doden tot het vierde deel der aarde met het zwaard, en met den honger, en met den dood, en door de wilde beesten der aarde, vers 8. Hij gaf hun (dat is dezen werktuigen van Zijn toorn of aan deze oordelen zelf) macht, Hem, die de winden in Zijn hand houdt, staan alle algemene onheilen ten dienste, en zij kunnen gaan alleen daar waar en niet verder dan Hij beveelt. Aan de drie grote oordelen van oorlog, hongersnood en pestilentie worden hier de wilde beesten der aarde toegevoegd, een ander van Gods pijnlijke oordelen, ook in Ezechiël 14:21 genoemd en hier vermeld in de laatste plaats, omdat, wanneer een land ontvolkt is door het zwaard, den hongersnood en de pestilentie, de geringheid van het overblijfsel, dat in de dorre huilende wildernis nog gevonden wordt, het wild gedierte aanmoedigt om het te overvallen, en het daarvan een gemakkelijke prooi wordt. Anderen verstaan onder de wilde beesten der aarde beestachtige, wrede en wilde mensen, die zich van alle menselijkheid ontdaan hebben en zich verblijden wanneer zij anderen kunnen vernielen.