Openbaring 10:1-7
Hier hebben wij de mededeling van een ander gezicht, waarmee de apostel begunstigd werd, tussen het blazen van de zesde en de zevende bazuin. En wij merken op:
I. Den persoon, die voornamelijk bezig was met de mededeling van deze openbaring aan Johannes, een anderen sterken engel, afkomende van den hemel, welke ons zo voorgesteld wordt dat men niet anders denken kan dan dat onze Heere Jezus Christus zelf er mede bedoeld wordt.
1. Hij was bekleed met een wolk, Hij omsluiert Zijne heerlijkheid, die te groot is om door stervelingen aanschouwd te worden, en Hij werpt een sluier over Zijne beschikkingen.
Wolken en donkerheid zijn rondom Hem.
2. Een regenboog was boven Zijn hoofd. Hij is altijd gedachtig aan Zijn verbond en ofschoon Zijn houding zeer geheimzinnig is, zo zijn toch al Zijn daden volmaakt en rechtvaardig en getrouw.
3. Zijn aangezicht was als de zon, vol luister, glans en majesteit, Hoofdstuk 1:16.
4. En Zijne voeten waren als pilaren van vuur, al Zijn wegen, beide van genade en voorzienigheid, zijn zuiver en standvastig.
II. Zijn plaats en houding. Hij zette Zijn rechtervoet op de zee en den linker op de aarde, om aan te tonen de onbeperkte macht en heerschappij, welke Hij over de wereld heeft. En Hij had in Zijne hand een boeksken, dat geopend was, waarschijnlijk hetzelfde dat tevoren verzegeld geweest was, maar nu geopend en dat trapsgewijs door Hem vervuld was.
III. Zijn ontzagwekkende stem. Hij riep met een grote stem, gelijk een leeuw brult, vers 3, en Zijn machtige stem werd weerkaatst door zeven donderslagen, zeven plechtige en vreeslijke middelen om den wil van God te openbaren.
IV. Het verbod, dat aan den apostel gegeven werd van openbaar te maken wat de zeven donderslagen gesproken hadden. Hij moest dat verzegelen, vers 4. De apostel wilde bewaren en mededelen alles wat hij in deze verschijningen zag en hoorde, maar de tijd was nog niet gekomen.
V. De plechtige eed door dezen engel afgelegd.
1. Zijn wijze van eedzweren. Hij hief Zijne hand op naar den hemel en Hij zwoer bij Dien, die leeft in alle eeuwigheid, bij zich zelven, of bij God als God, op wie Hij als Heere, Verlosser en Regeerder van de wereld zich nu beroept.
2. De inhoud van Zijn eed. Dat er geen tijd meer zijn zal. Dat is:
A. Dat de vervulling van de voorzeggingen, welke dit boek bevat, niet langer zal uitgesteld worden dan totdat de laatste engel de bazuin zou blazen, dat dan alles tot spoedige vervulling komen zou. Maar in de dagen der stem van den zevenden engel, wanneer hij bazuinen zal, zo zal de verborgenheid Gods vervuld worden, vers 7. Of:
B. Dat wanneer deze verborgenheid Gods vervuld is, dan de tijd zelf zal ophouden te bestaan, aangezien die de maat is voor de zichtbare, vergankelijke dingen, maar dan zullen ten laatste alle dingen in gevestigden toestand komen en dus de tijd opgaan in de eeuwigheid.