Deuteronomium 13:1-5
I. Hier is een vreemde onderstelling, vers 1, 2.
1. Het is vreemd, dat er iemand onder hen zou opstaan, inzonderheid iemand die aanspraak maakt op visioen en profetie, die hen zou bewegen om andere goden te dienen. Was het mogelijk dat iemand, die zoveel kennis had van de methoden van de Goddelijke openbaring, dat hij instaat was een profeet voor te stellen, toch zo weinig kennis had van de aard en de wil Gods, dat hijzelf andere goden gaat dienen en ook anderen verleidt om dit te doen? Kon een Israëliet zich ooit aan zo'n goddeloosheid schuldig maken? Kon een man van verstand ooit tot zulk een ongerijmdheid vervallen? Wij zien het in onze eigen dagen, en kunnen het daarom ook minder vreemd vinden. Er zijn menigten van mensen, die er aanspraak op maken beide geleerd en godsdienstig te zijn en toch zichzelf en anderen aansporen niet alleen om God te aanbidden door beelden maar om Goddelijke eer te geven aan heiligen en engelen, hetgeen niet beter is dan andere goden na te volgen en te dienen, zodanig is de kracht van de dwaling.
2. Nog vreemder is het dat het teken of wonder ter bevestiging van die valse leer komt. Kan men denken dat God zelf zo'n snood denkbeeld zou ondersteunen? Heeft ooit een valse profeet een waar wonder gewerkt? Hier wordt dit slechts ondersteld, en wel om twee redenen.
a. Om kracht bij te zetten aan de waarschuwing tegen het luisteren naar zo iemand. AI zou het ook mogelijk zijn, dat hij een waar wonder werkt, moet gij hem toch niet geloven, als hij u zegt dat gij andere goden moet dienen, want de Goddelijke wet daartegen is eeuwig en onveranderlijk. De onderstelling is als die in Galaten 1:8, Al ware het ook dat wij, of een engel uit de hemel, u een Evangelie verkondigden, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, hetgeen de mogelijkheid niet bewijst, dat een engel een ander Evangelie zou verkondigen, maar op krachtige wijze de zekerheid en bestendigheid aanduidt van het Evangelie, dat wij ontvangen hebben.
b. Om hen te sterken tegen het gevaar van bedriegerij en wonderen van de leugens, 2 Thessalonicenzen 2:9. Gesteld eens dat de geloofsbrieven, die hij overlegt, zo kunstig nagemaakt zijn, dat gij het bedrog niet kunt ontdekken, en dus ook niet kunt wederleggen maar als zij strekken om u tot de dienst van andere goden te brengen, dan is dit alleen reeds voldoende om ze te wederleggen, geen getuigenis of bewijs kan toegelaten worden tegen zo'n klaarblijkelijke waarheid als die van de eenheid van de Godheid, en zo'n duidelijke wet als die om de enig levende en ware God te aanbidden." Wij kunnen niet onderstellen dat de God van de waarheid Zijn zegel van wonderen zou hechten aan een leugen, zo'n grove leugen als verondersteld wordt in deze verzoeking: laat ons andere goden navolgen en dienen. Maar indien men zou vragen: Waarom werd het die valse profeet toegelaten, om dit grootzegel na te maken? Dan is hier het antwoord, vers 3. "De Heere, uw God, verzoekt ulieden. Hij laat het toe, dat gij door deze verzoeking wordt aangevallen, om uw standvastigheid op de proef te stellen, opdat zowel zij, die volharden, als zij, die vals en verdorven zijn, openbaar worden. Het is om u te beproeven, ziet dus toe dat gij u wèl gedraagt onder deze beproeving, en uw standpunt handhaaft."
II. Hier wordt een zeer noodzakelijk bevel gegeven voor zo'n geval.
1. Niet toe te geven aan de verzoeking, vers 3. Gij zult naar de woorden van die profeet niet horen. Niet alleen zult gij niet doen waartoe hij u verleidt, maar gij zult niet eens met geduld de verleiding aanhoren, maar haar met de uiterste minachting en verfoeiing afwijzen. Een voorstel als dit moet niet eens besproken worden, het oor moet er voor worden gestopt: "Ga achter mij, Satan". Sommige verzoekingen zijn zo grof en snood dat er nooit over gedebatteerd kan worden, ja wij mogen er niet eens naar luisteren. Wat volgt in vers 4, de Heere, uw God, zult gij navolgen kan beschouwd worden:
a. Als voorschrijvende een voorbehoedmiddel tegen de verzoeking: "Houdt u dicht aan uw plicht, en gij zult het kwaad uit de weg blijven". God verlaat ons nooit voor wij Hem verlaten. Of
b. Als ons voorziende van een antwoord op de verzoeking. Zeg: "Er is geschreven: De Heere, uw God, zult gij navolgen en Hem aanhangen. Wat heb ik dan met afgoden te doen?"
2. De verleider niet te sparen, vers 5. Die profeet zal gedood worden, beide om hem te straffen voor de aanslag, die hij gedaan heeft, (de verleider moet sterven, al werd ook niemand door hem verleid, een aanslag op de kroon is verraad) en om te voorkomen, dat hij nog meer kwaad doet. Dit wordt genoemd het boze weg te doen. Er is geen ander middel om de schuld weg te nemen dan door de schuldigen weg te doen, indien zo'n misdadiger niet gestraft wordt, dan maken zij, die hem behoorden te straffen, zich er voor aansprakelijk. En aldus moet het kwaad weggenomen worden, door het verrotte lid af te snijden wordt de besmetting gestuit. Tegen zulke gevaarlijke krankheden moeten terstond afdoende maatregelen genomen worden.