Jeremia 14:10-16
De handeling tussen God en Zijn profeet in dit hoofdstuk, lijkt veel op die tussen de eigenaar en de wijngaardenier over de kale vijgeboom, Lukas 13:1. De rechtvaardigheid van de eigenaar veroordeelt hem om omgehouwen te worden, de lankmoedigheid van de wijngaardenier komt tussenbeide voor een uitstel. Jeremia had ernstig tot God gebeden om in genade tot Zijn volk terug te keren. Hier:
I. Verwerpt God het pleidooi, dat hij te hun gunste gehouden had, en toont hem, dat het onhoudbaar is. In antwoord daarop spreekt Hij aldus over dit volk, vers 10. Hij zegt niet: over Mijn volk, want Hij verloochent ze, omdat zij het verbond met Hem verbroken hadden. Het is waar, dat zij naar Zijn naam genoemd waren, en de tekenen, van Zijn tegenwoordigheid onder hen hadden, maar zij hadden gezondigd en tergden God om zich te onttrekken. Dit had de profeet erkend en desondanks had hij gehoopt genade voor hen te verkrijgen, door zijn tussenkomst en door offerande, daarom zegt God hier tegen hem:
1. Dat zij rechtens niet in aanmerking kwamen voor vergeving. De profeet had erkend, "dat hun afkeringen vele" waren, en, hoewel dat zo was, was er toch hoop voor hen, zo zij zich bekeerden. Maar "dit volk toont volstrekt geen neiging om zich te bekeren, zij hebben gedwaald en zij hebben liefgehad te zwerven, " hun afkeringen zijn hun keus en hun vermaak geweest, hoewel zij hun schaamte en verdriet moesten zijn, en daarom zullen zij hun verderf zijn. Zij kunnen niet verwachten, dat God bij hen Zijn rust nemen zal, als zij er zoveel vermaak in hebben van Hem af te wijken de afgoden achterna. Het is niet door noodzaak of zorgeloosheid dat zij afzwerven, maar zij hebben lief te zwerven. Zondaars zijn zwervers van God, hun zwerven doet hun Gods gunst verbeuren, maar het is hun liefde tot zwerven, die er hen geheel van afsnijdt. Hun was gezegd, waar hun zwerven op uit zou lopen, dat de ene zonde hen tot de andere zou brengen, en alle tezamen tot ondergang, toch hebben zij zich niet laten waarschuwen en "hun voeten niet bedwongen". Zo ver waren zij er vandaan zich tot God te bekeren, dat noch Zijn profeten, noch Zijn oordelen hen konden bewegen, zich ook maar enigszins in te houden op hun zondige weg. Dat is het, wat God nu met hen afrekent. Als Hij hun zegen van de hemel weigert, gedenkt Hij hun ongerechtigheid en bezoekt hun zonden, dat is de reden, waarom hun vruchtbaar land met onvruchtbaarheid geslagen is.
2. Dat zij geen reden hadden te verwachten, dat de God, die zij verworpen hadden, hen zou aannemen, zelfs niet, al begaven zij zich tot vasten en gebed, en al joegen zij zich op kosten door brandoffers en offerande: De Heere heeft geen welgevallen aan hen, vers 10. Want hoe kan de heilige God welgevallen hebben aan hen, die welgevallen hebben aan Zijn mededingers, aan elken dienst, aan elk gezelschap, meer dan aan het Zijne? Of zij al vasten, vers 12, hetgeen een gepaste uitdrukking is van berouw en verbetering, -of zij al brandoffer en spijsoffer offeren, die bedoeld waren als uitdrukking van het geloof in een Middelaar, -ofschoon hun gebeden aldus opgedrongen en geofferd werden, in de vorm, die wel aangenaam placht te zijn, toch zal Ik naar hun geschrei niet horen, hoe luid het ook zij, omdat het niet voortkomt uit een nederig, berouwvol, en vernieuwd hart, want zij hebben nog lief te zwerven, ook zal Ik aan hen geen welgevallen hebben, noch aan hun persoon, noch aan hun verrichtingen. Lang geleden was al verklaard: "Het offer des goddelozen is de Heere een gruwel, en alleen voor hen is er verhoging, die weldoen, Genesis IV: 7.
3. Dat zij alle weldaden verbeurd hadden door de gebeden van de profeet voor hen, omdat zij geen acht geslagen hadden op zijn prediking. Dat is de bedoeling van het verbod, herhaaldelijk aan de profeet gegeven, vers 11 :Bid niet voor dit volk ten goede, als te voren, Hoofdstuk 7:16, 11:14. Dit was geen verbod om aldus zijn genegenheid jegens hen uit te spreken, (Mozes ging voort voor Israël te spreken, nadat God gezegd had: "Laat mij toe", Exodus 32:10, maar het belette hun enig resultaat daarvan te verwachten, zolang zij hun oor afwendden "van de wet te horen." Aldus werd het vonnis van de onboetvaardigen bekrachtigd, zoals dat van Sauls verwerping door het woord tot Samuël: "Hoe lang draagt gij leed om Saul?" Daarom volgt hier, vers 12, Ik zal ze verteren niet alleen door deze hongersnood, maar door nog meer pijnlijke oordelen, door het zwaard en door pestilentie, want God heeft vele pijlen in Zijn pijlkoker en die niet door het een overtuigd en op het rechte pad gebracht worden, zullen worden verteerd door een ander.
II. De profeet komt met een andere verontschuldiging voor de hardnekkigheid van het volk, en het is ook niet meer dan een verontschuldiging, maar hij was bereid alles te zeggen, wat hun zaak toeliet, en wel: Dat de profeten, die voorgaven een last van de hemel te hebben, hen bedrogen en hen vleiden met verzekeringen van vrede, al gingen zij voort op hun zondige weg, vers 13. Hij spreekt er over op een toon van beklag: "Ach Heere, Heere, het arme volk schijnt gewillig om te letten op al wat komt in Uw naam, en er zijn er, die hun in Uwen naam zeggen, dat zij geen zwaard zullen zien, en geen honger zullen hebben, en zij zeggen het alsof het van U kwam met al het gewricht en het vertrouwen van profeten: Ik zal u een gewisse vrede geven in deze plaatse. Ik zeg hun het tegendeel, maar ik ben een tegen velen, en iedereen is geneigd te geloven, wat hem voordelig is, daarom Heere heb medelijden en spaar hen, want de "leiders dezes volks zijn verleiders." Deze verontschuldiging zou enigszins van gewicht zijn geweest, als hun te voren geen waarschuwing gegeven, was tegen valse profeten, en regels om hen te onderscheiden, zodat, als zij bedrogen werden, het geheel hun eigen schuld was. Maar dit leert ons, zover met de waarheid overeen te brengen is, het kwade zo goed mogelijk te maken, en zo liefderijk over anderen te oordelen als in hun geval mogelijk is.
III. God verwerpt deze verontschuldiging niet alleen, maar veroordeelt beide de blinde leiders en de blinde volgelingen, tezamen in de gracht te vallen, vers 14.
1. God verloochent de vleierij, vers 14 :De profeten profeteren vals in Mijn naam. Zij hadden heel geen opdracht van God om te profeteren: Ik heb ze niet gezonden, noch hun bevel gegeven, noch tot hen gesproken. Zij waren nog nooit voor enige opdracht door God gebruikt, Hij maakte Zich niet aan hen bekend, veel minder door hen aan het volk, nooit kwam enig woord van de Heere tot hen, noch oproep, noch volmacht, noch last, veel minder zond Hij hen met deze boodschap, om hen in slaap te wiegen. Neen, de mens mag zichzelf vleien, en Satan moge hem vleien, maar God doet het nooit. Het is "een vals gezicht, en nietigheid." Wat vals en zonder grond is is ijdel en waardeloos. Het gezicht, dat niet waar is, hoe aangenaam dan ook, deugt nergens toe, het is de "bedriegerij huns harten," een spinneweb, geweven uit hun eigen ingewanden en daarin zoeken zij hun toevlucht, maar het zal in een oogwenk weggevaagd worden en een groot bedrog blijken. Die hun eigen gedachten tegenover Gods woord plaatsen (God zegt het inderdaad zo, maar zij denken er anders over) wandelen in de "bedriegerij huns harten," en dat zal hun verderf zijn.
2. Hij spreekt het vonnis uit over de vleiers, vers 15. Aangaande de profeten, die het volk misleidden, door het te vertellen, dat het vrede hebben zou, en God beledigden, door het ze te vertellen in Gods naam, zij mogen weten, dat zij zelf geen vrede zullen hebben. Zij zullen het eerst vallen door diezelfde oordelen, met het achterwege blijven waarvan zij anderen gevleid hebben. Zij ondernamen het volk te waarborgen. dat zwaard en honger niet in het land zouden komen, maar spoedig zal blijken, hoe weinig hun waarborgen waard zijn, wanneer zij zelf door het zwaard en de honger zullen afgesneden worden. Hoe zouden zij anderen beveiligen of de vrede voorzeggen als zij zichzelf niet kunnen beveiligen, en niet zoveel voorkennis hebben van hun eigen rampen om ze te kunnen ontwijken? De ergste straffen wachten hen, die zondaren straffeloosheid beloven op hun zondige wegen.
3. Hij stelt de gevleiden onder hetzelfde vonnis: Het volk, tot wie zij profeteren, en die zich gewillig laten bedriegen, zullen weggeworpen zijn vanwege het zwaard en de honger, vers 16. Het ongeloof van de bedrogenen, met al de valsheid van de bedriegers, zal de goddelijke bedreigingen niet onvolvoerd laten, zwaard en honger zullen komen, wat zij daartegen ook inbrengen, en het minst veilig zullen zijn, die het zekerst waren. Onboetvaardige zondaars zullen de helse verdoemenis niet ontvlieden met te zeggen, dat zij niet geloven kunnen, dat er zo iets is, maar zullen voelen, wat zij niet willen vrezen. Gedreigd wordt, dat dit volk niet alleen vallen zal door zwaard en honger, maar, dat zij als het ware in kettingen opgehangen zullen zijn, als tekenen van die goddelijke rechtvaardigheid, die zij getart hebben, "hun lichamen zullen weggeworpen worden," zelfs in de straten van Jeruzalem, die toch, zou men zo denken, in elk geval vrij zouden blijven van zulke plagen, daar zullen ze liggen, onbegraven, daar hun naaste verwanten, die hun de laatsten liefdedienst moesten bewijzen zo arm zullen zijn, dat ze het niet bekostigen kunnen, of zo verzwakt door de honger, dat zij niet in staat zullen zijn, er voor te zorgen, of zo overstelpt van smart, dat zij er geen moed toe hebben of zo zonder enige natuurlijke genegenheid dat zij ze die eer niet willen bewijzen. Aldus zal God "hun boosheid over hen uitstorten," d.w.z. de straf voor hun boosheid, de volle fiolen van Gods toorn zullen over hen uitgestort worden, hetgeen zij zichzelf op de hals hebben gehaald. Als zondaars overstelpt zijn door ellende moeten zij daarin hun eigen boosheid zien, die over hen uitgestort wordt. Dit slaat op de boosheid beide van de valse profeten en van het volk, de blinde leidt de blinde, en beide vallen te zamen in de gracht, waar zij moeilijke vertroosters voor elkaar zullen zijn.