Romeinen 8:29-30
Nadat de apostel zoveel bestanddelen van de gelukzaligheid der ware gelovigen opgeteld heeft, gaat hij er thans toe over om aan te wijzen wat de grondslag van die alle is, en dien zoekt hij in de uitverkiezing. Deze uitnemende voorrechten werden ons aangebracht in den giftbrief van het verbond, maar zij zijn gegrond in den raad Gods, waarvan dat het onveranderlijk gevolg moest zijn. Opdat Jezus Christus, die ze ons verwierf, niet ijdellijk zou arbeiden en Zijn krachten en Zijn leven niet onnuttelijk en ijdellijk zou besteden, is Hem een overblijfsel gegeven, een zaad dat Hij zien zal, zodat het welbehagen des Heeren door Zijne hand gelukkiglijk kan voortgaan. Om dat uiteen te zetten stelt hij ons hier voor de oorzaken van onze verlossing, een gouden keten die niet verbroken kan worden. Zij heeft vier schakels.
I. Die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn. Allen, die God bestemd heeft tot heerlijkheid en gelukzaligheid als einddoel, heeft Hij bestemd tot genade en heiligheid als middel. Die Hij dus tevoren gekend heeft om heilig te zijn, die heeft Hij er tevoren ook toe geordineerd. De raad en de besluiten Gods schikken zich niet naar den brozen en wankelbaren wil van de mensen, neen, Gods voorkennis van de heiligen is hetzelfde als de eeuwige liefde, waarmee Hij gezegd wordt hen liefgehad te hebben, Jeremia 31:3. Gods kennen van Zijn volk is hetzelfde als Zijn aannemen van hen, Psalm 1:6, Johannes 10:14, 2 Timotheus 2:9, Zie Hoofdstuk 11:2. Wanneer er in de Schrift van kennen gesproken wordt, doelt dat dikwijls op genegenheid. Zo ook hier: Uitverkoren volgens de voorkennis Gods, 1 Petrus 1:2. Die Hij tevoren gekend heeft, dat is: die Hij bestemd heeft om Zijn vrienden en gunstgenoten te zijn. Ik ken u bij name, zei God tot Mozes, Exodus 33:12. Welnu, degenen, die God op deze wijze tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook verordineerd- uitverkoren-om den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn.
1. Heiligheid bestaat in onze gelijkvormigheid aan het beeld van Christus. Dat omvat het geheel der heiligmaking, waarvan Christus het grote voorbeeld is. Bezield te zijn gelijk Christus was: te wandelen en te leven gelijk Hij deed, ons lijden zo geduldig te dragen als Hij deed. Christus is het uitgedrukte beeld des Vaders, en de heiligen worden gelijkvormig aan het beeld van Christus. Door het middelaarschap en de tussenkomst van Christus werd Gods liefde jegens ons hersteld en Gods gelijkenis in ons hernieuwd, en die twee dingen vormen de gelukzaligheid des mensen.
2. Allen, die God in Zijn gunst van eeuwigheid tevoren gekend heeft, die heeft Hij tot deze gelijkvormigheid uitverkoren. Wij kunnen niet ons zelven aan Christus gelijkvormig maken. Onze overgave van ons zelven aan Christus vindt haar oorsprong in Gods overgave van ons aan Hem, en door ons aan Hem te geven, verordineerde Hij ons tot gelijkvormigheid aan Zijn beeld. Het is daarom louter onzin het leerstuk der uitverkiezing een losbandig leerstuk te noemen en te beweren dat het aanmoedigt om te zondigen, alsof het doel afgescheiden zou zijn van den weg, en alsof gelukzaligheid kon bestaan zonder heiligheid. Niemand kan van zijn uitverkiezing verzekerd zijn dan door zijn gelijkvormigheid aan het beeld van Christus, want allen die uitverkoren werden zijn uitverkoren tot heiligmaking, 2 Thessalonicenzen 2:13, en zeker er kan geen verzoeking bestaan voor iemand, die gelijkvormig is aan de wereld, om te geloven dat hij uitverkoren is om gelijkvormig te zijn aan Christus. 3. Hetgeen hiermede voornamelijk bedoeld wordt is de eer van Jezus Christus: opdat Hij de eerstgeborene zij onder vele broederen, dat is, opdat Christus de eer hebbe van het grote voorbeeld te zijn, zowel als de grote voorganger, en opdat Hij daarin, gelijk in alle andere dingen, de voorkeur moge hebben. In den eerstgeborene werden onder de wet alle kinderen Gode gewijd. De eerstgeborene was het hoofd van het geslacht, van wie al de anderen afhingen. Evenzo moet in het gezin der heiligen Christus de eer hebben van de eerstgeborene te zijn. En geloofd zij God: er zijn vele broederen, ofschoon er terzelfder tijd in dezelfde plaats slechts weinigen schijnen te zijn, toch, wanneer zij eens samenkomen, zal het blijken dat er een grote menigte is. Er is derhalve een zeker getal uitverkoren, waardoor het doel van hetgeen Christus ondernam te verrichten, onfeilbaar verzekerd is. Indien de uitslag afhankelijk gemaakt was van onzekerheden in de goddelijke raadsbesluiten of van de wisselende genegenheden van den wil des mensen, dan had Christus kunnen worden de eerstgeborene van slechts weinige broederen, of zelfs zonder broederen blijven, een bevelhebber zonder krijgslieden, een koning zonder onderdanen. En om dat te voorkomen en Hem te verzekeren dat Hij vele broederen zou hebben, is het besluit onherroepelijk en de zaak wèl verzekerd, opdat Hij zeker zou zijn dat Hij zaad zou zien, is er een overblijfsel uitverkoren om Zijn beeld gelijkvormig te worden, en dat besluit zal zeker zijn volkomen vervulling krijgen door de heiligheid en gelukzaligheid van die uitverkorenen. Ten spijt van alle tegenwerking van de machten der duisternis zal Christus dus de eerstgeborene zijn onder veel, zeer vele broederen.
II. Die Hij tevoren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen, niet alleen met de uitwendige roeping (in dien zin zijn velen geroepen, maar weinigen uitverkoren, Mattheus 20:16, 22:14), maar met een inwendige en werkdadige roeping. De eerste komt alleen tot het oor, maar de laatste bereikt ook het hart. Allen, die God van eeuwigheid tot genade en heerlijkheid heeft uitverkoren, heeft Hij in de volheid des tijds werkdadig geroepen. De roeping is werkdadig, wanneer wij op de roeping komen, en wij komen op de roeping wanneer de Geest ons trekt, het geweten van schuld en toorn overtuigt, het verstand verlicht, den wil overbuigt, en ons beweegt en bekwaamt om Christus te omhelzen in de beloften, en ons gewillig maakt tot den dag Zijner heirkracht. Het is een werkdadige roeping uit ons zelven en uit de aarde naar God en naar Christus en naar den hemel als ons doel, - uit de zonde en de ijdelheid naar de genade, en heiligheid en rechtvaardigheid als onzen weg. Deze is de evangelische roeping. Die Hij geroepen heeft, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing was, bleve, werden wij geroepen tot datgene waartoe wij verkoren waren. De enige wijze om onze verkiezing vast te maken is dus onze roeping vast te maken, 2 Petrus 1:10.
III. Die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd. Allen, die werkdadig geroepen zijn, werden ook gerechtvaardigd, vrijgesproken van de schuld en aangenomen als rechtvaardigen in Christus Jezus. Zij staan rechtvaardig in het gerechtshof, geen zonde waaraan zij ooit schuldig stonden, kan tegen hen opkomen om hen te veroordelen. Een streep werd gehaald door het boek, de band werd losgemaakt, de terechtzitting opgeheven, de aanklager afgewezen, en er wordt met hen niet langer gehandeld als met misdadigers, maar zij worden aangenomen en geliefd als vrienden en gunstgenoten. Welgelukzalig is de man, wiens zonden vergeven zijn. Niemand wordt op die wijze gerechtvaardigd dan hij die werkdadig geroepen is. Zij, die aan de evangelische roeping geen gehoor geven, blijven onder de schuld en den toorn.
IV. En die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt. Nu de macht van het bederf door de werkdadige roeping gebroken werd en de schuld der zonde weggenomen door de rechtvaardigmaking, is alles wat hinder gaf uit den weg geruimd en niets kan er meer komen tussen de ziel en de heerlijkheid. Merk op: Er wordt over gesproken als over iets dat reeds geschied is. Hij heeft verheerlijkt, dat toont de zekerheid ervan aan, Hij heeft ons verlost en geroepen met een heilige roeping. In de eeuwige verheerlijking van al de uitverkorenen bereikt het voornemen van Gods liefde zijn hoogste vervulling. Dit was het wat Hij voortdurend bedoelde: hen in den hemel te brengen. Niets minder dan deze heerlijkheid zou de vervulling zijn van Zijn verbondsbetrekking tot hen als God, en daarom heeft Hij in alles wat Hij aan of voor hen doet, dit op het oog. Zijn zij uitverkoren? Het is tot verlossing. Werden zij geroepen? Het is tot Zijn koninkrijk en heerlijkheid. Zijn zij wedergeboren? Het is tot een onverderflijke erfenis. Worden zij bedroefd? Het is om in hen een uitnemend eeuwig gewicht van heerlijkheid te werken? Merk op wie de bewerker van dit alles is. Het is God zelf, die hen uitverkoor, riep, rechtvaardigde en verheerlijkte.
De Heere alleen leidde hen en er was geen vreemde god met hen. Geschapen willen zijn zeer wankelbaar, geschapen personen zeer zwak, zodat, indien het enigszins van het schepsel afhing, het geheel zou mislukken. Maar God zelf heeft op zich genomen om het van het begin tot het einde te doen, opdat wij zouden berusten in voortdurende afhankelijkheid van Hem en onderwerping aan Hem, en Hem van alles den lof geven, opdat elke kroon voor Zijn troon geworpen zou worden. Dit is een krachtige bemoediging voor ons geloof en onze hoop, want God is volmaakt in al Zijn weg en werk. Hij, die den grondslag legde, zal er op voortbouwen, en Hij zal eindelijk den sluitsteen aanbrengen met toeroeping, gelijk het in alle eeuwigheid ons werk zal zijn uit te roepen: "Genade, genade zij dezelve!"