Mattheus 13:1-23
Wij hebben hier Christus predikende, en zullen letten op:
1. Den tijd wanneer Christus deze rede heeft uitgesproken. Het was op dezelfden dag, toen Hij de rede uitsprak, die in het vorige hoofdstuk is vermeld, zo onvermoeid was Hij in goed te doen en te werken de werken desgenen, die Hem had gezonden. Christus predikte op alle uren van den dag en heeft door Zijn voorbeeld die wijze van doen aan Zijne kerk aanbevolen. Wij moeten ons zaad zaaien in den morgenstond, en onze hand des avond niet aftrekken, Prediker 11:6. Wel verre dat ene leerrede, die in den namiddag goed gehoord is, de leerrede van den voormiddag uit het hart en het geheugen zal verdringen, kan zij veeleer strekken, om haar vast te houden, haar als een nagel in ene vaste plaats in te slaan. Hoewel Christus in den morgen tegengestaan en bedild werd door Zijne vijanden, gestoord en in de rede gevallen werd door Zijne vrienden, ging Hij toch voort met Zijn werk, en wij bevinden niet, dat Hij in het laatste gedeelte van den dag zulke stoornissen had te verduren. Zij, die zich in den dienst van God ijverig en kloekmoedig door de moeilijkheden heenslaan, zullen wellicht bevinden, dat die moeilijkheden niet zo dikwijls terugkomen als zij vrezen. Weersta ze, en zij zullen vlieden.
2. Voor wie Hij predikte. Tot Hem vergaderden vele scharen, en zij waren de hoorders. Wij bevinden niet, dat er uit de schriftgeleerden en Farizeeën ook bij tegenwoordig waren. Zij wilden Hem wel horen, als Hij in de synagoge predikte, hoofstuk 12:9, 14, maar zij vonden het beneden hun waardigheid, om naar den oever der zee te gaan om ene preek te horen, al was Christus zelf ook de prediker, en in waarheid had Hij liever hun plaats dan hun gezelschap, want nu zij afwezig waren, kon Hij rustig voortgaan zonder tegengesproken te worden. Soms blijkt de kracht van den Godsdienst het meest, waar het minst van deszelfs uiterlijke praal gezien wordt: de armen nemen het Evangelie aan. Als Christus naar den oever der zee ging, werden terstond grote scharen tot Hem vergaderd. Waar de koning is, daar is het hof, waar Christus is, daar is de kerk, al is het ook aan den oever der zee. Zij, die goeds willen ontvangen door het woord, moeten bereid zijn het overal heen te volgen, als de ark des verbonds optrekt, trek haar na. De Farizeeën hadden, door lagen laster en boze vermoedens tegen Hem uit te spreken, getracht het volk terug te houden van Christus te volgen, maar de scharen bleven Hem toestromen. Christus zal verheerlijkt worden in weerwil van allen tegenstand, Hij zal gevolgd worden.
3. Waar Hij deze leerrede uitsprak. Zijne plaats van bijeenkomst was de oever der zee. Hij ging het huis uit (omdat er gene plaats genoeg in was voor de hoorders) in de open lucht. Zulk een Prediker had de grootste, best ingerichte gehoorzaal behoren te hebben om er te prediken, maar Hij bevond zich thans in den staat der vernedering, en hierin. gelijk in alle andere dingen, heeft Hij zich de ere ontzegd, die Hem toekwam, gelijk Hij geen eigen huis had om in te wonen, zo had Hij ook gene eigen kapel om in te prediken. Hierdoor leert Hij ons om voor de uitwendige zaken der Godsverering gene pracht of staatsie te begeren, maar gebruik te maken van de gelegenheden, die God in Zijne voorzienigheid ons schenkt. Toen Christus geboren werd, moest Hij zich met ene enge plaats in een stal vergenoegen, en nu heeft Hij zich naar het strand te begeven, opdat er ruimte zou zijn voor hen, die Hem wilden horen. Hij die de Waarheid zelf is, zocht naar gene verborgene hoeken, zoals de Heidenen deden voor hun geheimzinnige plechtigheden. De opperste Wijsheid roept overluid daarbuiten, Prediker 1:20, Johannes 18:20. Zijn kansel was een schip, niet gelijk de kansel, van Ezra, die voor die zaak gemaakt was, Nehemia 8:5, maar, bij gebrek aan beter, voor dit doel werd aangewend. Voor zulk een Prediker is gene plaats onvoegzaam, elke plaats werd door Zijne tegenwoordigheid geheiligd. Laten zij, die Christus prediken, gene schaamte gevoelen, al is het ook, dat zij in gene zeer voegzame, of geriefelijk ingerichte plaatsen moeten prediken. Sommigen maken de opmerking, dat de hoorders op drogen, vasten grond stonden, terwijl de Prediker zich op het water bevond en aan gevaar bloot stond. Leraren zijn het meest blootgesteld aan moeilijkheden en ongerief.
4. Wat en hoe Hij predikte. Hij sprak tot hen vele dingen. Veel meer waarschijnlijk dan hier vermeld zijn, maar het waren alle voortreffelijke en nuttige dingen, dingen, die tot onzen vrede dienen, dingen, die het koninkrijk der hemelen aangaan. Het waren gene beuzelingen, maar dingen van eeuwig belang, waarvan Christus gesproken heeft. Als Christus zo vele dingen tot ons zegt, dan hebben wij goed en nauwkeurig op te letten, opdat wij er geen van missen. Wat Hij sprak was in gelijkenissen. Ene gelijkenis betekent soms het een of ander wijs, belangrijk gezegde, dat leerrijk is, maar in de Evangeliën betekent het over het algemeen ene voortgezette vergelijking, waardoor geestelijke of hemelse dingen beschreven worden in bewoordingen, die aan het dagelijks leven zijn ontleend. Van die manier van onderwijzen werd zeer veel gebruik gemaakt, niet slechts door de Joodse rabbijnen, maar ook door de Arabieren en andere Oosterse wijzen, en zij werd zeer nuttig en doelmatig bevonden, te meer omdat zij ook zo aangenaam was. Onze Heiland maakte er veel gebruik van, en daarmee verwaardigde Hij zich Zijne rede in te richten naar hun bevatting. God had reeds voorlang door Zijne dienstknechten, de profeten, in gelijkenissen gesproken, Hosea 12:11, doch met weinig vrucht, thans spreekt Hij in gelijkenissen door Zij n Zoon. Voorzeker zullen zij eerbied hebben voor Hem, die van den hemel is en over hemelse dingen spreekt, maar in uitdrukkingen, ontleend aan aardse dingen. Zie Johannes 3:12. Nu hebben wij hier:
I. De algemene reden, waarom Christus door gelijkenissen leerde. De discipelen waren er enigszins verwonderd over, want tot nu toe had Hij er in Zijne prediking niet veel gebruik van gemaakt, en daarom vragen zij: Waarom spreekt Gij tot hen door gelijkenissen? Want zij waren in waarheid begerig, dat het volk zou horen met verstand. Zij zeggen niet: Waarom spreekt Gij tot ons (zij wisten wel hoe aan de verklaring der gelijkenissen te komen) maar tot hen. Wij moeten voor de stichting van anderen zorgen, zowel als voor onze eigene, door het gepredikte woord, en, zo wij zelven sterk zijn, toch de zwakheden van anderen leren dragen. Deze vraag wordt door Christus uitvoerig beantwoord, vers 11-17. Hij zei hun, dat Hij door gelijkenissen sprak, omdat daardoor de dingen Gods duidelijker werden gemaakt en gemakkelijker te verstaan voor hen, die gewillig waren om onderwezen te worden, terwijl zij er moeilijker en duisterder door werden voor hen, die moedwillig onwetend waren, en dat aldus het Evangelie voor sommigen ene reuke des levens ten leven, en voor anderen ene reuke des doods ten dode zou zijn. Gelijk de wolken vuurkolom, keert ene gelijkenis hare donkere zijde naar de Egyptenaren, en brengt hen in verwarring, maar hare lichtzijde naar de Israëlieten, om hen te vertroosten, en aldus beantwoordt zij aan een dubbel doel. Hetzelfde licht dat aan sommiger ogen leiding geeft, verblindt de ogen van anderen.
1. Deze reden wordt gegeven in vers 11.
Omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het koninkrijk der hemelen te weten, maar dien is het niet gegeven. Dat is: De discipelen hadden kennis, maar de scharen niet. Gij weet reeds iets van deze verborgenheden, en gij behoeft niet op deze gemeenzame wijze onderwezen te worden, maar het volk is onwetend, zij zijn slechts kinderen, en moeten als zodanig onderwezen worden door eenvoudige gelijkenissen, daar zij nog niet in staat zijn op andere wijze onderricht te ontvangen, want zij hebben wel ogen, maar weten ze niet te gebruiken. Dit is de mening van sommigen ten opzichte van deze plaats. Of, volgens anderen: De discipelen waren geneigd om de verborgenheden des Evangelies te leren kennen en de gelijkenissen te onderzoeken, om er tot een inniger bekendheid met deze verborgenheden door te geraken, maar de vleselijk gezinde hoorders, die het bij het blote horen lieten blijven, gaven zich gene moeite om verder te onderzoeken, of naar de betekenis der gelijkenissen te vragen, zij zullen nooit wijzer worden, en zullen dus te recht wegens hun onverschilligheid en nalatigheid hebben te lijden. Ene gelijkenis is dus als de dop, of schaal, waarin de goede vrucht voor de vlijtigen bewaard wordt, maar die vrucht voor de luien ontoegankelijk maakt. Er zijn verborgenheden in het koninkrijk der hemelen, en buiten allen twijfel, de verborgenheid der Godzaligheid is groot. Christus' menswording, Zijne genoegdoening, Zijne voorspraak, onze rechtvaardigmaking en heiligmaking, ja het gehele werk der verlossing, van het begin tot het einde, zijn verborgenheden, die nooit anders dan door Goddelijke openbaring ontdekt hadden kunnen worden, 1 Corinthiërs 15:51. Zij waren toen slechts ten dele aan de discipelen ontdekt, en zij zullen nooit ten volle ontdekt worden, voordat de voorhang gescheurd zal zijn. Maar dat verborgene der Evangeliewaarheid moet ons niet den moed benemen om er onderzoek naar te doen, integendeel, wij moeten er ons juist door laten aansporen om er vlijtig naar te onderzoeken. Het is den discipelen van Christus genadiglijk gegeven om met deze verborgenheden bekend te zijn. Kennis is de eerste gave Gods, en het is ene onderscheidende gave, Prediker 2:6. Zij was aan de apostelen gegeven, omdat zij Christus getrouwe volgelingen en metgezellen zijn geweest. Hoe dichter wij tot Christus naderen, en hoe meer gemeenschap wij met Hem oefenen, hoe beter wij met de Evangelieverborgenheden bekend zullen worden. Zij is aan alle ware gelovigen gegeven, die ene bevindelijke kennis van de Evangelieverborgenheden hebben, en dat is ongetwijfeld de beste kennis. Een beginsel van genade in het hart maakt de mensen snel van bevatting in de vreze des Heeren en in het geloof aan Christus, en dus ook in de betekenis der gelijkenissen, en, wijl het hem daaraan ontbrak, heeft Nicodemus, een leraar in Israël, van de nieuwe geboorte gesproken, zoals een blinde over de kleuren spreekt. Er zijn personen, aan wie deze kennis niet is gegeven, en een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit den hemel niet gegeven is. Johannes 3:27. Men gedenke, dat God niemands schuldenaar is, Zijne genade is het Zijne, Hij geeft of onthoudt haar naar Zijn welbehagen, Romeinen 11:35. Het verschil wordt door Gods vrijmacht beslist.
2. Deze reden wordt voorts opgehelderd door den regel, dien God volgt bij het uitdelen Zijner gaven: Hij schenkt ze aan hen, die er een goed gebruik van maken, maar ontneemt ze aan hen, die ze begraven. Het is regel onder de mensen, dat zij hun geld eerder toevertrouwen aan hen, die hun bezittingen door hun vlijt hebben vermeerderd, dan aan hen, die ze door hun onachtzaamheid hebben doen verminderen. Hier is ene belofte, dat hij, die naar de verkiezing der genade, ware genade heeft, en haar gebruikt, nog overvloediger genade zal ontvangen. Gods gunsten zijn een onderpand van nog meerdere gunsten, op het fondament, dat Hij gelegd heeft, zal Hij bouwen. Christus' discipelen hebben de kennis, die zij nu hadden, gebruikt, en bij de uitstorting des Geestes hebben zij nog overvloediger kennis ontvangen, Handelingen 2. Zij, die de waarheid der genade hebben, zullen ook de toeneming in genade hebben, Prediker 4:18, Genesis 30:24. Hier is ene bedreiging aan hem, die niet heeft, die gene begeerte heeft naar genade, geen goed gebruik maakt van de gaven en talenten, die hij heeft, geen wortel heeft, geen degelijk beginsel, die heeft, maar niet gebruikt wat hij heeft, van hem zal genomen worden, ook dat hij heeft, of schijnt te hebben. Zijne bladeren zullen verdorren, zijne gaven verwelken, de middelen der genade, die hij heeft, maar niet gebruikt, zullen hem ontnomen worden, God zal Zijne talenten terugnemen uit de handen van hen, die blijken geven van weldra bankroet te zullen gaan.
3. Deze reden wordt inzonderheid verklaard met betrekking tot de tweeërlei soort van mensen, met wie Christus te doen had. Sommigen waren moedwillig onwetend, en dezen werden door de gelijkenissen als in verbijstering gebracht, vers 13, omdat zij "ziende niet zien." Zij hadden hun ogen gesloten voor het heldere licht van Christus' duidelijker prediking, en daarom werden zij nu in het duister gelaten. Zij zien Christus' persoon, maar zij zien niet Zijne heerlijkheid, zij zien geen verschil tussen Hem en een anderen mens. Zij zien Zijne wonderen, en horen Zijne prediking, maar zij zien en horen niet met enigerlei zorg of kommer, passen het niet toe op zich zelven, en verstaan het eigenlijk niet. Er zijn velen, die het licht des Evangelies zien, en het geklank des Evangelies horen, maar het dringt nooit door tot hun hart. Het is rechtvaardig in God om het licht te ontnemen aan hen, die er hun ogen voor sluiten dat zij, die gene kennis willen hebben, dan ook zonder kennis zijn, en God, aldus met hen handelende, verheerlijkt Zijne onderscheidende genade aan Zijne discipelen. Nu wordt hierin de Schrift vervuld, vers 14, 15. Het is aangehaald uit Jesaja 6:9, 10. De evangelische profeet, die het duidelijkst van de Evangeliegenade heeft gesproken, voorspelde er de minachting van, en de gevolgen, die uit deze minachting zouden voortkomen. Niet minder dan zes maal wordt er in het Nieuwe Testament naar verwezen, hetgeen aanduidt, dat in Evangelietijden geestelijke oordelen zeer algemeen zullen zijn, het minste gerucht maken, maar het vreselijkst zijn. Hetgeen gesproken was van de zondaren in Jesaja's tijd, werd vervuld in die van Christus' tijd, en wordt nog elke dag vervuld, want terwijl het boze hart des mensen dezelfde zonde aanhoudt, wordt door de rechtvaardige hand Gods dezelfde straf toebedeeld. Hier is: Ten eerste: Ene beschrijving van des zondaars moedwillige blindheid en hardheid, die hun zonde is. Het hart dezes volks is dik geworden, vet gemaakt betekent het woord eigenlijk, hetgeen tegelijk zinnelijkheid en zinneloosheid aanduidt, Psalm 119:70, gerust en zeker onder het woord en de roede Gods, en minachtend als Jeshurun, die vet werd en achteruitsloeg, Deuteronomium 32:15. En het hart dus zwaar zijnde, is het geen wonder, dat de oren zwaar zijn om te horen. De fluisteringen des Geestes horen zij in het geheel niet. Het luide roepen des woords, schoon dit woord gans nabij hen is, zij geven er geen acht op, het maakt geen indruk op hen, zij stoppen hun oren toe", Psalm 58:5. En omdat zij onwetend willen zijn, sluiten zij de beide zintuigen der kennis toe, want ook hun ogen zijn toegesloten, besloten zijnde niet te willen zien, dat het licht in de wereld komt, toen de Zon der Gerechtigheid opging. Maar zij sluiten hun vensters, omdat zij de duisternis liever hebben dan het licht, Johannes 3:19, 2 Petrus 3:5.
Ten tweede: Ene beschrijving van die gerechtelijke blindheid, die er de rechtvaardige straf van is: Met het gehoor zult gij horen, en geenszins verstaan, welke genademiddelen gij ook hebt, zij zullen u van geen nut zijn, hoewel zij uit genade voor anderen, blijven en voortduren, zal, als oordeel over u, de zegen er aan onttrokken worden. De treurigste toe-. stand, waarin de mens, buiten de hel, wezen kan, is om met een dodig, verstompt, onbewogen hart onder de bediening der genademiddelen te zijn. Gods woord te horen, de wegen Zijner voorzienigheid gade te slaan, en er toch Zijn wil niet in te bespeuren of te verstaan, dat is de grootste zonde, en tevens het zwaarste oordeel. Het is Gods werk een verstandig hart te geven, en in den weg van een rechtvaardig oordeel ontzegt Hij het dikwijls aan hen, aan wie Hij, te vergeefs, het horende oor en het ziende oog heeft gegeven. Aldus verkiest God de begoochelingen der zondaren en geeft Hij hen over ten verderve door hen over te laten aan hun lusten, Psalm 81:12, 13, laat hem varen, Hosea 4:17, Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten", Genesis 6:3. Ten derde. Het rampzalig gevolg hiervan: Opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien. Zij willen niet zien, omdat zij zich niet willen bekeren, en God zegt, dat zij niet zullen zien, omdat zij zich niet zullen bekeren: Opdat zij zich niet bekeren en Ik hen geneze. Zien, horen en verstaan zijn noodzakelijk voor de bekering, want in het werken Zijner genade handelt God met de mensen als mensen, als redelijke wezens. Hij trekt hen met mensenzelen, Hij verandert het hart door de ogen te openen, Hij bekeert van de macht des Satans tot God door eerst te bekeren van de duisternis tot het licht, Handelingen 26:18. Allen, die in waarheid tot God bekeerd zijn, zullen voorzeker door Hem worden genezen, indien de zondaren omkomen, is dit dus niet toe te schrijven aan God, maar aan hen zelven, zij hebben dwaselijk gedacht genezen te zullen worden, zonder bekeerd te zijn. Het is rechtvaardig in God Zijne genade te ontzeggen aan hen, die zo lang en zo dikwijls hare kracht hebben weerstaan. Farao heeft gedurende langen tijd zijn hart verhard, Exodus 8:15, 32, en daarna heeft God het verhard, Hoofdstuk 9:12, 10:20. Laat ons dus vrezen, dat wij door te zondigen tegen de Goddelijke genade, haar ten laatste wèg zondigen. Anderen werden krachtdadig geroepen om de discipelen van Christus te zijn en wensten in waarheid door Hem onderwezen te worden. Zij werden door deze gelijkenissen onderricht, en namen er grotelijks door toe in kennis, inzonderheid toen zij verklaard werden. De dingen Gods werden er hun duidelijker door gemaakt en gemakkelijker te verstaan, en meer geschikt om in het geheugen bewaard te worden, vers 16, 17. Uwe ogen zien, en uwe oren horen. Zij zagen de heerlijkheid Gods in den Persoon van Christus, zij hoorden den wil en de bedoeling Gods in de leer van Christus. Zij zagen veel, en begeerden meer te zien, en zo werden zij toebereid om nog verder onderricht te ontvangen. Zij hadden daar de gelegenheid toe, wijl zij Christus voortdurend vergezelden, en van dag tot dag zullen zij het ontvangen, en daarbij ook genade. Nu spreekt Christus hiervan. Als van een zegen. Gezegend, of zalig, zijn uwe ogen, omdat zij zien, en uwe oren, omdat zij horen. Dit is uw geluk, en gij zijt dit geluk verschuldigd aan de bijzondere gunst en zegen van God." Het is een beloofde zegen, dat in de dagen van den Messias, de ogen dergenen, die zien, niet verduisterd zullen zijn, Jesaja 32:3. 1) De ogen van den minste der gelovigen, die de genade van Christus door ervaring kent, zijn zaliger dan die van de grootste geleerden, de grootste meesters in proefondervindelijke wijsbegeerte, die vreemdelingen zijn voor God, en die, gelijk de goden die zij dienen, ogen hebben, en niet zien. Zalig zijn uwe ogen. De ware zaligheid is het onvervreemdbaar erfdeel van het rechte verstaan en de rechte gebruikmaking van de verborgenheden van het koninkrijk Gods. Het horende oor en het ziende oog zijn Gods werk in hen, die geheiligd zijn, zij zijn het werk Zijner genade, Prediker 20:12, en zij zijn een gezegend werk, dat volvoerd zal worden met kracht, als zij, die nu door een spiegel in ene duistere rede zien, van aangezicht tot aangezicht zullen zien. Het was om deze zaligheid in het licht te stellen, dat Christus zoveel gesproken heeft van de rampzaligheid van hen, die in onwetendheid blijven verzonken: zij hebben ogen en zien niet: maar zalig zijn uwe ogen. De kennis van Christus is ene onderscheidende gunst aan hen, die haar hebben, en daarom legt zij groter verplichtingen op, Johannes 14:22. De apostelen moesten anderen onderwijzen, en daarom waren zij zelven bevoorrecht met de helderste openbaringen der Goddelijke waarheid. De wachters zullen oog aan oog zien, Jesaja 52:8. Als van een alles overtreffenden zegen, begeerd door, maar niet toegestaan aan, vele profeten en rechtvaardigen, vers 17. De heiligen des Ouden Testaments, die nog slechts enige flauwe stralen hadden van het licht des Evangelies, verlangden vurig naar verdere openbaringen. Zij hadden de typen, de afschaduwingen en profetieën van deze dingen, maar zij verlangden er het Wezen van te zien, dat heerlijke einde, waarop zij niet sterk konden zien, het heerlijke inwendige der dingen, waar hun blik niet kon doordringen. Zij begeerden de grote Zaligheid, de Vertroosting Israël's te zien, maar hebben haar niet gezien, omdat de volheid des tijds nog niet was gekomen. Zij, die iets van Christus weten, kunnen niet anders dan begeren meer van Hem te weten. De openbaringen der Goddelijke genade geschieden, zelfs aan profeten en rechtvaardigen, niet anders dan overeenkomstig de bedeling, waaronder zij leven. Hoewel zij de gunstgenoten des hemels waren, voor wie de verborgenheden des Heeren waren, hebben zij toch de dingen niet gezien, die zij wensten te zien, omdat God besloten had ze nog niet aan het licht te brengen, en Zijne gunsten zullen Zijn raad niet voorafgaan. Er was toen, gelijk er nu nog is, ene heerlijkheid, die geopenbaard zal worden, iets dat nog voorbehouden is, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden, Hebreeën 11:40. Het is, ter opwekking onzer dankbaarheid en aansporing van onze naarstigheid, goed voor ons te denken aan de middelen, die ons ten deel zijn geworden, en de openbaringen, die ons zijn gedaan, boven hetgeen zij hadden, die onder de Oud- Testamentische bedeling hebben geleefd, inzonderheid de openbaring van de genoegdoening voor de zonde. Zie hoe groot de voorrechten zijn van het Nieuwe Testament boven die van het Oude Testament, 2 Corinthiërs 3, 7, enz., Hebreeën 12:18, en laat ons dan wel toezien, dat onze vorderingen op den goeden weg geëvenredigd zijn aan onze voorrechten.
II. In deze verzen hebben wij de gelijkenis van den zaaier en het zaad, alsmede de verklaring er van. Christus' gelijkenissen zijn ontleend aan de gewone dingen des dagelijksen levens, niet aan wijsgerige denkbeelden of bespiegelingen, of aan ongewone verschijnselen in de natuur, hoewel die van genoegzame toepassing zijn op de zaak, die Hij behandelt, maar aan dingen, die in het oog vallen, door iedereen opgemerkt kunnen worden, en ook door de eenvoudigste, de minst ontwikkelden, gemakkelijk begrepen kunnen worden. Velen er van zijn genomen uit het bedrijf van den landman, zoals deze hier van den zaaier en die van het onkruid. Christus deed dit:
1. Om hierdoor geestelijke dingen duidelijker te maken, en opdat zij aldus gemakkelijker tot ons verstand zouden doordringen. 2, Opdat gewone handelingen er geestelijke wijding door zouden verkrijgen, en wij door die dingen, die ons in `t oog vallen, opgeleid zouden worden om met innige verlustiging de dingen Gods te bepeinzen, en wij, wanneer onze handen het meest bezig zijn met wereldlijke zaken, niet slechts in weerwil daarvan maar zelfs met behulp daarvan, ons hart zullen opheffen naar den hemel. Aldus zal het woord Gods met ons spreken, gemeenzaam met ons spreken, Prediker 6:22. De gelijkenis van den zaaier is duidelijk genoeg, vers 3-9. De verklaring er van hebben wij van Christus zelf, die het best Zijne eigene bedoeling kende. Toen de discipelen vroegen: Waarom spreekt Gij tot hen door gelijkenissen? vers 10, gaven zij hiermede de begeerte te kennen om haar om den wille des volks verklaard te zien, en het is geen blaam op hun kennis, als zij die verklaring ook voor zich zelven begeerden. Onze Heere Jezus heeft dien wenk vriendelijk opgevolgd, gaf er den zin van en deed hen de gelijkenis verstaan, Zijne rede richtende tot de discipelen, maar zo, dat ook de scharen Hem hoorden, want er wordt ons niet bericht, dat Hij hen wegzond voor vers 36.
Gij dan, hoort de gelijkenis van den zaaier, vers 18, Gij hebt haar gehoord, maar wij zullen haar nu nog eens bespreken. Het is ene goede gewoonte, die veel kan bijdragen tot ons verstaan van het woord en het ter harte nemen ervan, als wij hetgeen wij gehoord hebben nogmaals horen. Filippenzen 3:1. Gij hebt haar gehoord, maar hoort nu de verklaring er van. Dan alleen zullen wij het woord recht en met goed gevolg horen, als wij verstaan wat wij horen. Het is geen horen, als het geen horen is met verstand, Nehemia 8:3. Laat ons daarom de gelijkenis eens met de verklaring vergelijken. Het gezaaide zaad is het woord Gods, dat hier het woord des koninkrijks wordt genoemd, vers 19. Het koninkrijk der hemelen is het koninkrijk, waarmee vergeleken, de koninkrijken der wereld niet waard zijn koninkrijken genoemd te worden. Het Evangelie komt van dat koninkrijk en leidt henen naar dat koninkrijk. Het woord des Evangelies is het woord des koninkrijks, het is het woord van den Koning, en waar dat is, daar is heerschappij. Het is ene wet, door welke wij bestuurd en geregeerd moeten worden. Dit woord is het gezaaide zaad, dat een dood, dor ding schijnt te zijn, maar waarin toch de gehele opbrengst, of oogst, verborgen is. Het is een onvergankelijk zaad, 1 Petrus 1:23, het is het Evangelie, dat vruchten voortbrengt in de zielen. Colossenzen 1:5, 6. De zaaier, die het zaad uitstrooit, is onze Heere Jezus Christus, hetzij door Hem zelven, of door Zijne dienstknechten, vers 37. Het volk is Gods akker, akkerbouw is eigenlijk het woord, en de leraars zijn medearbeiders met God, 1 Corinthiërs 3:9. Het prediken voor de schare is het zaaien van het koren, wij weten niet, waar het moet neerkomen, zie slechts toe, dat het goed is, dat het rein is, en draag zorg, dat er zaad genoeg uitgestrooid wordt. Het zaaien van het woord is het zaaien van een volk voor Gods akker, de tarwe van Zijn dorsvloer. Jesaja 21:10. De grond, waarin dit zaad gezaaid is, is het hart van de kinderen der mensen, die van verschillenden aard en neiging zijn, en dienovereenkomstig is ook de uitwerking van het woord verschillend. Het hart des mensen is, evenals de grond, vatbaar voor verbetering, en om goede vruchten voort te brengen. Het is jam mer om dien grond braak te laten liggen, of hem gelijk de akker des luiaards te laten zijn, Prediker 24:30. De ziel is de geschikte plaats voor het woord Gods om in te wonen en te werken en te heersen. Zijne werking is op de consciëntie, het dient om die kaars des Heeren te ontsteken. Al naar wij zijn, zal ons het woord zijn. De ontvangst hangt af van den ontvanger. Gelijk het met de aarde is-er is ene soort van grond, die, hoeveel zorg en moeite gij er ook aan besteedt, en hoe goed ook het zaad is, dat gij er in zaait, toch gene goede vrucht zal voortbrengen, terwijl de goede grond overvloedige vruchten voortbrengt-zo is het ook met het hart der mensen, wier verschillend karakter hier voorgesteld wordt door vier soorten van grond, waarvan drie slecht zijn, en slechts een goed is. Het getal der onvruchtbare hoorders is zeer groot, zelfs van hen, die Christus zelf gehoord hebben. Wie heeft onze prediking geloofd? Het is een treurige blik, dien deze gelijkenis ons geeft op de menigten, die het Evangelie horen prediken, als er op de vier nauwelijks een is, die goede en overvloedige vruchten voortbrengt. De algemene roepstem gaat uit tot velen, en wordt ook door velen gehoord, maar slechts in weinigen blijkt de eeuwige uitverkiezing door de goede uitwerking van die roeping, Hoofdstuk 20:16. Let nu op den aard van deze vier soorten van grond.
De grond van den beganen weg, vers 4-19. Er liepen paden door hun korenvelden, Hoofdstuk 12:1 :en het zaad, dat daarop viel, drong er niet in, en zo werd het door de vogelen opgepikt. De plaats, waar Christus' hoorders toen stonden, stelde den aard voor van de meesten hunner, het zand aan den oever der zee, dat voor het zaad aan den grond van den beganen weg gelijk was. Merk nu op, ten eerste, wat soort van hoorders met den beganen weg vergeleken worden. Het zijn dezulken, die het woord horen, en het niet verstaan. En het is hun eigene schuld, dat zij het niet verstaan. Zij geven er geen acht op, houden het niet vast. Zij komen niet met het doel om goeds te ontvangen, gelijk de weg ook nooit bestemd was om bezaaid te worden. Zij komen voor Gods aangezicht zoals Zijn volk komt, en zitten voor Hem neer, zoals Zijn volk voor Hem neerzit, maar dat geschiedt slechts omdat het gebruik dit vordert, het is om te zien, en gezien te worden. Wat gezegd wordt nemen zij niet ter harte, het gaat het ene oor in, en het andere oor uit, en laat geen indruk achter.
Ten tweede: Hoe zij er toe komen onvruchtbare hoorders te zijn. De boze, dat is: de duivel, komt en rukt weg hetgeen in zijn hart gezaaid was. Zulke achteloze, zorgeloze, beuzelachtige hoorders zijn voor Satan ene gemakkelijke prooi, die, gelijk hij de grote moordenaar is der zielen, ook de grote dief is van leerredenen, en ons stellig het woord zal ontroven, als wij gene zorg dragen om het te bewaren, evenals de vogels het zaad oppikken, dat op den grond valt, die noch te voren geploegd, noch daarna geëgd is. Als wij het braakland niet braken, door ons hart toe te bereiden voor het woord en het daartoe te verootmoedigen, als wij er onze aandacht niet aan geven, en als wij daarna het zaad niet bedekken door overpeinzing en gebed, als wij ons niet te meer houden aan hetgeen van ons gehoord is, dan zijn wij als de grond van den beganen weg. De duivel is er een gezworen vijand van, dat wij nut en voordeel trekken uit het woord van God, en niemand werkt hem hierbij meer in de hand dan achteloze hoorders, die aan iets anders denken, als zij moesten denken aan de dingen, die tot hun vrede dienen.
De steenachtige grond. Een ander deel viel op steenachtige plaatsen, vers 5, 6, die den toestand voorstellen van hoorders, die verder gaan dan de eersten, goede indrukken ontvangen van het woord, maar die niet blijvend zijn, vers 20, 21. Het is mogelijk, dat wij heel veel beter zijn dan anderen, en toch niet zo goed als wij behoorden te wezen, veel verder gaan dan onze naburen, en toch den hemel niet bereiken. Zie nu betreffende deze hoorders, die door den steenachtigen grond worden voorgesteld.
Ten eerste. Hoe ver zij gingen. Zij horen het woord, zij keren het den rug niet toe, zij lenen er geen doof oor aan. Hoe dikwijls, en met hoeveel ernst wij ook het woord horen, zo wij daar bij blijven staan, zal het ons niet in den hemel brengen. Zij zijn ras om te horen, terstond ontvangt hij het, euthus, hij is bereid, of gereed, het te ontvangen, het ging terstond op, vers 5, het vertoonde zich sneller boven den grond dan het zaad, dat in goede aarde gezaaid was. Geveinsden zijn meermalen ware Christenen vooruit in het uiterlijk vertoon der belijdenis, maar die warmte en ij ver duren niet lang. Terstond ontvangen zij het, zonder het te onderzoeken, zij slikken zonder te kauwen, en dus kan er gene goede spijsvertering zijn. Diegenen zullen waarschijnlijk het goede behouden, die alle dingen beproeven, 1 Thessalonicenzen 5:21. Zij ontvangen het met blijdschap. Er zijn velen, die zeer verheugd zijn ene goede preek te horen, maar zij doen er gene winst mede voor hun ziel, zij vinden wel genoegen in het woord, maar zij laten er zich niet door veranderen of beheersen. Het hart kan vertederd worden onder het horen des woords, zonder dat het door het woord gesmolten, en in een nieuwen vorm gegoten wordt. Velen smaken het goede woord Gods, Hebreeën 6:5, en zeggen dat zij er zoetheid in vinden, maar zij laten de een of andere geliefde lust onder de tong blijven, en daar de smaak van het ene dan met den smaak van het andere niet overeenkomt, spuwen zij het weer uit. Zij verduren of verdragen, voor ene wijle gelijk ene heftige beweging, die zo lang duurt, als de indruk der kracht blijft, maar terstond ophoudt, als de kracht ophoudt. Velen volharden voor ene wijle, die niet volharden tot den einde, en zo ontgaat hun de zaligheid, die beloofd is alleen aan hen, die volstandig blijven, Hoofdstuk 10:22. Zij liepen wel, maar iets heeft hen verhinderd, Galaten 5:7.
Ten tweede. Hoe zij afnamen en vervielen, zo dat gene vrucht tot rijpheid werd gebracht, evenals koren, dat in gene diepte van aarde staat, waaraan het vochtigheid kan ontlenen, door de hitte der zon verschroeid wordt en verwelkt. De reden hiervan is: Zij hebben geen wortel in zich zelven, gene vaste beginselen in hun oordeel, gene vastheid van wil, gene ingewortelde gewoonten in hun genegenheden, niets bestendigs, dat de kracht of het sap hunner belijdenis zijn kan. Het is mogelijk, dat er een groene halm der belijdenis is, waar geen wortel is van genade. De hardheid blijft in het hart, en wat er van grond of zachtheid is, ligt slechts op de oppervlakte, innerlijk zijn zij even onbewogen als een steen. Zij hebben geen wortel, zij zijn niet door het geloof verenigd met Christus, die onze Wortel is, zij ontlenen niets aan Hem, zij zijn niet afhankelijk van Hem. Waar geen beginsel is, schoon er wel ene belijdenis is, kunnen wij gene volharding verwachten. Zij, die geen' wortel hebben, zullen slechts voor een tijd zijn. Een schip zonder ballast kan in het begin een goed geladen schip wel vooruit zeilen, maar bij zwaar weer zal het zeer stellig achterblijven en de haven niet bereiken. Er komen tijden van beproeving, en dan gaan zij gans en al te gronde. Als verdrukking of vervolging komt, om des woords wil, zo wordt hij terstond geërgerd. Dat is een struikelblok op zijn weg, waar hij niet over heen kan, en daar loopt zijne gehele belijdenis op uit. Na een gunstigen wind van voorspoed, volgt meestal een storm van vervolging, om te doen blijken wie het woord in oprechtheid ontvangen hebben, en wie niet. Als het woord van Christus' koninkrijk het woord wordt van Christus' lijdzaamheid, Openbaring 3:10, dan wordt de proef genomen om te zien wie het houdt en wie niet. Het is wijs om zich voor zulk een dag voor te bereiden. Als die tijd der beproeving daar is, dan zullen zij, die geen wortel hebben, weldra geërgerd worden, dan krijgen zij het te kwaad met hun belijdenis, vinden er fouten en gebreken in, en eindigen met haar maar te laten varen. Vandaar dat wij lezen van de ergernis des kruizes, Galaten 5:11. In de gelijkenis wordt vervolging vergeleken bij de verschroeiende zon, vers 6, dezelfde zon, die koestert en verwarmt hetgeen goed geworteld is, verdort en verbrandt hetgeen geen wortel heeft. Gelijk het woord van Christus, zo is ook het kruis van Christus, voor sommigen ene reuke des levens ten leven, en voor anderen ene reuke des doods ten dode. Dezelfde vervolging, die sommigen tot afval en verderf voert, werkt voor anderen, een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid. Beproevingen, die sommigen doen wankelen, bevestigen anderen, Filippenzen 1:12. Zie, hoe spoedig zij afvallen, even spoedig rot als zij rijp waren. Ene belijdenis, die zonder nadenken of onderzoek wordt omhelsd, zal men gewoonlijk ook zonder nadenken loslaten. De doornige grond: een ander deel viel in de doornen, (welke ene bescherming zijn voor het koren, als zij in de heg zijn, maar zeer slechte medebewoners zijn in den akker), en de doornen wiesen op, hetgeen aanduidt, dat zij weinig of niet in het gezicht waren, toen het zaad gezaaid werd, maar later bleek verstikkend er voor te zijn, vers 7. Dit ging verder dan het vorige, want het had wortel, en het stelt den toestand voor van hen, die hun belijdenis niet gans en al laten varen, en er toch het zaligmakende nut niet van hebben. Het goede, dat zij verkrijgen door het woord, wordt ongemerkt overschaduwd en te niet gedaan door de dingen dezer wereld. Voorspoed vernietigt het woord in het hart evenzeer als vervolging het vernietigt, en dat op des te gevaarlijker wijze, naarmate het meer in stilte geschiedt: de stenen bederven den wortel, de doornen bederven de vrucht. Wat nu zijn deze verstikkende doornen? Ten eerste. De zorgvuldigheid dezer wereld. Zorge voor de toekomende wereld zou het ontspruiten en opwassen van dit zaad bevorderen, maar de zorgvuldigheid dezer wereld verstikt het. Wereldse zorgen worden zeer gepast vergeleken bij doornen, want zij zijn met de zonde in de wereld gekomen, en zijn het gevolg, de vrucht, van den vloek. Zij zijn goed op hun plaats, om ene opening dicht te stoppen, maar men moet goed gewapend zijn, als men er veel mee moet omgaan, 2 Samuël 23:6, 7. Zij zijn verwarrend, zij kwellen en scheuren, en hun einde is tot verbranding, Hebreeën 6:8. Deze doornen verstikken het goede zaad. Wereldse zorgen zijn de grote hinderpalen, die ons beletten nut voor onze ziel te trekken uit het woord van God en den Godsdienst. Zij verteren die kracht der ziel, welke aangewend moest worden voor Goddelijke zaken, zij houden ons af van onzen plicht, of verstrooien ons ook bij het betrachten van onzen plicht, en het meeste kwaad doen zij ons nog daarna, de vonken uitblussende van goede genegenheden en de koorden verbrekende van goede voornemens en besluiten. Zij, die bekommerd en ontrust zijn over vele dingen, zullen gewoonlijk het ene ding, dat nodig is, veronachtzamen.
Ten tweede. De verleiding des rijkdoms. Zij, die zich door hun zorg en vlijt bezittingen hebben verworven, en dus het gevaar te boven schijnen te zijn, dat ui t zorg ontstaat, en hoorders des woords zijn gebleven, bevinden zich toch in een strik, Jeremia 5:45. Het is moeilijk voor hen het koninkrijk der hemelen binnen te gaan. Zij stellen zich voor in rijkdom te zullen vinden wat er niet in is, zij zijn geneigd er op te steunen, er een overmatig welbehagen in te vinden, en hierdoor wordt het woord evenzeer verstikt als door zorg. Het is echter niet zozeer de rijkdom zelf, als wel de verleiding des rijkdoms, die het kwaad veroorzaakt. Nu kan men van den rijkdom niet zeggen, dat hij ons verleidt, of bedriegt, of wij moeten er ons vertrouwen op stellen, en er grote verwachtingen van koesteren, en dan is het, dat hij het goede zaad verstikt. De goede grond, vers 8. Een ander deel viel in de goede aarde, en wèl is het te betreuren, dat goed zaad niet altijd in goede aarde valt, want dan ging er niets te loor, zodanig zijn de goede hoorders van het woord, vers 23. Hoewel er velen zijn, die Gods genade en het woord Zijner genade te vergeefs ontvangen, heeft God toch een overblijfsel, die het met uitnemend gevolg ontvangen, want Gods woord zal niet ledig tot Hem wederkeren, Jesaja 55:10, 11. Hetgeen deze goede aarde nu van de andere onderscheidde was, in een woord, vruchtbaarheid. Daaraan worden ware Christenen van geveinsden onderscheiden, dat zij de vruchten der gerechtigheid voortbrengen, zo zult gij Mijne discipelen zijn, Johannes 15:8. Hij zegt niet, dat er in deze goede aarde gene stenen zijn, en gene doornen, maar er waren er geen, die de overhand hadden en aldus hare vruchtbaarheid konden in den weg staan. De heiligen zijn in de wereld niet volkomen vrij van de overblijfselen der zonde, maar wèl zijn zij gelukkig bevrijd van de heerschappij er van. De hoorders, voorgesteld door den goeden grond, zijn: Ten eerste: Verstandige hoorders, zij horen het woord en verstaan het. Zij verstaan niet slechts den zin en de betekenis van het woord, maar ook het belang, dat zij zelf er bij hebben. Zij verstaan het zoals een man van zaken zijne zaken verstaat. In Zijn woord handelt God met de mensen als mensen, op redelijke wijze. Hij wint voor zich hun wil en hun genegenheden door hun verstand te openen, terwijl Satan, die een dief en moordenaar is, door die deur niet ingaat, maar van elders inklimt.
Ten tweede: Vruchtbare hoorders, hetgeen een blijk is van hun goed verstand, en gaf vrucht. Van elk zaad is vrucht als het eigen lichaam, een wezenlijk voortbrengsel in het hart en het leven, overeenkomstig het zaad des woords, dat ontvangen is. Wij dragen vrucht, als wij overeenkomstig het woord handelen, als onze gemoedsgesteldheid en de strekking van ons leven in overeenstemming zijn met het Evangelie, dat wij hebben, als wij dus doen naar ons geleerd is.
Ten derde: Niet allen zijn even vruchtbaar, het een honderd-, het ander zestig- en het ander dertigvoud. Onder vruchtbare Christenen zijn sommigen meer vruchtbaar dan anderen, er is ware genade, maar in verschillenden trap of mate. Sommigen zijn verder gevorderd in kennis en heiligheid dan anderen, alle scholieren van Christus zitten niet in dezelfde klasse. Wij behoren te streven naar den hoogsten graad, honderdvoudige vrucht voort te brengen, zoals Isaak's land, Genesis 26:12, overvloedig zijnde in het werk des Heeren, Johannes 15:8. Maar als de grond goed is, en de vrucht naar behoren, als het hart oprecht is, en het leven daar getuigenis van aflegt, dan zullen zij, die slechts dertigvoudig voortbrengen, even genadiglijk door God aangenomen worden, want wij zijn onder de genade, en niet onder de wet.
Eindelijk. Hij besluit de gelijkenis met een ernstig beroep op hun aandacht, vers 9, Wie oren heeft om te horen, die hore. Het zintuig van het gehoor kan niet beter gebruikt worden, dan om het woord Gods te horen. Sommigen zijn zeer gesteld om liefelijke melodieën te horen, hun oren zijn slechts de dochters des lieds, Prediker 12). Er is gene muziek gelijk aan het woord Gods, anderen zijn gesteld om wat nieuws te horen, Handelingen 17:21. Geen nieuws zo heuglijk als het Evangelie.