Psalm 19:1-7
Van de dingen, die iederen dag door de gehele wereld gezien worden, leidt de psalmist ons in deze verzen tot de beschouwing van de onzichtbare dingen Gods wier bestaan onbetwistbaar blijkt en wier heerlijkheid helder uitblinkt in de zichtbare hemel, in zijn bouw en schoonheid. en in de orde en de invloed van de hemellichamen. Dit voorbeeld van de Goddelijke macht dient niet alleen om de dwaasheid aan te tonen van atheïsten, die zien dat er een hemel is en toch zeggen dat er geen God is, de uitwerking zien en toch zeggen dat er geen oorzaak is, maar ook om de dwaasheid aan te tonen van afgodendienaars, en de ijdelheid van hun verbeelding, daar zij hoewel de hemelen de eer vertellen van God, die eer aan de lichten van de hemel geven, terwijl toch die lichten zelf hen leiden om haar alleen aan God, de Vader van de lichten, te geven. Merk hier nu op:
1. Wat het is, dat de schepselen ons bekendmaken. Zij zijn ons op velerlei wijzen nuttig en dienstbaar maar in niets zoveel als hierin dat zij de eer vertellen van God door ons van Zijn handen werk te tonen, vers 1.
2. Zij tonen duidelijk aan dat zij het werk zijn van Gods handen, want zij kunnen niet van eeuwigheid hebben bestaan, alle opvolging en beweging moet een begin hebben gehad, zij kunnen zichzelf niet gemaakt hebben, dat is een tegenstrijdigheid, zij kunnen niet voortgebracht zijn door een toevallig samentreffen van atomen dat is een ongerijmdheid, eerder geschikt om er de draak mee te steken dan om er mee te redeneren, derhalve moeten zij een Schepper hebben, en die kan geen andere wezen dan de eeuwige Geest, oneindig wijs, machtigen goed. Zo blijkt het dan, dat zij Gods werk zijn, het werk van Zijn vingeren, Psalm 8:4, en daarom vertellen zij Zijn eer. Uit de voortreffelijkheid van het werk kunnen wij gemakkelijk de oneindige volmaaktheid afleiden van zijn grote auteur. Uit de glans en luister van de hemelen kan men afleiden dat de Schepper licht is, hun grote uitgestrektheid wijst op Zijn onbegrensde grootheid, hun hoogte op Zijn voortreffelijkheid en soevereiniteit, hun invloed op deze aarde op Zijn heerschappij en voorzienigheid en algemene weldadigheid, en allen verkondigen zij Zijn almachtige kracht, door welke zij in het eerst gemaakt zijn en in stand blijven tot op de huidige dag, naar de ordeningen, die toen vastgesteld werden.
II. Wat zijn sommige van de dingen, die dit aanduiden, dit bekendmaken?
1. De hemelen en het uitspansel, de grote uitgestrektheid van lucht en ether, en de sferen van de planeten en vaste sterren. De mens heeft in de bouw van zijn lichaam dit voordeel boven de dieren dat, terwijl zij gemaakt zijn om neerwaarts te zien, hij rechtop gemaakt is om opwaarts te kunnen zien, omdat zijn geest ook weldra opwaarts moet gaan waarheen zijn gedachten zich ook thans moeten verheffen.
2. De gestadige en regelmatige opvolging van dag en nacht, vers 3. De dag aan de dag, en de nacht aan de nacht verkondigen de heerlijkheid van die God, die het eerst scheiding maakte tussen het licht en de duisternis, en van de beginne totnutoe deze vastgestelde orde zonder enigerlei verandering in stand heeft gehouden, overeenkomstig Zijn verbond met Noach, Genesis 9:8, dat al "de dagen van de aarde dag en nacht niet zullen ophouden," met welk verbond van de voorzienigheid het verbond van de genade wordt vergeleken ten opzichte van zijn duurzaamheid, Jeremia 33:20, 31:35. De afwisseling van dag en nacht naar zo nauwkeurig een methode is een groot voorbeeld van de macht van God en dringt ons om op te merken dat Hij, evenals in het rijk van de natuur, zo ook in het rijk van de genade, "het licht formeert en de duisternis schept," Jesaja 45:7, en het een tegenover het andere stelt. Het is ook een voorbeeld van Zijn goedheid jegens de mens, want Hij "doet de uitgangen des morgens en des avonds juichen," Psalm 65:9. Door deze gestadige omwenteling verheerlijkt Hij zich niet alleen, maar schenkt ons genot en voldoening, want gelijk het licht van de morgen de werkzaamheden begunstigt van de dag, zo begunstigt de schaduw van de avond de rust van de nacht elke dag en iedere nacht spreken van de goedheid Gods, en als zij hun getuigenis voleindigd hebben, laten zij het aan de volgende dag en de volgende nacht over om hetzelfde te spreken.
3. Het licht en de invloed van de zon verkondigen zeer bijzonder de heerlijkheid van God, want van al de hemellichamen is zij het glansrijkst en het nuttigst voor deze lagere wereld die zonder haar een kerkerhol, een woestijn zou wezen. Het is geen onwaarschijnlijke gissing dat David deze psalm heeft geschreven bij de aanschouwing van een zonsopgang, en door de schittering daarvan opgewekt werd om van de heerlijkheid Gods te spreken. Merk betreffende de zon hier op:
a. De plaats, die haar is aangewezen, God heeft aan de hemel een tent gesteld voor de zon. De hemellichamen worden het heir des hemels genoemd, en daarom worden zij juist en gepast gezegd in tenten te wonen, zoals soldaten in hun kamp. Van de zon wordt gezegd dat haar een tent gesteld is, niet alleen omdat zij voortdurend in beweging is, en nooit een vaste woning of verblijfplaats heeft, maar omdat haar woning aan het einde van de tijd afgenomen zal worden als een tent, wanneer de hemelen toegerold zullen worden als een boek (rol) en de zon veranderd zal worden in duisternis.
b. De loop, die haar is voorgeschreven. Dat heerlijke, glansrijke voorwerp, werd niet geschapen om lui en ledig te zijn, maar haar uitgang (zoals het tenminste toeschijnt aan onze ogen) is van het een einde van de hemel en haar omloop vandaar tot het tegenovergestelde punt en vandaar (om haar dagelijkse loop te voltooien weer terug naar hetzelfde punt, en dat wel met zo'n gestadigheid en standvastigheid, dat wij met zekerheid het uur en de minuut kunnen voorzeggen, wanneer de zon zal opgaan aan zo'n plaats, voor elke volgende dag.
c. De glans en de schittering, waarmee zij verschijnt. Zij is als een bruidegom, die uit zijn slaapkamer komt, rijk gekleed en versierd zo fraai als handen hem kunnen maken, er zelf aangenaam uitziende en alles rondom hem aangenaam makende, want "de vriend van de bruidegom verblijdt zich met blijdschap om de stem van de bruidegom," Johannes 3:29.
d. De vrolijkheid, waarmee zij haar omgang doet, hoewel die omgang zeer groot is, en zij geen ogenblik rust heeft, doet zij hem niet slechts in gehoorzaamheid aan de wet van haar schepping en ten dienste van de mensen, maar doet hem met blijdschap, vrolijk als een held om het pad te lopen. Met zodanige blijdschap en voldoening heeft Christus, de Zon van de gerechtigheid, het werk volbracht, dat Hem te doen was gegeven.
e. Haar algemenen invloed op deze aarde, niets is voor haar hitte verborgen, neen, zelfs geen metalen in de ingewanden van de aarde, waarop de zon ook invloed uitoefent.
III. Aan wie deze bekendmaking van de heerlijkheid Gods gedaan is, het is aan alle delen van de wereld, vers 4, Geen spraak en geen woorden zijn er, geen volk, want de volken werden verdeeld naar hun taal", Genesis 10:31, 32, waar hun stem niet wordt gehoord. Hun richtsnoer gaat uit over de gehele aarde (vanonder de evennaar), en daarmee hun redenen aan het einde van de wereld, de eeuwige macht verkondigende van de God van de natuur, vers 5. De apostel maakt hier gebruik van als van een reden, waarom de Joden op hem en anderen niet vertoornd moesten zijn om hun prediking van het Evangelie aan de heidenen, daar toch God zelf zich reeds bekend gemaakt heeft aan de heidenwereld door de werken van de schepping en zich onder hen niet onbetuigd heeft gelaten, Romeinen 10:8, zodat zij, als zij afgodendienaars waren, zonder verontschuldiging zijn gelaten, Romeinen 1-20, 21 En diegenen waren niet te bestraffen of te berispen, die, door hun het Evangelie te prediken poogden hen van hun afgoderij te genezen. Als God deze middelen gebruikt heeft om hun afval te voorkomen en zij bleken geen uitwerking te hebben, dan hebben de apostelen wel gedaan met andere te gebruiken om hen er van af te brengen. Sommigen lezen de zin aldus: zij hebben geen spraak of taal, en toch wordt hun stem gehoord. Alle volken kunnen deze natuurlijke en onsterflijke predikers in hun eigen taal tot hen horen spreken, de grote werken Gods verkondigende.
Bij het zingen van deze verzen moeten wij God de eer geven van al het genot en het voordeel dat wij hebben van de hemellichten, maar toch over hen heenzien naar de Zon van de gerechtigheid.