Openbaring 7:1-12
Wij hebben hier:
I. Mededeling van het terughouden van de winden. Naar wij onderstellen worden door deze winden bedoeld die dwalingen en ketterijen in den godsdienst, die in de gemeente Gods veel moeite en onheilen zouden aanbrengen. Soms wordt de Heilige Geest vergeleken met den wind, hier worden de geesten der dwaling vergeleken met vier winden, die tegen elkaar inblazen en veel schade aanrichten in de gemeente, den hof en den wijngaard Gods, door de takken te breken en de vruchten af te schudden in Zijne planting. De duivel wordt genoemd de overste van de machten in de lucht. Door een wervelwind wierp hij het huis van Jobs oudsten zoon af. Dwalingen zijn als winden, waardoor de onstandvastigen geschokt en heen en weer bewogen worden, Efeze 4:14. Merk op:
1. Zij worden genoemd de vier winden der aarde, omdat zij alleen blazen in de lagere streken van deze aarde, de hemel is van hen vrij en voor hen onbereikbaar.
2. Zij worden tegengehouden door den dienst der engelen, staande op de vier hoeken der aarde, hetgeen aanduidt dat de geest der dwaling niet verder gaan kan dan God hem toelaat, en dat de engelen de gemeente ten goede dienen, door hare vijanden tegen te houden.
3. Dit tegenhouden was slechts voor een tijd en wel totdat de dienstknechten Gods verzegeld zouden zijn aan hun voorhoofden. God heeft bijzondere zorg en belangstelling voor Zijne dienstknechten in tijden van verzoeking en verdorvenheid, en Hij weet een middel om hen voor de algemene besmetting te bewaren, Hij bevestigt hen eerst en daarna beproeft Hij hen, de duur van hun beproeving is in Zijn eigen hand.
II. Een verhaal van de verzegeling van de dienstknechten Gods. Merk hierbij op:
1. Aan wie dat werk werd opgedragen, aan een engel, een anderen engel. Terwijl sommige engelen gebruikt werden om Satan en zijn medehelpers tegen te houden, werd aan een anderen engel de taak gegeven om de getrouwe dienstknechten Gods te onderscheiden en te merktekenen.
2. Hoe zij werden onderscheiden, het zegel Gods werd op hun voorhoofden gedrukt, een zegel aan Hem bekend en zo duidelijk alsof het op hun voorhoofden te lezen stond, door dit merkteken werden zij in barmhartigheid ter zijde gesteld en in veiligheid gebracht in de zwaarste tijden.
3. Het aantal der verzegelden:
A. Bijzondere mededeling wordt gedaan van hen, die uit de twaalf stammen Israël's verzegeld worden, twaalf duizend uit elke stam, zodat het gehele aantal bedraagt honderd vier en veertig duizend. In deze lijst is de stam Dan overgeslagen, misschien omdat zijn leden meer dan anderen in afgoderij verzonken waren. En de volgorde van de stammen is gewijzigd, wellicht naarmate zij meer of minder aan God getrouw waren gebleven. Sommigen houden dit voor een uitverkoren aantal Joden, die bewaard bleven uit barmhartigheid, ten tijde van de verwoesting van Jeruzalem, anderen menen dat die tijd reeds voorbij was, en dat daarom dit getal meer toepasselijk is op Gods uitverkoren overblijfsel in de wereld. Maar indien de verwoesting van Jeruzalem nog niet had plaatsgehad, en ik houd het voor moeilijk te bewijzen dat dit wèl het geval was) dan ligt het meer voor de hand dat hier bedoeld wordt het volk, dat God zich bewaard had naar de verkiezing der genade, alleen hebben wij hier dan een bepaald getal voor een onbepaald.
B. Een algemene mededeling wordt gegeven van degenen, die uit de andere volken gered worden, vers 9. Een grote schaar, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten, en volken, en talen. Ofschoon van dezen niet gezegd wordt dat zij verzegeld werden, waren zij toch door God uitverkoren uit alle volken, en tot Zijne gemeente gebracht en stonden nu voor den troon.
a. God zal een groter oogst van zielen onder de heidenen dan onder de Joden hebben.
De kinderen der verlatene zijn meer dan die der getrouwde.
b. De Heere kent wie de Zijnen zijn en zal hen veilig bewaren in de ure van verzoeking en gevaar.
c. Ofschoon de gemeente Gods slechts een kleine kudde is in vergelijking met de boze wereld, toch is zij geen te verachten gezelschap, maar werkelijk groot, en zal zij nog meer vergroot worden.
III. Hier hebben wij de lofzangen der heiligen en der engelen bij deze gelegenheid, vers 9-12.
1. De dankzegging, Gode gebracht door de heiligen (en naar het mij toeschijnt door de gelovigen uit de heidenen), voor de zorg Gods in het bewaren van zulk een groot overblijfsel uit de Joden en omdat Hij dit gered heeft van ontrouw en verwoesting. De Joodse kerk bad voor de heidenen voor hun bekering, en de gemeenten uit de heidenen hebben reden om God te danken voor Zijn onderscheidende barmhartigheid jegens zo velen uit de Joden, toen de overigen afgesneden werden. Merk hier op:
A. De houding van deze dankzeggende heiligen: Zij stonden voor den troon en voor het Lam, voor den Schepper en voor den Middelaar. In daden van godsdienstige aanbidding naderen wij dicht tot God, en moeten er van doordrongen worden dat wij in Zijn bijzondere tegenwoordigheid zijn. En wij moeten tot God komen door Christus. De troon van God zou voor zondaren ongenaakbaar zijn, indien zij niet door een Middelaar konden naderen.
B. Hun kleding: Zij waren bekleed met lange witte klederen en palmtakken waren in hun handen. Zij waren bedekt met de lange klederen van rechtvaardigmaking, heiligheid en overwinning, en hadden palmtakken in hun handen, gelijk overwinnaars plachten te dragen bij hun zegetochten. Zulk een heerlijke openbaring heeft God Zijn getrouwen dienstknechten bereid aan het einde, wanneer zij den goeden strijd gestreden en hun loop geëindigd hebben.
C. Hun bezigheid: Zij riepen met grote stem, zeggende: De zaligheid zij onzen God, die op den troon zit, en het Lam! Dit kan men beschouwen als een Hosannah, alles goeds wensende aan de belangen van God en van Christus in de gemeente en in de wereld, of als een Halleluja! waardoor aan God en aan het Lam de lof voor de grote zaligheid gegeven wordt. De Vader en de Zoon worden in deze dankzegging samengevoegd, de Vader besloot tot de zaligheid, de Zoon verwierf haar, en zij, die er zich in verblijden, moeten en zullen den Heere en het Lam zegenen, en zij zullen het doen zonder ophouden en met groten ijver. 2. Hier is het lied van de engelen, vers 11, 12.
A. Hun plaats, Rondom den troon, als Zijn lijfwacht, en rondom de heiligen, om hen te dienen.
B. Hun houding, die is zeer nederig en geeft den grootsten eerbied te kennen. Zij vielen voor den troon op hun aangezicht en aanbaden God. Ziet hier de uitnemendste van alle schepselen, die nooit gezondigd hebben, die voortdurend Hem omringen, niet slechts hun aangezichten bedekkende, maar voor den Heere op hun aangezichten neervallende. Hoeveel eerbied dus en hoe diepe nederigheid betaamt ons, eindige en zwakke schepselen die wij zijn, wanneer wij in de tegenwoordigheid Gods verschijnen! Wij behoren voor Hem neer te vallen, in al ons naderen tot God moet een eerbiedige gemoedsgesteldheid en een nederig gedrag den boventoon hebben.
C. Hun dankzegging, Zij stemmen in met de dankzegging der heiligen, zeggen hun Amen! erop. Er is in den hemel volmaakte overeenstemming tussen de engelen en de heiligen. En daarna voegen zij er van zich zelven bij: De lof, en de heerlijkheid, en de wijsheid, en de dankzegging, en de eer, en de kracht, en de sterkte zij onzen God in alle eeuwigheid, Amen!
a. Zij erkennen de heerlijke eigenschappen van God, Zijn wijsheid, Zijn macht en Zijn sterkte.
b. Zij getuigen dat Hij om deze goddelijke volkomenheden moet gezegend, geprezen en verheerlijkt moet worden in alle eeuwigheid, en bevestigen dat met hun Amen! Wij zien hier wat het werk is in den hemel, en wij moeten daarmee nu beginnen, onze harten moeten er hier voor gestemd worden, er veel in verkeren en verlangen naar die wereld, waar onze dankzegging, evenals onze zaligheid, volmaakt zal worden.