8. Die spotters beroepen zich (
Vers 4) op het ontslapen van de vaderen, aan wie de toekomst van de Heere reeds beloofd werd als een nabij zijnde, terwijl nu toch reeds zo lange tijd is verlopen, zonder dat de vervulling van zodanige belofte ook maar van verre gezien is. Maar deze éne zaak zij u niet onbekend, geliefden! hierop moet vooral worden gelet, dat één dag bij de Heere God (
Hoofdstuk 2:9) is als duizend jaren naar onze maatstaf gemeten en omgekeerd duizend jaren voor Hem zijn als één dag; voor Hem worden zij tot zo'n korte tijdruimte (
Psalm 90:4).
In Vers 5 heeft de apostel gewezen op het punt, dat die spotters bij hun bewering voorbijzien. In Vers 8 wijst hij nu op het hoofdpunt, dat zijn lezers in deze zaak niet mogen vergeten. En als vers 5-7 dient tot weerlegging van de bewering: "alle dingen blijven zo als van het begin van de schepping, "dan dienen Vers 8, 9 tot weerlegging van "die dag, dat de vaders ontslapen zijn", van waar de vraag van de bespotting: "waar is de belofte van Zijn toekomst? " haar uitgangspunt voornamelijk heeft. De apostel geeft toe, dat naar menselijke verwachting een talmen plaats heeft; dit te verklaren, is vooral zijn doel. Hij wil niet zozeer de spotters weerleggen, maar zijn lezers bevestigen. Daarom schrijft hij "maar deze zaak zij u niet onbekend, broeders! " omdat hij datgene hun wil voorstellen, in welks juiste betekenis de sleutel ligt van het geheel.
Die spotters vergeten moedwillig één zaak, die zij niet moesten vergeten. Zij, die Petrus met het "broeders" aanspreekt, waarmee hij de gelovigen bedoelt, die deze spotredenen van de spotters moeten aanhoren, en niet goed weten wat zij daarop moeten zeggen en hoe zij daarentegen de waarheid en zekerheid van de hoop, die zij hebben, moeten verdedigen, mogen één ding niet eveneens voorbijzien, zij moeten één zaak bedenken. Als zij maar dat éne vasthouden, dan zullen alle spotwoorden niets tegen hen kunnen doen. En dit een is dit, dat één dag voor de Heere, in de ogen van God, of volgens Gods beschouwing, is als duizend jaren en omgekeerd, duizend jaren als één dag zijn. In geen geval wordt hiermee uitgedrukt, dat het begrip van tijd voor God in het geheel niet bestaat, alleen een menselijke voorstelling is; hoe kan van een goddelijk wereldregeren sprake zijn, als voor God de perioden van tijd niet bestaan? Hoe kan van een heilige geschiedenis worden gesproken, als God de tijd niet kent, niet voor Zijn aangezicht duldt. God zelf staat voor Zijn persoon boven de tijd, maar in Zijn werken ten opzichte van de wereld erkent Hij de tijd wel, neemt Hij die in acht, sluit Hij Zich daaraan aan. Onze zinsnede, die zich hecht aan het woord van Mozes in Psalm 90:4, wil dus, zoals Gerhard het uitdrukt, niets anders zeggen, dan dat bij ons een groot onderscheid en een zeer lange tijdsruimte is tussen één dag en duizend jaren, omdat wij onderworpen zijn aan de tijd en naar dezen afmeten, maar bij God, die aan het op elkaar volgen in de wisseling van de tijd niet onderworpen is, voor wie al het verleden en al wat toekomstig is, gelijk staat met het tegenwoordige, een dag en duizend jaren, naar de maatstaf van de onbegrensde eeuwigheid gemeten, in niets van elkaar onderscheiden zijn. God beschouwt de tijd anders dan wij, de maat, waarmee wij meten, is niet de goddelijke. Wat ons lang voorkomt, is voor God vaak kort en wat ons kort voorkomt, noemt God vaak lang.
Duizend jaren zijn voor de Heere als één dag, evenals bij een rijk man duizend gulden als een penning zijn. God beschouwt de tijd niet in de lengte, maar dwars; evenals wanneer u een lange boom, die voor u ligt, dwars beziet, u dan beide einden tegelijk in het oog kunt hebben.
De kerkvaders hebben, zoals bekend is, uit onze plaats afgeleid, dat de wereld 6000 jaren zou bestaan, waarop dan de sabbat, in Hebreeën 4:9 voorspeld, volgen zou. Ook de oude Etruriërs leerden reeds, dat de wereld 6000 jaren zou bestaan en na het zesde duizendtal het grote jaar zou komen.