18. En om u tenslotte, nadat ik u zo over het einde van de hoer mededeling heb gegeven, nu ook een korte verklaring te geven van het geheim, waarvan sinds
Vers 15 sprake was, de vrouw, die u gezien heeft in de woestijn (
Vers 3 v.), is de grote stad, die in deze tijd, waarin u dit gezicht heeft ontvangen, het koninkrijk heeft over de koningen van de aarde en daarvoor in de plaats van het oude Babylon is getreden, dat reeds tot een woestijn is geworden (
Jesaja 21:1 Jeremia 50:38). Daarin ligt echter ook reeds voor afgebeeld, dat dit Rome zelf nog eenmaal moet verwoest worden, opdat de voorspelling haar volle recht behoudt (
Vers 16).
Dat Rome, als beheerseres van de wereld in Babylons plaats getreden, na de val van het pausdom de hoofdstad zal worden van het antichristische wereldrijk, geeft deze plaats slechts indirect en bedekt te kennen; het blijkt echter duidelijk uit die plaatsen van de Oud Testamentische profetieën, die, omdat zij van Babel spreken, de antichrist en diens rijk op het oog hebben. De Openbaring an Johannes laat zich met dit punt niet verder in, daartegenover geeft zij, door de vrouw als de grote stad voor te stellen, die in haar tijd het koninkrijk heeft over de koningen van de aarde, duidelijk te kennen, dat Rome nog eens de zetel zal zijn van een Kerk, die de aarde beheerst en geeft volkomen recht tot de uitlegging, die het door haar genoemde Babylon, de grote stad (Hoofdstuk 14:8; 16:19) het pauselijk Rome verstaat. In de beide beesten (Hoofdstuk 13:1 v. en 11 v.) wordt een tegenhanger gevonden van Christus en de Heilige Geest. De vrouw daarentegen contrasteert duidelijk met de vrouw in Hoofdstuk 12, en de bruid van het Lam in Hoofdstuk 19:7; 21:2, 9, evenzo Babel, de grote stad, met de heilige stad en het nieuwe Jeruzalem in Hoofdstuk 11:2, 21:2, 10 en nu ook de toestand van de vrouw in Vers 6 met van de bruid in Hoofdstuk 19:7, 21:2 dat voor zo lange tijd een grote rol speelt in de geschiedenis van het rijk van God, is niet de weg tot voltooiing ervan, maar tot de laatste ontwikkeling van het anti-Christendom. Rome wil zich toe-eigenen, wat aan Jeruzalem is beloofd; het zal ten slotte de residentie zijn van de antichrist, die als priesterkoning optreedt.
Hier wordt nu nauwkeuriger aangewezen, wat reeds in de zevende toornschaal voor ogen is gesteld. De hoer, in de vrouw verborgen, zit op het beest in de woestijn en op de vele wateren. De volkeren van het beest in de woestijn en de vele wateren zijn zo een en hetzelfde, namelijk de volken in Europa en in de aangrenzende landen. Volken en schaar (gepeupel) zijn de meest nabijzijnden, heidenen of natiën of tongen de meer verwijderden (Jeremia 50:38). (In de loop van deze uitlegging hebben wij dus met recht de zee als een zinnebeeld van volken en bewegingen onder de volken beschouwd). De tien horens op het beest in de woestijn zijn weer deze volken, maar onder een andere benaming. Deze en het beest of de antichrist zullen de hoer haten. Nadat het Tienkoningschap en daarmee de steun van het pausdom gevallen was, liep het pausdom gevaar een prooi van de vreselijke toorn en de bittere wraakzucht van de tien horens te worden, die het met recht als de stoutste heerschappij herkenden en het haatten. De hiërarchie was zich daarvan niet onbewust. Daarom haastte zij zich, overblufte de volken met vrijheidsgeschrei en liet onverwacht het hele pausdom vallen, ten einde de heerschappij over de volken te behouden en de rijkdom van de Kerk te genieten. De plotselinge overgang tot het leger van de volksheerschappij en de bedwelmende vrijheidsredenen maakten zo'n indruk op de volken, dat zij de oud-eerwaardige Rome nog eenmaal verschoonden. Dit zal des te makkelijker gebeuren, omdat de toekomst-religie door het pausdom en zijn hulpmiddelen des te zekerder gegrondvest kan worden. Zo zouden dan de volken, wanneer de wereld niet op waarheid en gerechtigheid was gegrond, kunnen voortleven en voortgenieten. Maar de volksheerschappij met haar gruwelen kan niet bestaan en God schrijdt voort ten gerichte. De tien opperhoofden (presidenten, voorstanders of voorgangers) van de volksheerschappijen worden voor de antichrist, door het uitzicht op het genot van de erfenis van de goederen en nalatenschap van de hoer, gewonnen. Deze en de antichrist haten de hoer reeds van vroegere tijden, maar durven uit vrees voor de haar aanhangende volken niet tegen haar optreden. Velen onder de volken zullen evenwel ook met de anti-christ en zijn tien onderkoningen in haat tegen de hoer overeenstemmen, in het bijzonder wanneer zij zullen bemerken, dat zij andermaal bij deze nieuwe orde van dingen de bedrogenen zijn geweest. Zo zullen dan hele schaar van roofgierige Europeërs, de brodeloze arbeiders, verder allerlei gespuis, inzonderheid de troepen van de tien koningen en van de antichrist in verbond met de roofhorden van de koningen van de opgang van de zon, de hoer helpen verwoesten. Deze zullen haar woest maken en naakt; het goud, waarmee zij verguld is, haar edelgesteenten en parels (17:4) zullen zij afrukken van haar lichaam en buit maken. En haar vlees, de vele kerkgoederen in Europa, zullen zij eten. Het vlees bestaat in goud, zilver, edelgesteenten, wijnbergen, akkers, weiden, bossen, velden, hoven, opgehoopte schatten van allerlei aard. De volken zullen bemerken, dat er buit te verzamelen is. Daar heeft een dode hand sinds meer dan 1000 jaren schatten bijeengehoopt voor spottende en zwelgende erfgenamen; schatten, die menige bedrogen ziel ter verkrijging van de zaligheid aan de Kerk heeft vermaakt, worden door de koningen van de opgang en van de ondergang van de zon met hun rooflustige krijgsschaar verteerd. Voorts wordt zij met vuur verbrand, tot een woestijn en eeuwige puinhoop gemaakt. Bij dit werk van de vernietiging wordt geheel Europa een woestenij.
Wij hoeven in de geschiedenis niet verre te zoeken naar de vervulling van deze voorspelling over Rome. De kerkvader Hieronymus schrijft: "dat nog enigen van onze in leven zijn, is niet onze verdienste, maar de barmhartigheid van de Heere. Het rijk wordt door talloze wilde volken overstroomd en deze verwoesten alles, zover zich de grenzen van het rijk uitstrekken. " Van Rome's verwoesting door Alarik zegt hij: "De stad werd veroverd, die eens de hele wereld veroverde; of liever, zij ging door de honger onder, eer het zwaard haar vernielde en nauwelijks vonden de vijanden er nog, die zij gevangen konden nemen. De woede van de uitgehongerden deed hun aanvallen op de walgelijkste spijzen; zij verslonden elkaar; de moeders verschoonden haar zuigelingen niet en verslonden die zij pas hadden gebaard. " Zo vernielden de barbaarse Wandalen, Sarmaten, Alanen, Heruliërs, Saksers, Bourgondiërs, Alemannen en nog vele anderen, totdat er van dat eens zo prachtige, eens zo met de schatten van de wereld getooide, eens zo trotse Rome, niets overbleef dan een puinhoop.
Als zij lang genoeg de hoer hebben aangekleefd, dan zal hun liefde veranderen in haat en zij zullen hun krachten inspannen tot haar verderf. Sommigen haten haar reeds en zijn van haar afgevallen in de tijd van de hervorming. Anderen, die haar nog aanhangen, zullen haar ook haten. Of zij tot de waarheid zullen bekeerd worden en uit de kennis, dat de paus de antichrist is, hem zullen verlaten en verwoesten, dan of zij uit staatkundige inzichten, weinig werk van godsdienst makend, Rome zullen innemen en verbranden, is niet uitgedrukt. Immers zij zullen haar niet meer onderworpen zijn; zij zullen haar naakt uitschudden van al haar heerlijkheid, rijkdommen en inkomsten beroven, uit haat als in haar vlees bijten en haar stoel en paleis zullen verbrand worden. Deze oordelen worden in het volgende hoofdstuk in het brede beschreven. Door de vrouw wordt een stad verstaan een grote stad in het gemeen; daar waren meer grote steden, maar het was de grote stad, die zo duidelijk wordt beschreven en als met de vinger aangewezen, dat een ieder zien kan, dat het Rome was, want geen stad had toen in de tijd van Johannes het gebied over de hele wereld en over alle koningen van de aarde, als Rome. Rome onder het zevende hoofd, welke tegelijk de achtste koning is. De paus van Rome heeft alle volkeren uit zijn gouden beker, vol wijn van de hoererij, dronken gemaakt en tot zijn afgoderij verleid en de koningen van de aarde aan zich onderworpen.
Tot dusverre heeft Hij deze koningen overgegeven en zal hen blijven overgeven aan deze verleiding, totdat Zijn geestelijke plagen voleindigd zullen zijn. Daarom, omdat Hij hun zo buitengewoon het ene heeft doen verrichten, kan en zal Hij hen nu ook het andere doen volbrengen. Omdat zij nu het ene deel vervuld zien, te weten, dat God het in hun harten heeft gegeven, om zo eendrachtig Zijn slaven te zijn, mogen wij ook met zekerheid het andere verwachten en het eerste voor een zeker pand van het laatste houden, dat dit teweeg zal gebracht worden door de koningen en volken van dat gedeelte van de wereld, over hetwelk hij het langst heerschappij geoefend heeft.
Het blijkt duidelijk, dat deze stad komen zal en het beest, een machtig rijk, dat van haar als de moederstad en koninklijke zetel afhangt. Geen andere stad ontving de loftitels in Johannes' dagen. het Kan het heidens Rome niet zijn, omdat het beest gezegd wordt op te zullen komen na de dagen van Johannes, omdat het beest de achtste koning heet, omdat in Johannes' dagen de zesde: namelijk het keizerdom, de macht van de bergen had; omdat de hoererij van de vrouw gemeld wordt, dat het Christelijk geloof schijnt vooraf te stellen; om de verlokkingen haar toegeschreven, die op het heidens Rome, alles met geweld uitvoerend, weinig passen; om de volle en eindelijke verwoestingen, het heidens Rome nooit overkomen. Wij hebben te oordelen dat de Heilige Geest ons hier Rome afschildert, dat door het pausdom voor lang nu van het ware Christendom afgeweken en zo het hoofd van het antichristus rijk geworden is. Al de gezegden in dit hoofdstuk komen er wonder wel mee overeen, dat men bij het optellen bemerken kan als men maar oplet. Zeker deze stad en Kerk is groot in achtbaarheid van huizen en kostelijke tempelen, wijd uitgestrekte macht over geheel Europa, ja de hele wereld, verbazende overdaad en pracht van haar burgers en groten, en werd zij als groot boven alle steden en kerken met ontelbare loftuitingen in de wereld verheerlijkt. Zij heeft echt het koninkrijk over koningen van de aarde zelf, terwijl die gehouden zijn zich naar haar wil te schikken, tenzij zij met de hemelsen bliksem van de ban geslagen willen worden, niet alleen in het geestelijke maar ook in hun lichamelijke macht, die enigen rechtuit als leenmannen van de vorst van deze stad ontvangen, anderen bedekt indirect van die gans afhankelijk houden. De naam "grote hoer" past op haar terecht om de lichamelijke onkuisheden daar gepleegd, openbaar veroorloofd, soms volstrekt, soms bij vergelijkingen geprezen en openbaar door verbod van huwelijk aangekweekt. In geestelijken zin moet zij die naam dragen, die van de zuiverheid van het geloofs en van de ware godvruchtigheid afgeweken is tot verbazende en meer dan heidense afgoderij en bijgelovigheid, zoals hier de groten en kleinen haar volgen, door haar wereldse betoveringen verlokt, zodat zij haar als koningin en godes de wereld aanbidden en van haar onfeilbare mond in stuk van geloof en zeden afhangen, zo ziet een ieder, hoe de koningen van de aarde met haar hoereren en die de aarde bewonen dronken geworden zijn van den wijn van haar hoererij. Hoe overvloedig de gelegenheid van deze stad ook is in allerlei lichamelijke invloed, zo is zij nog in de woestijn gelegen, als u het gebrek van genade en onvruchtbaarheid van goede zeden opmerkt, waar dit onkruid van goddeloosheid en bijgelovigheid of geveinsdheid daar welig groeit. Deze stad en Kerk zit als heerseres en regente op het hele antichristische rijk door het beest voorgesteld, terwijl zij in de schoot van haar zeven bergen de koning antichrist omvangt na zeven verscheidene wijzen van regeren, die deze stad en de Roomse wereld juist gehad heeft voor de paus. Verder munt zij uit in alle wereldpracht en luister, die zij in haar gewijde en gemene gebouwen ten toon spreidt en voor de inwonende prelaten en burgers; de parels, edelgesteenten en goud stralen er in ieders ogen, zodat u zou menen dat naar deze algemene verzamelplaats alles moest toevloeien, zelfs het purper, waarmee de geestelijke vaders daar bekleed zijn. Wij kennen allen de listen, die deze stad en Kerk uitoefenen om de wereld te trekken en te bedriegen. Zelfs haar vleiers kunnen het niet loochenen. De naam van moeder van de hoererijen en gruwelen van de aarde wordt voldoende gerechtvaardigd door de lichamelijke en geestelijke onreinheid van haar tot de overige steden en gemeenten afvloeiende, evenals vroeger getoond is, dat die van het grote Babylon haar toekomt. Het bloed van de martelaren met meer dan heidense wreedheid vergoten op aandringen van het pauselijke Rome, dat het nog met blijdschap aanschouwt, roept uit dat zij dronken is van het bloed van de heiligen, waarnaar zij nog dorst. De menigte van de koningen, die het rijk van dit Rome ondersteunen en versterken, heeft men van voor vele eeuwen gezien, hoewel ook gezien is dat het rijk over alle volken verminderd is, toen de liefde veler koningen in haat veranderde en aldus met haar verwoesting een aanvang werd gemaakt, die wij vast vertrouwen dat zal voltrokken worden en God te die einde de harten van meerdere koningen te Zijner tijd naar de grootheid van Zijn kracht neigen zal, niettegenstaande de tegenwoordige groei van Rome en het verval van de Kerk. Dit moet voorgaan, opdat Gods hand in dit grote werk te zichtbaarder blijkt. Het Lam zal eindelijk zeker weer overwinnen en eveneens ook wij, als wij maar volstandig bij het Lam blijven en ons betonen de geroepen uitverkorenen en gelovigen te zijn.