Jeremia 4:19-31
De profeet is hier in angst en schreeuwt het uit als in een plotselinge aanval van pijn, of als een vrouw in barensnood. De uitdrukkingen zijn zeer heftig en roerend, sterk genoeg om een stenen hart van aandoening te doen smelten. O mijn ingewand, mijn ingewand! Ik heb barenswee, o wanden van mijn hart. En toch is hij lichamelijk gezond en deert hem niets. Een godvrezend man kan, in zo'n slechte wereld als de onze is, niet anders dan een man van smarte zijn. Mijn hart maakt getier in mij, door het oproer van mijn zenuwen, ik kan niet zwijgen. Het leed en de smart kunnen soms zo hevig zijn, dat de bedaardste en voorzichtigste mens zijn klachten niet inhouden kan.
Wat is dan de reden? Wat kan een goed man zo in beroering brengen? het is niet enig leed dat hem of zijn familie getroffen heeft. Het is niet anders dan de toestand van zijn volk die hem dus ter harte gaat.
I. Zij zijn zeer zondig en willen niet hervormd worden, vers 22. Dat zijn de woorden van God zelf, want daarin schetst de profeet Zijn volk, liever dan in zijn eigen woorden. Zeker, Mijn volk is dwaas. God noemt hen Zijn volk, ofschoon zij dwaas zijn. Zij hebben Hem verworpen, maar Hij heeft hen niet verworpen, Romeinen 11:1. Zij zijn Mijn volk, met hetwelk Ik in verbond geweest ben en waarvoor ik nog genade in voorraad heb. Zij zijn dwaas, want zij kennen Mij niet. Zij zijn in waarheid dwaas, die God niet kennen, voornamelijk indien zij zich Zijn volk noemen en het voorrecht hebben voortdurend met Hem in aanraking te zijn, en toch Hem niet kennen of gekend hebben. Zij zijn zotte kinderen, dom en gevoelloos, en zij zijn niet verstandig Zij kennen geen onderscheid tussen waarheid en leugen, goed en kwaad, zij kunnen de bedoeling Gods niet onderkennen, zo min in Zijn woord als in Zijn voorzienigheid, zij hebben geen begrip van hetgeen hun waarachtig belang is of waar zij dat vinden kunnen. Zij zijn wijs om kwaad te doen om onrecht te stichten in een geheel richtig land, wijs om aan al hun lusten te voldoen en die daarna te verhelen en te vergoelijken. Maar goed te doen weten zij niet, daarvan hebben zij geen begrip, dat trekt hen niet aan, dat is hun tegen de zin, zij weten niet hoe zij een goed gebruik moeten maken van de instellingen en voorzieningen Gods, of hoe die enigszins ten bate van hun land aan te wenden. Het tegendeel daarvan behoort onze eigenschap te zijn, Romeinen 16:19 :"Ik wil dat gij wijs zijt in het goede, maar onnozel in het kwade."
II. Zij zijn zeer ellendig en kunnen geen beterschap krijgen.
1. Hij roept uit: Want gij, mijn ziel, hoort het geluid van de bazuin en het krijgsgeschrei. Gij ziet de banier en hoort het geluid van de bazuin, verzen 19 en 21. Hij zegt niet: gij hoort het, mijn oor, maar, mijn ziel, want deze gebeurtenis lag nog in de toekomst, en hij ontvangt daarvan de indruk en ziet het gebeuren door de geest van de profetie. Zijn ziel hoorde het in de woorden Gods, en daarom was hij er zo van verzekerd en er zo door ontroerd als hoorde hij het met zijn lichamelijke oren. Hij geeft uiting aan dit diepe gevoel.
a. Om te tonen dat ofschoon hij dit onheil voorzegde, hij er verre van was om de dodelijke dag te begeren, want die zou ook voor hem een dag van rouw zijn. Het betaamt ons te sidderen bij de gedachte aan de ellende, waarin de zondaren zichzelf storten, al hebben wij door genade voor onszelf goede hoop dat wij zullen verlost worden van de toekomende toorn. b. Om hen op te wekken tot een heilige vrees en daardoor tot zorg om zo'n ontzettend oordeel te voorkomen door oprecht en tijdig berouw. Zij, die anderen door het woord van God willen bewegen, moeten tonen dat zij er zelf door bewogen zijn.
2. Laat ons nu zien wat er in de hier voorzegde en vooruit aanschouwde verwoesting zo buitengewoon aandoenlijk is.
A. Het is een snelle en plotselinge verwoesting. Zij komt over Juda en Jeruzalem eer zij er op verdacht zijn, en stort zich zo geweldig over hen uit dat zij geen tijd hebben om op adem te komen. Zij hebben geen tijd om hun gedachten te verzamelen, nog veel minder om op krachten te komen. Breuk op breuk wordt er uitgeroepen, vers 20, de ene verwoesting na de andere, een groot onheil, gelijk de boodschappers bij Job elkaar op de hielen volgden. De dood van Josia brak het ijs en zette de sluisdeuren open. Nog geen drie maanden daarna werd zijn zoon en opvolger Joahaz door de koning van Egypte afgezet, twee of drie jaren later belegerde Nebukadnezar Jeruzalem en nam haar in, en van die tijd af deed hij onophoudelijk invallen in het land van Juda met zijn heirlegers, onder de regering van Jojakim, Jechonia en Zedekia, totdat hij eindelijk, na omstreeks negentien jaren hun ondergang volkomen gemaakt had door de verwoesting van Jeruzalem. Zo zijn haastelijk hun tenten verstoord en hun gordijnen in een ogenblik. Ofschoon de steden het nog enige tijd uithielden, werd het land bijna onmiddellijk woest gemaakt. De schaapherders en alle tentbewoners werden op staande voet uitgeplunderd, zij en hun bezittingen vielen in handen hunner vijanden. Daarom vinden wij de Rechabieten, die tentbewoners waren, tegen de eerste komst van het leger van de Chaldeën in het land, binnen Jeruzalem teruggetrokken, Jeremia 35:11. De bewoning van de dorpen hield plotseling op. In een ogenblik zijn mijn gordijnen verstoord. De bewoners van het platte land werden de eerste prooi van de vijand.
B. Deze vreeslijke oorlog duurde een lange tijd niet aan de grenzen, maar in het hart van het land, want het volk was zeer hardnekkig en wilde zich niet aan de koning van Babel onderwerpen, doch nam alle gelegenheden waar om tegen hem op te staan, waardoor zij slechts hun ongeluk verlengden, zij hadden beter gedaan met zich dadelijk, in plaats van eindelijk te onderwerpen. Hierover wordt geklaagd in vers 21. Hoe lang zal ik de banier zien, het geluid van de bazuin horen? Zal het zwaard dan altijd verteren? Godvrezende mensen scheppen geen behagen in de oorlog, want zij hebben er geen verstand van om in troebel water te vissen, zij zijn "voor de vrede, Psalm 120:7, en zullen van harte Amen" zeggen op het gebed: Geef vrede in onze dagen, o Heere! O zwaard des Heeren, wanneer zult gij in de schede keren?
C. De verwoesting, daardoor in het gehele land aangericht, was algemeen en volkomen. Het gehele land is verstoord of leeggeplunderd, vers 20. Zo was het in de eerste tijd en eindelijk werd het een ware chaos. De verwoesting was zo groot dat zij steeg tot zekere vernietiging, niet slechts de bovenbouw, maar de fundamenten werden alle uit elkaar gerukt. De profeet ziet in visioen de uitgebreidheid en volkomenheid van deze verwoesting, en geeft er hier de levendigste beschrijving van, zodat men zou denken dat dit hen in hun zonden onrustig zou gemaakt hebben, die woonden in een land, dat veroordeeld was tot zo'n ondergang, die toch door oprecht berouw had kunnen voorkomen worden.
a. Ik zag het land aan, en zie, het was woest en ledig, vers 23, zoals het heet in Genesis 1:2, het is tobu en bohu, dezelfde woorden worden hier gebruikt ten aanzien van het land van Juda. Het is verdord en geledigd, van al zijn schoonheid ontdaan, uitgeledigd, van al zijn rijkdom en, vergeleken met wat het geweest is, was nu alles van zijn plaats en uit zijn vorm. Tot nog erger chaos dan deze zal de gehele aarde worden aan het einde des tijde, wanneer zij en al de werken die er in zijn brandende zullen vergaan.
b. Ook de hemel was zonder licht gelijk de aarde zonder vruchten. Dit verwijst naar "de duisternis, die op de afgrond was," Genesis 1:2, en vertegenwoordigt Gods misnoegen tegen hen, gelijk de zon verduisterd werd tijdens de dood van de Zaligmaker. Niet alleen de aarde begaf hen, maar ook de hemel boven hen verduisterde, en bij hun ellende hadden zij duisternis, want zij konden niet zien door al hun ellende. De rook van hun huizen en steden, die door de vijand verbrand werden en het stof dat de legers in hun marsen opwierpen, verduisterden zelfs de zon, zodat de hemelen zwart waren en geen licht hadden. Of, het moet in figuurlijke zin opgevat worden: De aarde, dat is het gewone volk, was verarmd en in verwarring, en de hemelen, dat is de vorsten en de regering, hadden geen licht. Geen wijsheid in zichzelf, en waren in geen enkel opzicht tot steun en leiding voor het volk. Zie Mattheus 24:29.
c. Ik zag de bergen aan, en zie, zij beefden, en alle heuvelen schudden, vers 24. Zo verschrikkelijk was de verschijning van God tegen Zijn volk als zij in oude dagen voor hen geweest was, toen "de bergen sprongen als rammen de heuvelen als lammeren," Psalm 114:4. "De heuvelen van de eeuwigheid hadden zich gebogen," Habakuk 3:6. De bergen, waarop zij hun afgoden aangebeden hadden, de bergen, tot welke zij opgezien hadden om hulp, beefden alle alsof zij kennis droegen van de schuld van het volk. de bergen, diegenen onder hen, die de hoogste en sterkste schenen te zijn en die vast van besluit moesten zijn, beefden bij de nadering van het leger van de Chaldeën. De heuvelen bewogen, of bewogen lichtelijk, alsof zij het moede waren zo'n zondig volk te dragen, Jesaja 1:24.
d. Niet alleen de aarde, maar ook de lucht was onbevolkt en bleef onbewoond, vers 25. Ik zag het land aan, en de steden, het landschap dat gewoonlijk zo dicht bevolkt was, en zie, daar was geen mens te vinden, alle bewoners waren of gedood, of gevloden, of gevankelijk weggevoerd, zo'n verwoestend en ontvolkend ding is de zonde, ja, zelfs alle vogels van de hemel, die gewoon waren er rond te vliegen en in de takken van het geboomte te rusten, waren nu weggevlogen, en werden niet meer gezien of gehoord. Het land van Juda was nu geworden gelijk de zee van Sodom, boven welke naar men zegt, geen vogel vliegt, zie Deuteronomium 29:23. De vijanden zullen zo'n wildernis van het land maken, dat er zelfs geen vogel in overgelaten wordt.
e. Beide de grond en de huizen zullen een woestijn worden, vers 26 :Zie, het vruchtbare land was een woestijn, verlaten door de inwoners, die het hadden moeten bebouwen, en daarna spoedig overgroeid met doornen en distelen, of platgetreden door het vernielende leger van de vijand. Ook de steden, met haar poorten en wallen, waren afgebroken en met de grond gelijk gemaakt. Zij, die niet verder zien dan naar de tweede oorzaken, schrijven dat toe aan het overleg en de woestheid van de vijand, maar de profeet die verder en naar de eerste oorzaak ziet, zegt: dat is vanwege de Heere, vanwege de hitte van Zijn toorn, de toorn van Zijn aangezicht uitstralend, had dat gedaan. Zelfs toornige mensen kunnen ons geen wezenlijk kwaad doen, tenzij God toornig tegen ons is. Indien onze wegen Hem behagen, is alles wel.
f. De bedoeling van dit alles is dat het volk geheel en al verwoest zal worden, en dat elk deel ervan daarin zal begrepen worden, geen stad, geen landstreek zal er aan ontkomen. Ten eerste. Geen landstreek, want dit gehele land zal een woestheid zijn, bouwland en weiland, eigen grond en gemeentegrond, alles zal woest liggen, vers 27, de overwinnaars zullen gelegenheid hebben om alles te verwoesten.
Ten tweede. Geen mens, want al de steden zullen vluchten, vers 29, al de inwoners zullen hun woonsteden verlaten, van het geroep van de ruiteren en van de boogschutters. Liever dan aan hun woede blootgesteld te zijn, zullen zij gaan in de wolken, of in de dichte bossen op de bergen, waar zij gevaar lopen door wild gedierte verscheurd te worden of ellendig in het doorngewas om te komen, en zij zullen klimmen op de rotsen, waar het verblijf hard en koud en het gevaar van naar omlaag te storten dreigend zal zijn. Laat ons niet al te gehecht zijn aan onze huizen en steden, want de tijd kan komen, waarin rotsen en doornbossen ons verkieslijker zullen zijn. Dit zal alom het geval zijn, want alle steden zullen verlaten worden en er zal geen mens overblijven, die er in durft wonen. Beide regering en verkeer zullen stilstaan, alle gezelschappen en kringen zullen ophouden te bestaan. Dit alles geeft een allertreurigst vooruitzicht van de aanstaande verwoesting, maar midden tussen al deze bedreigingen komt een troostwoord, vers 27 :doch Ik zal geen voleinding maken. Niet alles zal verzwolgen worden, want God zal Zichzelf een overblijfsel bewaren, dat verborgen zal worden in de dag van des Heeren toorn, geen gehele voleinding, want Jeruzalem zal herbouwd en het land weer bewoond worden. Dit wordt hier, temidden van al de bedreigingen gezegd, tot troost van hen, die voor Gods woord beven, en het toont ons de veranderingen welke Gods voorzienigheid aanbrengt, als zij neerwerpt dan richt zij ook weer op, en het einde van onze vertroosting is nooit het laatste einde, zoals wij dikwijls geneigd zijn te geloven. Het toont evenzeer de onveranderlijkheid van Gods verbond, dat zo vast staat dat hoewel Hij Zijn volk gestreng kastijdt, Hij het nooit verwerpt, Hoofdstuk 30:11.
D. Hun toestand was niet te verhelpen, er was geen geneesmiddel voor.
a. God wilde hen niet helpen, zoals Hij duidelijk zegt, vers 28. En wanneer de Heere niet helpen wil, wie zal het dan doen? Dit maakte hun toestand zo beklagenswaardig. Hierom zal de aarde treuren en de hemel daarboven zal zwart zijn, er zijn geen andere dan droevige vooruitzichten, omdat Ik het heb gesproken. Ik heb Mijn woord gezegd dat niet herroepen worden zal. Ik heb het besloten, het is een vast besloten verwoesting. Ik heb het voorgenomen en het zal Mij niet berouwen. Ik zal Mijn weg niet veranderen, maar er in voortgaan, en ik zal Mij daarvan niet afkeren. Zij wilden geen berouw hebben over hun zonden en zich daarvan afkeren, Hoofdstuk 2:25, en daarom zal het God niet berouwen en zal Hij niet van de weg van de oordelen afkeren.
b. Zij konden zichzelf niet helpen, vers 30, 31. Toen de zaak nog op een afstand was, vleiden zij zichzelf met de hoop, dat- al mocht God niet tot hun gunste verschijnen, zoals Hij voor Hiskia tegen het Assyrische leger verschenen was, zij toch wel het een of andere middel zouden vinden om zichzelf te beveiligen en de krachten van de vijand tegen te staan. Maar de profeet zegt hun, dat zij, wanneer het er op aan komt, ten einde raad zullen zijn: Wat zult gij dan doen, gij verwoeste? Welke weg zult gij dan opgaan? Zit neer en bedenk dat bijtijds! Hij verzekert hen dat, hoe hun verweer en vertrouwen ook zijn moge.
Ten eerste. Zij dan zullen veracht worden door hun bondgenoten, van wie zij hulp verwachtten. Zij had meermalen de zonden van Jeruzalem vergeleken bij hoererij, niet alleen haar afgoderij maar haar vertrouwen in schepselen, in de naburige machten. Hier vergelijkt hij haar bij een hoer, die verlaten is door allen, die haar het hof maakten. Er wordt verondersteld dat zij alles doet wat zij kan om hun belangstelling in haar levendig te houden. Zij doet wat zij kan om zich belangrijk en een waardige echtgenote in de ogen van de volken te maken. Zij vereert hen zeer hoog door haar gezanten, ten einde haar nu bij te staan in haar droefenis. Zij kleedt zich met scharlaken, alsof zij rijk ware, en versiert zich met gouden sieraad, alsof al haar schatten nog als vroeger in haar bezit waren. Zij bestrijkt haar ogen met blanketsel, strijkt de schoonste kleuren over haar tegenwoordig verdriet en doet haar uiterste best om haar verliezen te bedekken en te verbergen, en er een schoon gelaat bij te vertonen. Maar dit blanketsel, ofschoon het een korte tijd de schoonheid van het gelaat verhoogt, verderft het toch eigenlijk, voortdurend gebruik van blanketsel scheurt de huid, rimpelt haar en maakt haar ruw, zodat de toestand, die door de valse kleuren beter scheen te zijn dan hij werkelijk was, er zoveel erger uitziet, wanneer de waarheid aan het licht komt. En buitendien: tevergeefs zult gij uzelve oppronken, al uw naburen weten zeer goed hoe gij in de laagte gebracht zijt, de Chaldeën zullen uw scharlaken en uw sieraden u afstropen, en dan zullen uw medegenoten niet alleen van u wijken en weigeren u enige hulp te bieden, maar zij zullen zich bij hen voegen die uw leven zoeken, opdat zij ook hun aandeel krijgen aan de prooi van zo'n rijk land. Dit schijnt een zinspeling te zijn op de geschiedenis van Jezebel, die meende door zichzelve een goed en schoon uiterlijk te geven, haar vonnis te kunnen ontgaan, maar tevergeefs, 2 Koningen 9:30, 33. Zie hier wat schepselen tonen te zijn als wij op hen vertrouwen, hoe verraderlijk zij zijn, inplaats van ons leven te redden, zoeken zij ons leven, zij veranderen gedurig, zodat zij ons eer enig kwaad zullen doen dan ons een dienst bewijzen. En zie tevens hoe doelloos het is van hen, die door de zonden zich in Gods ogen misvormd hebben, om te denken door enige kunsten, die zij bedenken, zich aangenaam te maken in de ogen van de wereld.
Ten tweede. Dan zullen zij in wanhoop wegzinken. Zij zullen ondervinden dat hun pijnen zijn als de smarten van een vrouw in barensnood, waaraan zij niet kunnen ontkomen. Ik hoor de stem van de dochter van Zion. Hare angstkreten beantwoorden het zegevierend geroep van het Chaldese leger, dat hij gehoord had, vers 15. Het is de stem "als van een vrouw, die in barensnood is over haar eerste kind," welke pijn buitengewoon is, de vrucht en de straf van de zonde, Genesis 3:16, en haar hartverscheurende kreten ontperst, vooral van een vrouw, die in barensnood is van haar eerste kind, die, nooit van die smart ondervinding gehad hebbende, er des te meer door verschrikt wordt. Beproevingen zijn het smartelijkst voor hen, die er niet aan gewoon zijn. Zion in haar droefenis omdat haar naburen weigeren haar enig medelijden te betonen, beweent zichzelve en hijgt, laat diepe zuchten horen, zoals het woord eigenlijk betekent, en spreidt haar handen uit: zij wringt ze in radeloosheid of strekt ze uit smekend om redding. Al wat zij roept is: O wee mij nu! nu het bevel tegen haar uitgevaardigd is en niet herroepen zal worden, want mijn ziel is moe vanwege de doodslagers. De Chaldeën offerden allen aan het zwaard op, die de geringste tegenstand boden, zodat het land vol moordenaars was. Zion was vermoeid door het horen van al de verschrikkelijke tijdingen uit alle delen des lands en riep uit: O wee mij! Het zou goed zijn indien haar lijden haar zonden haar in het geheugen terugriepen, de moorden in haar land gepleegd, haar eigen moorden haar herinnerden, want God was nu bezig al het onschuldig bloed te zoeken, dat in Jeruzalem vergoten was, en waarvoor Hij geen vergeving schenken wilde, 2 Koningen 24:4. Gelijk de zonde eenmaal de zondaar vinden zal, zo zal de smart vroeger of later de gerusten in den lande vinden.