10. Maar de dag van de Heere (
Vers 9,
12) zal, als die nu werkelijk eens komt, komen als een dief in de nacht, zoals Christus zelf van Zijn komst zegt (
Mattheus 24:43 v.
Openbaring 3:3;
16:15), in welke tijd, zoals ik dat reeds in
Vers 7 gaf, de hemelen (
Vers 5,
7) met een gedruis als van een huis, dat in brand staat (
Mattheus 24:35), voorbij zullen gaan en de elementen, de grondstoffen, waaruit de aarde is samengesteld (Wijsh. 7:17, branden zullen en vergaan en de aarde en de mensen, die daarin zijn, zullen, hetzij ze door God zelf (
Openbaring 0:6 mensen zijn voortgebracht (
1 Corinthiërs 3:13, verbranden (
Maleachi 4:1 Jesaja 51:6 Habakuk 2:13.
2 Thessalonicenzen 1:8Het wachten van Gods lankmoedigheid (Vers 9) zal een einde nemen en het zal daarmee eindigen, dat Zijn dag voor hen, die Hem niet wachten, zo onverwacht, zo ongedacht hun overkomt als een dief (de verdere bepaling "in de nacht" is waarschijnlijk hier uit 1 Thessalonicenzen. 5:2 overgebracht). De dag "van de Heere" is hetzelfde wat in het Oude Testament "dag van Jehova" is. Als de Christen zich in zijn Heiland verblijdt, hoopt hij vóór alle dingen daarop, dat de Christus, die nu in God verborgen is, in de wereld openbaar zal worden (Colossenzen 3:3 v.). Als daarentegen de spotter de hoop van de Christenen hoont, dan is het hem daarom te doen, dat er geen einde van de dingen is, dat de tegenwoordige toestand van de wereld oplost en tegenover deze moet nu worden vastgehouden, dat God aan deze wereld een einde zal maken, om een andere te doen worden, die alles wat tegen God is buitensluit. Zo spreekt dan ook Petrus over die spotters, niet van de openbaring van Jezus, maar van de dag, die het Oude Testament de dag van Jehova noemt en beschrijft die als de dag, die aan deze wereld, die naar de mening van de spotters altijd zal blijven zoals zij is, een einde maakt, om een nieuwe te scheppen, waarin gerechtigheid woont.
Met de gebeurtenissen, die de apostel van de dag van de Heere uitspreekt, wil hij de vernietigende macht van die dag, die zich uitstrekt tot alles wat de stoffelijke wereld aangaat, voor ogen stellen vgl. in Vers 11 : "omdat dan deze dingen vergaan. "
Beginnend met de hemel, daalt hij door de elementen, als daar tussen liggende, tot de aarde af.
Zoals de waterdoop van Johannes tot de vuurdoop van het oordeel Uit 3:11, zo staat de zondvloed in verhouding tot de verwoesting van de wereld door vuur. Daarbij blijft niets bestaan, wat de vuurproef niet kan uithouden. Toch volgt uit deze woorden niet, dat er een vernietiging, maar wel een loutering van de wereld te wachten zij, zoals de zuivering van edel metaal in de oven. Opmerkelijk is het, dat ook de hemel, dus de gehele zichtbare wereld, vergaan zal. Door de verlossing van Christus zal ook ten slotte de hemel veranderd worden, omdat door de vernieuwing van het menselijk geslacht ook de hemelse geesten in een nieuwe en andere betrekking tot God zullen staan. Vgl. Efeze 1:10 en "Col 1:20"
Hij is gekomen, toen de dag van het Pinksterfeest vervuld was en toen Jeruzalem in puinhopen neerzonk; Hij is gekomen, toen de kruisbanier in het heidens Rome geplant werd en toen de dageraad van de hervorming de nacht van de middeleeuwen verving: Hij komt nog in elk heidens land, waar de grondslag van Zijn kerk wordt gelegd en houdt er als Koning Zijn intocht; en wie kan de felle stormen ook van onze tijd horen ruisen, zonder zich met de hoop te vertroosten, dat op hun uitgespreide wieken de Koning van het Godsrijk steeds glorie- en glansrijker komt? Zoals de steen in het water geworpen, steeds breder kringen beschrijft, tot de laatste zich in de ruimte verliest, zo komt de Heere steeds nader, steeds grootser, steeds klaarder. Maar al dat geestelijk komen, het is de voorbode van een nog meer rechtstreekse, nog meer persoonlijke toekomst, die wij, naar luid van Zijn eigen beloften, aan het einde van de eeuwen verbeiden. Vraag mij niet, in welke vorm ik die toekomst mij eigenlijk denk, ik moet op menig punt het antwoord u schuldig blijven, Maar verg nog minder, dat wij om het onzekere van het hoe, het dat als onzin verwerpen, want al gaan hemel en aarde voorbij, dit woord kan geenszins voorbijgaan: "de dag van de Heere zal komen. " Zeker het zal geen dag van onze bekrompe tijdmaat zijn, maar een profetische dag, naar de stondenwijzer van de Geest berekend. Zacharia zou mogelijk zeggen: "een geheel énige dag, die de Heere bekend zal zijn". Maar genoeg, alle profeten en apostelen steunen, van Henoch, de eersten van de profeten, tot Johannes, de laatsten van de zieners; in oneindige rijkdom van vormen verenigen zij zich, om een dag aan de wereld te spellen, waarop het eindgericht voltrokken staat te worden en de volle, de laatste, de beslissende openbaring van Gods heerlijkheid in Christus gezien wordt. Als een felbewogen zee spoedt de tijdstroom rusteloos voort en de gezichtseinder is door een sluier gedekt, maar als die sluier een ogenblik scheurt, ziet het oog aan de andere zijde een vriendelijke gestalte, de Zoon des mensen gelijk, die nog wacht, maar reeds schijnt te wenken: Ik kom. Ja, nog eenmaal zal de aarde Hem zien, de Koning in al Zijn schoonheid, zoals zij de man van smart in Zijn kruisgestalte aanschouwd heeft; Maran-atha, de Heere komt! zo herhaalt de ene eeuw tot de andere. En waarom zou Hij niet komen, Hij, die immers persoonlijk leeft en heerst in de hemel, die nog de oude betrekking op dit stipje van de schepping niet opgaf, die van de Vader macht heeft ontvangen om gericht te houden, omdat Hij de zoon des mensen is? Het uitstel van tijd ontneemt op zichzelf volstrekt niets van de zekerheid van het stellig aangekondigd feit van Zijn toekomst. De morgen van Zijn dag is verrezen, de middag heeft eeuwen geduurd, maar teken op teken verkondigt, dat de avond reeds is begonnen te vallen. Straks zal het middernacht zijn en te middernacht weerklinkt het geroep: "Zie de bruidegom komt, ga uit Hem tegemoet! " Zelden of nooit braken er buitengewone gebeurtenissen in de Christenheid aan, of men meende, dat het einde van de tijd voor de deur was en bij voorkeur moest de Openbaring an Johannes het heiligdom zijn, waarin de sleutel van het raadsel gezocht werd. Maar altijd bleek de sleutel weer vals en de uitkomst staafde telkens opnieuw het eigen woord van de Heere: het komt u niet toe te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in zijn macht gesteld heeft. " Hier schiet het vernuft van een godvruchtige Bengel, zo goed als dat van ieder ander te kort; de nacht daalt wel neer, maar wie noemt mij het uur van de dief? Dit een weten wij alleen: voor een ieder van onze komt in zekere zin de dag des Heren in het uur van ons sterven, maar dit tweede niet minder zeker: de dief klopt niet aan om te worden binnengelaten. Hij is een rekenaar, ja, maar hij is reeds aan het aftrekken bezig, u vraagt nog bij u zelf: van wie zal wat ik bereid heb toch zijn, als hij reeds antwoordt: "voor mij". O, als wij op gindse Godsakker de graven openen en de gestorvenen oproepen konden, om te vragen, hoe de dood ver de meesten gevonden heeft, hoe groot meent u zou het cijfer wel zijn, van hen, die antwoorden: "onverwacht", als maar niet onbereid. Welnu, zoals vroeger of later de ervaring van de meesten van onze, zo zal eens die van de wereld zijn in de dag van de toekomst van Christus. Lang was hij voorbereid en toch onverwacht nog verschenen; vaak vertraagd, naar het scheen en toch, waar het komt, nog altijd voor velen te vroeg. Heeft niet de Heere zelf de dag van Zijn toekomst vergeleken met de dagen van Lot en de zondvloed. U kent dat eenvoudig en toch zo hoog tragisch verhaal: zij aten en dronken en bouwden en plantten en namen ten huwelijk en gaven ten huwelijk, totdat de zondvloed kwam. Zo toen, zo telkens, zo ééns! Ach, de mensen zijn altijd aan zichzelf gelijk, maar ook de Heere breekt niet met Zijn eigen voorleden, wanneer Hij Zijn gerichten komt uitvoeren. Zo wordt alles geleidelijk voorbereid, maar eindelijk zoals de bliksem van het een einde van de hemel tot het andere bliksemt, zodat niemand hoeft te vragen, waar Hij is. De wereld gaat haar oude gang en droomt haar oude dromen en "nog is het einde niet". daar is het: hoe nu reeds", vragen allen, die het zien, om strijd verrukt of ontzet. Ontzaglijke voorstelling, juist door haar geheimzinnigheid zo ontzaglijk met zoveel zekerheid verenigd! Wanneer Hij komt, het is niet te ontkennen, de dag van heerlijkheid voor Christus zal tegelijk voor de wereld een dag zijn van schrik. Reeds heeft de aarde, gedurende en vóór haar ons bekende geschiedenis meer verandering ondergaan dan wij ons voorstellen kunnen. Petrus spreekt van de zondvloed; wat voor het water niet bestand bleek, hoe zou het de vuurproef doorstaan? Iedere aardschudding is een wenk, dat u op een ondermijnde grond ligt te slapen; iedere lavastroom een teken, wat daar in het verborgene schuilt. Ontzettende krachten tijdelijk beteugeld, sluimeren in de donkere diepte, waarom zouden zij niet ontkluisterd en tot bereiking van Gods wereldplan gebruikt kunnen worden, wanneer Zijn ure gekomen is? Nee, het verwondert mij niet, dat hier de wetenschap tot zekere hoogte de hand aan het geloof heeft te bieden; dat ook heidense wijsgeren, dichters en redenaars in allerlei vorm van een verwachting, als die van Petrus doen blijken; dat in schier alle godsdiensten van enige betekenis sporen van een voorstelling van de ondergang van de aardse, huishouding voorkomen. Wat daar schemert, klaar is het hier uitgesproken, om geen ander te noemen dan de dichter van Psalm 102, in dat woord: "Heere, U heeft voormaals de aarde gegrond en de hemelen zijn het werk van uw handen. Deze zullen vergaan en als een kleed veranderen en als een dekkleed zult U ze in één rollen en zij zullen veranderd zijn. " Wat zeg ik, de aarde zelf, geeft zij niet nu en dan ons willekeurig de indruk, als was zij veranderd en van de verdwijning nabij? Zij heeft haar voorjaarskleed, maar ook haar wintergelaat en ook het droevig aangezicht van de najaarshemel draagt op menige dag de stempel van de vergankelijkheid, als was het zijn Oktober-maand reeds. Soms breekt het innerlijke verderf uit de schoonste dingen hier beneden te voorschijn, men weet zelfs schier niet hoe, als een worm uit een bloeiende vrucht. Het heerlijke lichaam van de aarde vertoont overal leven, maar inwendig draagt het de dood in de leden. Geen wonder, voor het oog van de Alwetende en Heilige ligt zij als onder de vloek van de zonde bedolven en als een akker, die doornen en distels draagt, op sikkel en vuur van de grote oogstdag te wachten. De tarwe en het onkruid groeien op, maar als de laatste schoof is binnengebracht, dan wordt de dorsvloer gereinigd. Zij, deze stoffelijke wereld, moet de heilige zaak van het Godsrijk dienen; maar als nu dat Godsrijk ten volle gekomen en de diensttijd tot de laatsten stond is verstreken, wat wacht het uitgediend en uitgesleten tapijt, dan dat het weggerold wordt van voor de voeten van de koning, die komt en een verterend vuur van voor zijn aangezicht zal zijn! "Dag van toorn, dag van rouw", dus klonk reeds het kerklied van de middeleeuwen; maar nee, ik waag geen poging, om zelfs in brede trekken te schetsen, hoe het zijn zal, als Hij, die te komen staat, in volle nadruk het vuur tot Zijn Bode zal maken. "De aarde met al de werken, die daarop zijn", geen enkele uitzondering lees ik in het vonnis, door Petrus geveld. Berg en dal, bos en veld, paleis en hut, kerk en kerker, de monumenten van de kunst en de schatkamers van de wetenschap, Gods vurige adem blaast en het is voor altijd verdwenen. Het feestgewaad verschroeit, de erekroon smelt weg, het praalgesticht verstuift, het grootste en laatste orakel zinkt neer. Als een uitgedord blad van de stam ontvalt de wereld aan de breedgetakte boom van het heelal. En wanneer na die jongste nacht de Heere van de heirschaar Zijn leger bij name roept en Zijn werelden geteld te voorschijn brengt, dan wordt er geen gemist!