Job 37:1-5
Donder en bliksem, die gewoonlijk gepaard gaan, zijn merkbare tekenen van de heerlijkheid en majesteit, de macht en de verschrikking van de almachtige God, het een voor het oor, het andere voor het oog. In deze laat God zich niet onbetuigd ten opzichte van Zijn grootheid, gelijk Hij in de regen van de hemel en in vruchtbare tijden zich niet onbetuigd laat ten opzichte van Zijn goedheid, zelfs voor de meest stompzinnigen en onnadenkenden. Hoewel er natuurlijk oorzaken en nuttige gevolgen van zijn die de natuurkundigen op zich nemen te verklaren, schijnen zij door de Schepper toch voornamelijk bedoeld om de sluimerende wereld van het mensdom op te schrikken en te doen ontwaken tot het besef om eens te denken aan de God, die boven hen is. Het oog en het oor zijn de twee lerende zintuigen, en hoewel de mogelijkheid voor zo'n omstandigheid bestaat, zegt men toch dat nooit iemand blind en doof geboren is. Het woord Gods brengt Goddelijk onderricht tot de geest of het verstand door het oor, zijn werken brengen het door het oog, maar omdat dit gewone zien en dat gewone geluid of geklank de mensen niet genoegzaam aandoen, behaagt het God soms om de mensen door hun oog te verbazen met Zijn bliksemen en door het oor met Zijn donder. Zeer waarschijnlijk was er toen, terwijl Elihu sprak, donder en bliksem, want hij spreekt ervan in de tegenwoordige tijd, en daar God nu weldra zal gaan spreken, Hoofdst. 38:1, waren deze thans, evenals later op de berg Sinai, de geschikte inleiding om aandacht op te wekken en ontzag in te boezemen.
Merk hier op:
1. Hoe Elihu zelf aangedaan was, en Job wenste aan te doen door de verschijnselen van Gods heerlijkheid in donder en bliksemen, vers 1, 2. "Wat mij betreft," zegt Elihu, "mijn hart siddert ervan, hoewel ik het dikwijls gehoord heb, dikwijls gezien heb toch is het mij nog iets vreeslijks, doet het al mijn gewrichten beven, en mijn hart springt op in zijn plaats." Donder en bliksem zijn schrikkelijk geweest voor de goddelozen, keizer Caligula verschool zich in een hoek of onder een bed uit vrees ervoor van hen die zeer verbaasd zijn zeggen wij, dat zij als door de donder zijn getroffen. Zelfs Godvruchtige mensen vinden donder en bliksem iets zeer ontzaglijks, wat ze nog zoveel te meer vreselijk maakt is dat er dikwijls veel onheil door wordt teweeggebracht, veel mensen zijn er door gedood. Sodom en Gomorra werden er door in puin gelegd. Het is een zichtbare aanduiding van wat God zou kunnen doen aan deze zondige wereld, en wat Hij ten laatste zal doen door het vuur voor hetwelk zij bewaard wordt. Ons hart moet, evenals Elihu's hart, er bij beven uit vrees voor Gods toorn en voor Zijn oordelen Psalm 119:120. Hij nodigt Job uit om erop te letten, vers 2. Hoort met aandacht de beweging van Zijn stem. Misschien donderde het toen nog op een afstand en kon het zonder aandachtig luisteren niet worden gehoord, of liever: hoewel de donder zelf gehoord zal worden en wij, waar wij ook mee bezig zijn, er wel naar moeten luisteren, is het, om het onderricht dat God er ons door geeft goed te begrijpen nodig dat wij er met grote aandacht naar luisteren, en er ons hart bij bepalen. De donder wordt de stem des Heeren genoemd, Psalm 29:3 en verv, omdat God er door spreekt tot de kinderen van de mensen, en hun zegt te vrezen voor Zijn aangezicht, en wij er door indachtig gemaakt behoren te worden aan dat woord van de almacht, door hetwelk de wereld in de beginne gemaakt was, en donder genoemd wordt, Psalm 104:7, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders, namelijk de wateren, toen God zei: Dat de wateren van onder de hemel in een plaats vergaderd worden. Zij, die zelf onder de indruk zijn van Gods grootheid, moeten trachten ook anderen onder die indruk te brengen. 2. Hoe hij ze beschrijft.
a. Hun oorsprong, niet hun ondergeschikte oorzaken, maar hun eerste oorzaak. God bestuurt de donder en het licht is Zijner, vers 3. Hun beweging en hetgeen zij teweegbrengen geschiedt niet bij geval, maar door de raad Gods, en onder het bestuur en de heerschappij van Zijn voorzienigheid, hoewel zij voor ons toevallig en onbestuurbaar schijnen.
b. Hun uitgestrektheid. De donderslagen weerklinken onder de gehele hemel, en worden heinde en ver gehoord, zo vliegen ook de bliksemen tot aan de einden van de aarde, zij komen van uit het ene deel onder de hemel en schijnen tot het andere onder de hemel, Lukas 17:24. Hoewel niet dezelfde bliksem en donder tot alle plaatsen reiken, reiken zij toch in een enkel ogenblik tot op ver verwijderde plaatsen, en er is geen plaats die niet op de een of andere tijd deze alarmseinen van de hemel heeft.
c. Hun orde. De bliksem wordt het eerst gericht of bestuurd, daarna brult Hij met de stem, vers 4. De flikkering des lichts en het gedruis die zij maakt in een waterige wolk, hebben in werkelijkheid gelijktijdig plaats maar omdat de beweging des lichts veel sneller is dan die van het geluid, zien wij het licht enige tijd vóór wij de donder horen, zoals wij het vuur van een kanon in de verte zien, eer wij het schot horen. De donder wordt hier de stem van Gods hoogheid genoemd, omdat Hij er Zijn alles-overtreffende macht en grootheid door verkondigt. Hij geeft Zijn stem, een stem van de sterkte Psalm 68:34.
d. Hun geweld. Hij vertraagt die dingen niet, dat is: Hij behoeft ze niet te beteugelen of terug te houden uit vrees dat zij anders ontembaar worden en buiten Zijn macht zouden geraken om ze te bedwingen, neen Hij laat hun hun loop, zegt tot hen: Gaat, en zij gaan, komt, en zij komen, doet dit, en zij doen het. Hij zal de regens en de stortregens die gewoonlijk op de donder volgen, niet terughouden, waarvan hij gesproken had Hoofdst. 36:27, 29, zo lezen het sommigen, maar zal ze afgieten op de aarde, als zijn stem gehoord wordt. Onweersregens zijn wegvagende regens, en daarvoor maakt Hij de bliksemen, Psalm 135:7.
e. Het gevolg dat hij er uit afleidt: dondert God aldus zeer wonderbaar met Zijn stem? Dan moeten wij hieruit besluiten, dat Zijn andere werken groot zijn, zodat wij ze niet kunnen begrijpen, uit dit ene voorbeeld kunnen wij al het andere nagaan en tot de slotsom komen dat er in de beschikkingen van Zijn voorzienigheid datgene is, hetwelk te groot, te sterk is, om er ons tegen te verzetten, te hoog en te diep voor ons is om het aan te klagen of er mee te twisten.