31. En er zullen, terwijl de hoofdmacht zelf naar Syrië terugkeert armen, strijdkrachten (
vers 15,
22) of gedetacheerde corpsen van zijn leger, uit hem ontstaan, en zich in het land vestigen, en zij zullen het heiligdom ontheiligen, en de sterkte, den burg Sion, waarin Antiochus zijne bezetting had, en zij zullen het gedurige, het dagelijks offer wegnemen, en enen verwoestenden gruwel stellen.
Antiochus bevestigde den burg Zion en legde aldaar ene bezetting, waardoor hij Jeruzalem in bedwang hield. De stad werd verbrand, het heiligdom, de burcht en toevlucht des Israëlietischen volks werd ontheiligd en verwoest, de Joodse godsdienst afgeschaft en het beeld van den Olympischen Jupiter, hier door Gabriël de gruwel der verwoesting genoemd, op het altaar Gods geplaatst. De afschaffing van het dagelijks of bestendig offer, hetwelk, overeenkomstig de Mozaïsche wet, alle dagen gebracht moest worden, staat gelijk met de afschaffing van den Joodsen godsdienst, De afschaffing van het bestendig offer Daniël 12:11 beduidt ook de afschaffing des Jodendoms, in lateren tijd door den Antichrist, aan welke evenwel de afschaffing des Christendoms voorafgaat. Het beeld van den Olympischen Jupiter verwoestte in zo verre het land als het een zinnebeeld des heidendoms was, waardoor onder de Joden en in hun land ene ontzettende verwoesting werd aangericht. Dit verwoestende Jupitersbeeld is ene type van het beeld van het beest, hetwelk een geest heeft en spreekt Openbaring 3:15, en ene type van den Antichrist, die persoonlijk aangebeden zal worden en ene ontzaglijke verwoesting onder de mensheid en op Gods aarde aanrichten zal. Aan het einde van het Boek Daniël heet de gruwel, welke Antiochus, de voorloper van den Antichrist, heeft opgericht, de verwoestende gruwel, of gelijk de Heere in Zijne voorspelling van Jeruzalems val zegt, de gruwel der verwoesting.
De tirannieke Epifanes, in zijne ondernemingen tegen Egypte gestuit, liet nu al zijne woede tegen de Joden los. De opperontvanger der schattingen Apollonius werd met een leger van 22. 000 man tegen Jeruzalem gezonden. Slechts twee jaren waren er sinds den tempelroof verlopen. Hij trok als vriend de stad binnen, en wachtte den sabbath af; toen zond hij zijne soldaten op roof en moord uit. De Joden boden op den heiligen dag geen weerstand, en velen hunner werden verslagen of als slaven verkocht. De gebouwen in de nabijheid van den burg Sion werden geslecht, en de berg Sion werd tot een citadel met ene Syrische bezetting gemaakt, van waar men den tempel belegerde, zo dat de burgers die aan de wet verknocht waren, uit Jeruzalem vloden; hun heiligdom woest werd en de dagelijkse offeranden ophielden. Dit begon in de maand Juni des jaars 161 en duurde vierde halfjaar, gedurende welken tijd men gene sabbatten en feesten vierde en het heiligdom verontreinigd in de handen der heidenen bleef. Hierop ging Antiochus nog verder. Door zijn gehele rijk werden bevelschriften afgekondigd, waarbij aan alle besnedene volken, Joden, Samaritanen, Idumeërs bevolen werd die gebruiken af te schaffen, waardoor zij zich tot hiertoe onderscheiden hadden. De Idumeërs of Edomieten, afstammelingen van Ezau, bij wie de besnijdenis noch in gebruik was (Jeremia 9:25, 26), gehoorzaamden geredelijk, zo ook de Samaritanen, die zich dit geval nu weer haasten, om het bewijs te geven, dat zij met de Joden niets gemeens hadden, en die, om den tiran te believen, vrijwillig aanboden hunnen tempel op den berg Gerizim aan den Griekse Jupiter Hospitalis (Xenius = de gastvrije) als hun beschermheer, omdat zij vreemdelingen in het land waren, toe te wijden, tot gene geringe ergernis van de goedgezinden onder de Joden, maar tot grote tevredenheid van Antiochus, die hen daarom verder ongemoeid liet.
Al de gestrengheid dezer bevelschriften trof dus hoofdzakelijk de Joden. Hun offeranden en feesten werden verboden, afgodsaltaren opgericht, en zij gedwongen daarop onreine dieren te offeren, en hun zielen te bevlekken met gruwel en onreinheid. Wie deze bevelen niet nakwam zou gedood worden, en om voor de uitvoering te waken, werden allerwege opzichters aangesteld. Vele Joden namen hierop, door vroeger voorbeelden daartoe voorbereid, den Syrisch-Grieksen eredienst aan, schandelijk het geloof hunner vaderen verzakende. Het was niet zozeer de eerbied voor zijne afgoden, welke Antiochus tot deze maatregelen bewoog, als wel en vooral de begeerte om al zijne onderdanen tot één volk te zamen te smelten, en het uitzicht om bij deze godsdienstveranderingen zich met de onderscheidene tempelschatten, die deels uit geschenken der vroomheid, deels uit in bewaring gegeven goederen bestonden, te verrijken. De tempel te Jeruzalem werd aan Jupiter Olympius gewijd, en op een groot altaar een afgodsouter opgericht; een oud Atheens, heidens priester kwam om de nieuwe afgoderij te regelen. De ware godsdienst was, even als ten tijde van Achab, onderdrukt; altaren rookten op alle heuvelen, en gruwelen werden in ieder bos uitgeoefend ter ere van godheden, welke de verpersoonlijkte ondeugden van den onwedergeboren, natuurlijken mens waren. De vervolging was algemeen. De Israëlieten werden gedwongen, om aan deze offers en de offermaaltijden deel te nemen. Het was genoeg voor een aanklever van den Joodsen godsdienst bekend te staan om het leven te verliezen. De ouders, die hun kinderen besneden, waarnaar scherp onderzoek werd gedaan, moesten met hun kinderen den marteldood sterven. De wetboeken van Mozes werden aan stukken gesneden en verbrand, en wie ze in huis had en verborg, of zich tegen hun vernieling verzette, moest dit met zijn leven boeten; zelfs afgevallene geloofsgenoten werden aanbrengers der beter gezinden, die nochthans in groten getale gesterkt werden om aan hun geloof getrouw te blijven ten koste van goed en bloed. De weinige gelovigen, die getrouw bleven, zochten veilige schuilplaatsen in het gebergte, alwaar zij aan de onderzoekingen minder bloot stonden, dan in de vlekken, steden en dorpen op de vlakten, en waar zij desnoods beter vluchten konden. Daar waren de rotsen en spelonken hun stille verblijven, en zulke plaatsen, die voor hun vijanden gevaar opleverden, boden hun beschutting aan. Deuteronomium 74ste Psalm mag te dien tijde wel door velen gebeden zijn; hij paste toch zo bijzonder op dien toestand "dat velen dien als ene voorzegging beschouwd hebben. "