7. De morgenstond 1), het begin der rampen, is tot u gekomen, o inwoner des lands! de tijd is gekomen, de dag der beroerte is nabij, en er is geen wederklank der geen gejubel op de bergen, omdat er geen gezang is ten tijde van den wijnoogst (
Jesaja 16:10.
Jeremia 25:30).
1) Het Hebreeën woord wordt verschillend uitgelegd te dezer plaats, en zijne vertaling steunt altijd in zo ver op gissing, als het nergens anders dan hier in Vers 10 ook niet in de verwante dialekten, in ene betekenis voortkomt, die voor deze plaatsen passend is. Waarschijnlijk is het woord dat juist te dier tijd, en daar ter plaatse door het gebruik ene bijzondere beduidenis had verkregen, die namelijk van "het jongste ogenblik, " hetzij dan, volgens sommigen, de tijd "wanneer de vlecht der rampen geheel in een gewrongen is, " hetzij, wanneer alles tot het laatste toe weg is, en er een akelig ledig ontstaat, waar aan alle zijden de wind door huilt en fluit. Indien de vertaling morgenstond passender was, zou het haar aan geen gezag ontbreken, vermits het woord zeer wel "vogelen-gezang kan aanduiden.
Het woord komt behalve hier Jesaja 28:5 voor, waar het kroon of diadeem betekent. Die betekenis past hier niet. Sommigen vertalen het door, morgenstond, gelijk onze Staten-Overzetters, maar morgenstond is immer het beeld van verademing, van redding. Deze vertaling past hier dus niet. Met Winer achten wij de vertaling van: het ongeluk beter, in den zin van, onafwijsbare ellende. Vandaar ook dat dadelijk hier op gezegd wordt, dat de dag der bezoeking nabij is, een dag waarop enkel jammerkreten zullen worden gehoord, en geen gejubel op de bergen. Als de afgodendienaars hun feesten hielden op de hoogten was er een gejubel, gelijk Mozes vernam toen hij van den berg afdaalde en het volk danste om het gouden kalf. Maar nu zou het gejubel verstomd zijn, dewijl God, de Heere, zowel de afgoden als de afgodendienaars zou verdoen.