9. Dan zullen uwe ontkomenen, die in
Hoofdstuk 5:3 onder de weinigen werden bedoeld, welke in den slip des mantels werden gebonden, Mijner gedenken 1) onder de Heidenen, waar zij gevankelijk zullen geworden zijn, omdat Ik verbroken ben door hun hoerachtig hart) dat van Mij afgeweken is, en door hun ogen, die hun drekgoden nahoereren, die vol begeerte zijn, om zich met hen in te laten; en zij zullen ene walging aan zich zelven hebben over de boosheden, die zij in al hun gruwelen gedaan hebben3), zodat zij zich voor hen schamen, ja een afschuw er van gevoelen.
1) Met dit "Mijner gedenken" stelt God, de Heere het vast dat dit overblijfsel zich bekeren zal. De grote zonde bestond in hun afval van den Heere God, in het Hem verlaten en Hem vergeten. Als het Hem derhalve weer zou beginnen te gedenken, zou het ook komen tot schuldbelijden en de bede om schuldverzoening zou de eerste stap zijn op den weg der bekering.
2) In het Hebreeën Ascher nischbarthi eth-libbaam hazonèh. Beter: Wanneer Ik Mij verbroken heb hun hoerachtig hart en dan later niet, door hun ogen, maar hun ogen. God was toch niet verbroken door hun hoerachtig hart, maar God had dat hoerachtig hart verbroken, zoals duidelijk in den tekst staat. En dewijl God dat hart had verbroken, daarom hadden zij gedacht aan den Heere, daarom hadden zij berouw gekregen over hun zonde en ongerechtigheid. Eerst dan heeft de zondaar berouw, wanneer God niet het hart verwondt maar verbreekt, wanneer Hij voor dat harde stenen hart een vlesen hart geeft, en het waarachtig berouw werkt door de werking van Zijne genade en Geest.
3) Ware boetvaardigen zien dat de zonde een gruwelijk ding is, dat verfoeielijk ding dat de Heere haat en dat zondaars en zelfs hun eredienst hatelijk voor Hem maakt. Zij bevlekt het geweten des zondaars en maakt hem, tenzij dat hij ongevoelig is geworden, een gruwel voor zich zelven. Zij die waarlijk een walging aan de zonde hebben, kunnen niet anders dan een walging aan zich zelven hebben, wegens de zonde, want een walging aan zich zelven te hebben is altijd verzeld met de ware bekering. Boetvaardigen twisten met zich zelven en kunnen nooit met zich zelven bevredigd worden voordat zij enigen grond hebben om te hopen, dat God met hen verzoend is, ja den zullen zij liggen in hun schaamte, wanneer Hij met hen bevredigd is.