2 Koningen 7:3-11
I. Hier wordt ons meegedeeld hoe het beleg van Samaria `s avonds was opgebroken bij het vallen van de nacht, vers 6, 7, niet door kracht of geweld, maar door de Geest van de Heere van de heirscharen, die verschrikking deed komen over de geest van de belegeraars. Er was geen zwaard tegen hen getrokken, geen druppel bloed werd vergoten, het was niet door donder of hagelstenen, dat zij verschrikt en verslagen waren, ook werden zij niet, zoals Sanheribs leger voor Jeruzalem, door de verderfengel gedood, maar:
1. De Heere had het heir van de Syriërs doen horen een geluid van wagens en een geluid van paarden. De Syriërs, die Dothan belegerden, waren met verblindheid geslagen, met een gezichtsbedrog, Hoofdstuk 6:18, van dezen, die Samaria belegerden werd het gehoor misleid, want God weet op elk zintuig te werken ingevolge Zijn eigen raadsbesluiten, gelijk Hij een horend oor en een ziend oog heeft gemaakt zo maakt Hij de dove en de blinde, Exodus 4:11. Of dit geluid werkelijk door de dienst van de engelen in de lucht gemaakt werd, of slechts een geluid was in hun oren, is niet zeker, wat het ook was, het was van God, die beide de wind uit Zijn schatkamers doet voortkomen, en `s mensen geest in zijn binnenste formeert. Het gezicht van paarden en wagens had de dienaar van de profeet bemoedigd, Hoofdstuk 6:17 het geluid van paarden en wagenen verschrikte de heirscharen van de Syriërs, want berichten uit de onzichtbare wereld zijn of zeer troostrijk of zeer schrikkelijk, al naar de mensen vrede hebben met God of krijg tegen Hem voeren.
2. Dit geluid horende, leidden zij er uit af dat de koning van Israël hulp heeft verkregen van de een of andere vreemde mogendheid, hij heeft tegen ons gehuurd de koningen van de Hethieten en de koningen van de Egyptenaren. Er was voorzover wij weten, slechts één koning van Egypte, en welke koningen er waren van de Hethieten, zou niemand kunnen zeggen, maar gelijk zij misleid werden door dat verschrikkelijk geluid in hun oren, zo hebben zij zichzelf misleid door de verklaring, die zij er van gaven. Hadden zij verondersteld dat de koning van Juda met zijn krijgsmacht was aangerukt, er zou meer waarschijnlijkheid in geweest zijn dan te dromen van koningen van de Hethieten en van de Egyptenaren, indien de verbeelding van sommigen van hen dit schrikbeeld voor hun ogen had doen komen, dan zou hun verstand het toch spoedig hebben kunnen verdrijven, hoe zou de koning van Israël, die nauw ingesloten was door de belegeraars, verstandhouding kunnen hebben met vorsten van zo ver afgelegen landen? Wat had hij om hen ermee te huren? Het was onmogelijk dat van de bewegingen van zo groot een heirleger niet reeds vroeger bericht zou zijn gekomen, maar daar waren zij nu in vrees, zijn zij met vervaardheid vervaard geworden, waar geen vervaardheid was.
3. Hierop zijn zij allen met ongelooflijke haast gevlucht, gevlucht ter wille van hun leven. Zij verlieten hun kamp zoals het was, en zelfs hun paarden, die hun vlucht hadden kunnen verhaasten, lieten zij achter, omdat zij zich de tijd niet gaven die los te maken, vers 7. Niemand van hun had het besef om verkenners uit te zenden om de veronderstelde vijand te ontdekken, en nog veel minder moed genoeg om die vijand het hoofd te bieden, al moest deze ook vermoeid zijn van een langdurige mars, de goddelozen vluchten als niemand vervolgt. God kan, als het Hem behaagt, aan de dapperste de moed benemen, en het kloekmoedigste hart doen sidderen, en wat hen betreft, die God niet willen vrezen, Hij kan hen doen vrezen op het ritselen van een blad. II. Hoe de vlucht van de Syriërs ontdekt was door vier melaatsen. Samaria is ontzet, verlost, maar weet het niet, de wachters op de muur hadden de aftocht van de vijand niet bespeurd, zo stil zijn zij weggeslopen, maar Gods voorzienigheid gebruikt vier melaatsen die hun woning hadden buiten de poort, daar zij, als ceremonieel onrein, buiten de stad gesloten waren, om de berichtgevers te zijn. De Joden zeggen dat het Gehazi was met zijn drie zonen. Gehazi kon wel een van hen geweest zijn, waarom hij later door de koning werd opgemerkt, Hoofdstuk 8:4. Zie hier:
1. Hoe deze melaatsen redeneerden en tot het besluit kwamen om `s nachts het kamp van de Syriërs te bezoeken, vers 3, 4. Zij waren op het punt van honger om te komen, niemand ging door de poort om hun hulp of bijstand te geven. Gingen zij in de stad, er was niets te krijgen, zij moeten op straat sterven, bleven zij waar zij waren, zij moeten doodhongeren in hun hut. En zo besluiten zij dan om tot de vijand te gaan, en zich aan diens genade over te geven. Indien zij hen doden, welnu, beter te sterven door het zwaard dan door de honger, één dood te sterven dan duizend doden te sterven. Maar misschien zullen zij hen bij het leven behouden als voorwerpen van mededogen. Het gewone gezond verstand zal ons de methode doen aannemen, die onze toestand wel verbeteren maar niet verergeren kan. De verloren zoon besluit om weer te keren tot zijn vader, wiens misnoegen hij reden heeft te vrezen, liever dan in het verafgelegen land te blijven en er van honger te sterven. Deze melaatsen komen tot de conclusie: "Indien zij ons doden, wij zullen maar sterven," en zalig zij, die in een andere zin aldus van sterven kunnen spreken: "Wij zullen maar sterven, dat is het ergste er van, niet sterven en verdoemd wezen, niet beschadigd van de tweede dood." Overeenkomstig dit besluit gingen zij in het begin van de nacht naar het kamp van de Syriërs, en vonden het, tot hun grote verbazing, geheel verlaten, geen mens was er in te zien of te horen, vers 5. Gods voorzienigheid had het zo beschikt, dat deze melaatsen kwamen terstond nadat de Syriërs gevlucht waren, want zij vluchtten in de schemering, (de avondschemering), vers 7, en in de schemering kwamen de melaatsen, vers 5, zodat er geen tijd verloren was.
2. Hoe zij door redenering tot het besluit kwamen, om het bericht naar de stad te brengen. In de eerste tent, tot welke zij kwamen, onthaalden zij zich op spijs en drank, vers 8, en toen begonnen zij er aan te denken om zich te verrijken met de buit, maar zij komen tot betere gedachten, vers 9. Wij doen niet recht, om deze goede tijdingen te verbergen voor de gemeenschap, waarvan wij leden zijn, onder schijn van ons te wreken aan hen, die ons buitengesloten hebben, het was de wet die dit deed, niet zij, en daarom, laat ons hun de goede tijding brengen, al wekt het hen uit hun slaap, zal het toch als een leven uit de doden voor hen zijn. Hun eigen geweten zei hun, dat hen de ongerechtigheid vinden zou indien zij afzonderlijk handelden en alleen zichzelf zochten, zelfzuchtige, enghartige mensen kunnen niet verwachten wèl te varen, de aangenaamste, liefelijkste voorspoed is die, waarin onze broederen met ons delen. Overeenkomstig dit besluit keerden zij terug naar de poort, en maakten de schildwacht bekend met hetgeen zij ontdekt hadden, vers 10, die met deze tijding terstond naar het hof ging, vers 11, en zij was er niet minder zeer welkom om, dat zij het eerst door melaatsen gebracht was.