13. Alzo zal Mijn toorn volbracht worden, en Ik zal Mijne grimmigheid op hen doen rusten, en Mij troosten (
Jesaja 1:24.
Deuteronomium 28:63) en Mij wreken; en zij zullen weten, dat Ik, de HEERE, in Mijnen ijver gesproken heb, als Ik Mijne grimmigheid tegen hen volbracht zal hebben 1).
1) De ijver der Goddelijke strafgerechtigheid wordt geschetst zonder het beeld van menselijke wraakzucht. De Profeet had daarbij niet te vrezen, dat men aan God het onreine van zodanige wraakzucht zou toeschrijven. In onzen tijd zijn de vijanden der Schrift zeer zeker tot zodanige opvatting bereid, ofschoon de onbevooroordeelde lezer dit zeer goed kan vermijden als hij slechts wil.
In dit vers leert de Profeet slechts wat Hij te voren heeft gezegd, maar bij wijze van bevestiging, dat de wrake Gods verschrikkelijk zou zijn en niet eerder een einde nemen, dan wanneer het volk was ontbloot en vernietigd. Er zijn er die menen, dat dit er tussen is gesteld, dat God de kracht van Zijn straf zou matigen, maar zo zou, volgens hen, het vers een belofte van vergiffenis inhouden. Veeleer is het echter een bedreiging, want het kan niet wat zij aannemen, dat God zou maken, dat Zijn toorn zou gaan rusten. Er volgt toch: en zij zullen weten, dat Ik de Heere ben, die gesproken heb, als Ik Mijn grimmigheid tegen hen zal volbracht hebben. En het tekstverband, zoals wij later zullen zien spreekt dit geheel tegen. Dit blijve derhalve vast, dat de Profeet hier geen matiging der straffen aan het volk belooft, maar voortgaat in het aankondigen van de straf, waaraan hij te voren heeft herinnerd.