Jeremia 1:1-3
Wij hebben hier zoveel als nodig geoordeeld werd omtrent het geslacht van de profeet en de tijd van zijn profetische werkzaamheid ons te doen weten.
1. Wordt ons gezegd van welke familie de profeet was. Hij was de zoon van Hilkia, niet naar men onderstelt die Hilkia, welke ten tijde van Josia hogepriester was (want dan zou hij hier als zodanig genoemd zijn, en niet, gelijk het geval is: een van de priesters, die te Anathoth waren), maar van een ander van dezelfde naam. "Jeremia" betekent: een die door de Heere verwekt is. Van Christus wordt gezegd dat Hij is een profeet "dien de Heere onze God ulieden verwekken zal", Deuteronomium 18:15, 18. Hij was uit de priesters, en als priester was hij gemachtigd en geroepen om het volk te onderwijzen, maar aan die machtiging en roeping voegde God een buitengewone aanstelling als profeet toe. Ezechiël was ook priester. Op die wijze wilde God de eer van het priesterschap hoog houden in een tijd toen het zeer gezonken was door hun zonden en Gods oordelen over hen. Hij was uit de priesters van Anathoth, een priesterstad, die ongeveer drie mijlen van Jeruzalem verwijderd lag. Abjathar had daar zijn landhuis, 1 Koningen 2:26.
2. Wij hebben hier de tijd van zijn profetieën, de kennis daarvan is nodig tot recht verstand van de inhoud.
1. Hij begon te profeteren in het dertiende jaar van de regering van Josia, vers 2. Josia begon in het twaalfde jaar van zijn regering het werk van de reformatie en wijdde zich met alle oprechtheid aan de reiniging van Juda en Jeruzalem van de hoogten en de bossen en de gegoten en gesneden beelden, 2 Kronieken 34:3. Zeer ter rechter tijd was dus deze jonge profeet verwekt om de jonge koning bij te staan en aan te moedigen in zijn werk. Het woord des Heeren kwam tot hem, niet alleen als een opdracht en aanstelling om te profeteren, maar ook als een openbaring van de dingen, die hij overleveren moest. Het is een aanmoediging voor leraren wanneer zij ondersteund en beschermd worden door zo'n Godvrezend vorst als Josia was. En evenzeer is het voor regeringspersonen een belangrijke hulp, indien zij in het werk van de reformatie aangemoedigd en geraden worden, ja indien een goed deel van hun werk voor hen gedaan wordt, door zulke gelovige en ijverige leraren als Jeremia er een was. Nu zou men verwacht hebben wanneer deze beide verenigde krachten, zo'n vorst en zo'n profeet, (zoals in dergelijk geval, Ezra 5:1,2), beide jong samenwerken, dat er zo'n grondige hervorming zou tot stand komen en bevestigd worden, dat de ondergang van kerk en staat daardoor afgewend zou worden. Maar het liep geheel anders. Wij zien dat in het achttiende jaar van Josia er nog een grote menigte van afgoden en afgodische heiligdommen overgebleven was, waarvan het land niet gereinigd werd, want wat kunnen de beste vorsten en profeten doen om de ondergang te voorkomen, van een volk dat niet wil hervormd worden? En daarom, of schoon het een tijd van reformatie was, ging Jeremia voort met de voorspelling van de verwoestende oordelen, die over hen komen zouden, want er is geen erger en dreigender kenmerk voor een volk dan vruchteloze poging tot hervorming. Josia en Jeremia zouden het volk geheeld hebben, maar het wilde niet geheeld worden.
2. Hij ging voort met profeteren gedurende de regeringen van Jojakim en Zedekia, welke ieder elf jaar regeerden. Hij profeteerde tot de gevankelijke wegvoering van Jeruzalems ingezetenen, vers 3, dus totdat de grote gebeurtenis voorviel, die hij zo menigmaal voorzegd had. En daarna zette hij zijn profetie voort Hoofdstuk 40:1. Maar de berekening wordt hier gemaakt tot aan de eerste gebeurtenis, want die was de vervulling van de meeste van zijn profetieën, en van het dertiende jaar van Josia tot de gevankelijke wegvoering verliepen juist veertig jaren. Dr. Lightfoot merkt op dat Mozes juist even lang bij het volk in de woestijn was als leraar, totdat zij in hun eigen land zouden ingaan, en Jeremia was even lang in hun eigen land bij zijn volk als leraar, alvorens het inging in de woestijn van de heidenen. En hij meent dat daarom een bijzonder stempel gedrukt is op de onreinheid van Juda gedurende de laatste veertig jaren, welke Ezechiël gedurende veertig dagen droeg, een dag voor elk jaar, omdat gedurende al die tijd Jeremia onder hen geprofeteerd had, hetgeen hun ongehoorzaamheid zeer verzwaarde. God heeft, in deze profeet, hun slechte zeden gedurende veertig jaren verdragen en ten laatste in Zijn toorn gezworen dat zij niet in Zijn rust mochten blijven.