Mattheus 6:5-8
In het gebed hebben wij meer onmiddellijk met God te doen dan met aalmoes doen, en daarom is het van nog zoveel te groter belang voor ons om er oprecht in te zijn, en dat is het, waar wij hier op gewezen worden. Wanneer gij bidt, vers 5. Het wordt als regel aangenomen, dat alle discipelen van Christus bidden. Zodra Paulus bekeerd was, heet het van hem: Zie, hij bidt. Gij kunt even spoedig een levend mens vinden, die niet ademt, als een levend Christen, die niet bidt. Hierom zal ieder Godvruchtige bidden. Wie zonder gebed is, is zonder genade. "En wanneer gij bidt, zo zult gij niet zijn, gelijk de geveinsden, en niet doen gelijk zij doen," vers 2. Zij die niet willen doen gelijk de geveinsden doen in hun manieren en daden, moeten niet zijn als de geveinsden in hun gemoedsstemming. Hij noemt niemand, maar uit Hoofdstuk 23:13 blijkt, dat Hij hier met geveinsden inzonderheid de schriftgeleerden en Farizeeën bedoelt. Zij maakten zich in hun gebeden schuldig aan twee grote fouten, waartegen wij hier gewaarschuwd worden: -verwaandheid, vers 5 en 6, en ijdele herhalingen, vers 7, 8.
I. Wij moeten niet hovaardig en verwaand zijn in het gebed, den lof van mensen niet op het oog hebben. Merk hier op:
1. Wat de manier en de praktijk was der geveinsden. Het was duidelijk, dat, wat zij voornamelijk op het oog hadden bij al hun Godsdienstige verrichtingen, was, geprezen te worden door hun naasten, en dan daarmee hun voordeel te doen. Als zij in het bidden het oog naar boven schenen te richten, (en als het in oprechtheid geschiedt, dan is dit het opstijgen der ziel tot God), zo was zelfs dan hun oog naar omlaag gekeerd als op hun prooi. Merk op:
a. Welke plaatsen het waren, die zij voor hun gebedsoefeningen uitkozen, zij baden in de synagogen, dat wel zeer geschikte plaatsen waren voor het openbare gebed, maar niet voor het bijzondere, het persoonlijke gebed. Hiermede wendden zij voor de plaats hunner bijeenkomsten te willen eren, maar hun bedoeling was zich zelven te eren. Zij baden op de hoeken der straten, de brede straten (dat is de betekenis van het woord), die het drukst, het meest bezocht waren. Daarheen begaven zij zich als onder een vromen aandrang, die geen uitstel gedoogde, maar in werkelijkheid was het, opdat zij opgemerkt zouden worden. Daar, waar twee straten zich kruisten, waren zij niet slechts in het gezicht van beiden, maar ieder voorbijganger, die in hun nabijheid kwam, moest hen zien, hen opmerken, en horen wat zij zeiden.
b. Hun houding in het gebed, zij baden staande, dit is ene wettige en betamelijke houding, Markus 11:25. Wanneer gij staat om te bidden, maar knielen is de ootmoediger en eerbiediger houding, Lukas 22:41, Handelingen 7:60, Efeze 3:14. Hun staan scheen op hoogmoed en zelfvertrouwen te duiden, Lukas 18:11. De Farizeeër staande, bad.
c. Hun hoogmoed in het uitkiezen van deze openbare plaatsen, die te kennen wordt gegeven in twee zaken. Zij plegen daar gaarne te bidden. Zij beminden het gebed niet op zich zelf, maar zij beminden het, als het hun de gelegenheid gaf om opgemerkt te worden. De omstandigheden kunnen het soms nodig maken, dat onze goede daden openlijk gedaan moeten worden, zodat zij dan door anderen worden opgemerkt en geprezen, maar de zonde en het gevaar treden in, als wij dit gaarne doen, als wij dit liefhebben, als het ons behaagt, omdat het onzen hoogmoed streelt. Dat zij van de mensen gezien worden, niet opdat zij Gode welbehaaglijk zijn, maar opdat zij door de mensen toegejuicht en bewonderd zullen worden, en opdat zij dan gemakkelijk het goed van weduwen en wezen in handen krijgen (wie zou zulk een vroom, biddend man niet vertrouwen?) en als zij ze hadden, ze op te eten, zonder verdacht te worden, Hoofdstuk 23:14, en dus hun bedoelingen en plannen om het volk tot dienstbaarheid te brengen des te beter te kunnen uitvoeren.
d. De uitkomst hiervan, zij hebben hun loon weg. Zij hebben al het loon, dat zij ooit van God kunnen verwachten voor hun diensten, en het is een zeer armzalig loon. Wat zal het ons baten het goede woord te hebben van onze mededienstknechten, zo onze Meester niet zegt: Wèl, gij goede en getrouwe dienstknecht. Maar als wij in zo groot en gewichtig ene handeling tussen ons en God als wij in het gebed zijn, aan zo nietig ene zaak kunnen denken als de lof van mensen is, dan is het ook rechtvaardig, dat al ons loon in dien lof bestaat. Zij deden het om van de mensen gezien te worden, en zij zijn het, moge het hun veel goed doen! Zij die zich Gode welbehaaglijk willen maken door hun oprechtheid in den Godsdienst, moeten geen acht slaan op lof van mensen. Het is niet tot mensen, dat wij bidden, en van hen verwachten wij gene verhoring. Zij zijn onze rechters niet, zij zijn slechts stof en as, gelijk wij zelven, en daarom moeten wij niet hen op het oog hebben. Wat er tussen God en onze ziel omgaat, moet buiten het gezicht blijven. In onze Godsverering in de synagoge moeten wij alles vermijden, dat de strekking heeft om onze persoonlijke vroomheid in het oog te doen vallen, gelijk zij, die hun stem in de hoogte deden horen, Jesaja 58:4. Openbare plaatsen zijn niet geschikt voor plechtig persoonlijk gebed. Wat hier tegenover de wil is van Jezus Christus. Ootmoed en oprechtheid zijn de twee grote lessen, die Christus ons leert. Gij, wanneer gij bidt, doet zo en zo, vers 6, gij in het bijzonder, alleen, en voor u zelven. Het persoonlijk bidden wordt hier verondersteld de plicht en de beoefening te wezen van alle discipelen van Christus. Let
a. op de aanwijzingen, die hieromtrent gegeven worden. In plaats van te bidden in de Synagogen en op de hoeken der straten, gaat in uwe binnenkamer, in de ene of andere plaats van afzondering. Izaak ging in het veld, Genesis 24:63. Christus op een berg. Petrus op het dak. Ten opzichte van ceremonie of plechtigheid, is gene plaats verkeerd, zo zij slechts beantwoordt aan het doel. Het verborgen bidden moet in de afzondering geschieden, opdat wij niet opgemerkt worden, en aldus praalvertoon kunnen vermijden, ongestoord, en aldus afleiding kunnen vermijden, stil, zodat wij met des te groter vrijheid kunnen bidden. Zijn de omstandigheden echter zo, dat wij het bij gene mogelijkheid kunnen vermijden opgemerkt te worden, dan moeten wij daarom den plicht niet verzuimen, opdat het nalaten niet nog groter aanstoot geeft dan het nakomen van den plicht. In plaats van het te doen om van de mensen gezien te worden, bidt uwen Vader, die in het verborgen is, bidt Mij, Mij, Zacheria 7:5, 6. De Farizeeën baden veeleer tot de mensen dan tot God, wat ook de vorm was van hun gebed, hun doel was de toejuiching en de gunst van mensen te verwerven. "Gij nu, bidt tot God, en laat dit u genoeg zijn. Bidt tot Hem als Vader, als uw Vader, bereid om u te horen en te verhoren, genadiglijk geneigd om medelijden met u te hebben, u te helpen en u te ondersteunen. Bidt uwen Vader, die in het verborgen is. In het verborgen bidden moeten wij het oog hebben op God, als tegenwoordig zijnde aan alle plaatsen. Hij is in uwe binnenkamer, als niemand anders er is, dáár is Hij inzonderheid nabij u in hetgeen waarvoor gij Hem aanroept. Door het verborgen bidden geven wij Gode de eer van Zijne alomtegenwoordigheid, Handelingen 17:24, en wij kunnen er voor ons zelven vertroosting aan ontlenen.
b. De aanmoediging, die er ons hier voor gegeven wordt. Uw Vader ziet in het verborgen, Zijn oog is op u, om u aan te nemen, als het oog van geen mens op u is, om u toe te juichen, Ik zag u onder den vijgenboom zei Christus tot Nathanaël, Johannes 1:48. Hij zag Paulus in het gebed in die en die straat, in dat en dat huis, Handelingen 9:11. Er is geen verborgen zuchten naar God, of Hij bemerkt het. Hij zal het u in het openbaar vergelden. Die het in het openbaar doen, hebben hun loon weg, en gij zult het uwe niet verliezen door het in het verborgen te doen. Het wordt ene vergelding genoemd, maar het is uit genade, niet uit een verschuldigd zijn, welke verdienste kan er gelegen zijn in bedelen? De vergelding zal in het openbaar geschieden, zij zullen haar niet slechts ontvangen, maar haar eervol ontvangen. De geveinsden beminnen wel de openbare vergelding, maar zij hebben geen geduld om er op te wachten. De oprechten zijn er dood voor, maar zij zullen haar overvloedig ontvangen. Soms wordt gebed in het verborgen in het openbaar beloond in deze wereld, door een zichtbare, merkbare verhoring er van, die Gods biddend volk openbaart in het geweten hunner tegenstanders, evenwel, op den groten dag zal er ene openbare vergelding zijn, wanneer al het biddende volk met den groten Voorspraak zal verschijnen in heerlijkheid. De Farizeeën hadden hun loon voor het oog van de gehele stad, en het was ene blote flikkering, ene schaduw, ware Christenen zullen het hun hebben voor het oog der gehele wereld, van engelen en mensen, en het zal een eeuwig gewicht der heerlijkheid zijn.
II. Wij moeten in het gebed gene ijdele herhalingen gebruiken, vers 7, 8. Hoewel het leven des gebeds gelegen is in het opheffen der ziel en het uitstorten van het hart, is er toch ook enig nut, dat woorden hebben in het gebed, inzonderheid in het gezamenlijk bidden, want daarin zijn woorden nodig, en het schijnt dat de Heiland inzonderheid daar nu van spreekt, want te voren had Hij gezegd als gij bidt (in het enkelvoud) en hier: als gijlieden bidt (dus in het meervoud), en het gebed onzes Heeren, dat volgt, is een gezamenlijk, of gemeenschappelijk gebed, en hierin zal hij, die de mond is van de anderen, het meest in verzoeking zijn om praal van woorden en uitdrukkingen te gebruiken. Daartegen worden wij hier gewaarschuwd: gebruikt geen ijdel verhaal van woorden, hetzij alleen of met anderen. De Farizeeën deden dit, zij deden lange gebeden, Hoofdstuk 13:14, al hun streven was ze lang te maken. Merk nu op:
1. Wat het gebrek is, dat hier bestraft en veroordeeld wordt: het is van het gebed een bloot lippenwerk te maken, het is de dienst van de tong, als het niet is de dienst der ziel.
a. Dit wordt hier uitgedrukt door twee woorden: Battologia, Polulogia. IJdele herhalingen, een ijdel overbabbelen, telkens en nogmaals, van dezelfde woorden, zonder enig nut, zoals die nabootsing van den omhaal van woorden van een dwaas, Prediker 10:14. De mens weet niet wat het zij, dat geschieden zal, en wat na hem geschieden zal, wie zal het hem te kennen geven? hetgeen onvoegzaam en weerzinwekkend is in elk spreken, hoe veel te meer dan niet in het spreken met God! Niet alle herhaling in het gebed wordt hier afgekeurd, maar alleen ijdele herhalingen. Christus zelf bad, zeggende dezelfde woorden, Hoofdstuk 26:44, en dit kwam voort uit meer dan gewone vurigheid en ijver, Lukas 22:44. Zo ook Daniël, Hoofdstuk 9:18, 19. En er is ene zeer sierlijke herhaling van dezelfde woorden in Psalm 136. Dit kan nuttig zijn om onze eigene aandoeningen en de aandoeningen van anderen op te wekken. Maar het bijgelovige herhalen van een aantal woorden, zonder acht te slaan op hun zin en betekenis, zoals de Papisten op hun rozenkrans zo vele Ave-Maria's en zo vele Paternosters opzeggen, of het dorre, onvruchtbare, gedurige herhalen van dezelfde zaken, alleen maar om het gebed te rekken, en een vertoon van aandoening te maken, waar gene wezenlijke aandoening is, dat zijn de ijdele herhalingen, die hier veroordeeld worden. Als wij veel zouden willen zeggen, maar niet veel weten te zeggen dat ter zake is, dan mishaagt dit aan God en aan alle wijze mensen. b. Veelheid van woorden, wijdlopigheid in het gebed, hetzij uit hoogmoed of uit bijgeloof, of uit de mening, dat het nodig is aan God inlichtingen te verstrekken, of dat met Hem geredeneerd moet worden, of uit blote dwaasheid en ongepastheid, omdat men zich gaarne zelf hoort spreken. Niet alsof alle langdurig bidden verboden is, Christus bad een gehelen nacht, Lukas 6:12. Salomo's gebed was lang. Lange gebeden zijn soms nodig, als wij in buitengewonen gemoedstoestand verkeren, of met buitengewone noden en behoeften tot God gaan, doch het gebed te verlengen, alsof het dan Gode meer welbehaaglijk was, en meer zou overmogen, dat is het wat hier wordt veroordeeld. Niet het vele bidden wordt veroordeeld, neen, wij moeten altijd bidden, maar het vele spreken. Het gevaar dezer dwaling ontstaat, als wij onze gebeden slechts opzeggen, niet als wij ze bidden. Deze waarschuwing wordt verklaard door die van Salomo: Laat uwe woorden weinig zijn, Prediker 5:1, bedachtzaam en wèl overwogen, Neem woorden met u, Hosea 14:3, kies woorden uit, Job 9:14, en zeg niet alles wat u voor den mond komt.
2. Welke redenen hier tegen gegeven worden.
a. Dat is de wijze van doen der Heidenen, gelijk de Heidenen, en het betaamt gene Christenen om hun God te aanbidden, zoals de Heidenen hun goden aanbidden. De Heidenen hebben door het licht der natuur geleerd. God te aanbidden, maar verijdeld geworden zijnde in hun overleggingen betreffende het voorwerp hunner aanbidding, is het geen wonder dat zij dit ook werden ten opzichte van de manier er van, zich God voorstellende gans en al zoals zij zelven zijn, dachten zij, dat Hij vele woorden nodig had om te kunnen begrijpen wat zij tot Hem zeiden, of Hem over te halen hun verzoek in te willigen, alsof Hij zwak en onwetend was en moeilijk te verbidden. Zo hebben de Baäls-priesters gezwoegd van den morgen tot bijna aan den avond met hun ijdele herhalingen van "O Baäl, antwoord ons, o Baäl, antwoord ons," en wèl waren dit ijdele herhalingen! Maar Elia heeft in ene ernstige, kalme gemoedsstemming met een zeer kort gebed overmocht, om eerst vuur van den hemel te verkrijgen, en daarna water. 1 Koningen 18:26, 36. Lippenwerk in het gebed, al is het nog zo fraai bewerkt, is, zo dit alles is, toch nutteloos werk.
b. Die wijze van bidden is voor u niet nodig, want uw Vader in den hemel weet wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt, en daarom is zulk een overvloed van woorden gans overbodig. Hieruit volgt nu niet, dat gij niet nodig hebt te bidden, want God eist van u, dat gij door het gebied uwe behoefte aan Hem en uwe afhankelijkheid van Hem zult erkennen, dat gij zult pleiten op Zijne beloften, maar daarom moet gij Hem uwe zaak blootleggen, en uw hart voor Hem uitstorten en dan verder de zaak aan Hem overlaten. De God, tot wie wij bidden, is onze Vader door de schepping en door het verbond, daarom behoort ons spreken met Hem ongedwongen en natuurlijk te zijn, kinderen houden gene lange redevoeringen tot hun ouders, als zij iets verlangen, het is genoeg te zeggen: mijn hoofd! mijn hoofd! Laat ons tot Hem komen met de gezindheid van kinderen, met liefde, eerbied en afhankelijkheid, en dan behoeven zij niet zo vele woorden te gebruiken, die door den Geest der aanneming geleerd hebben dat ene woord recht te zeggen: Abba, Vader. Hij is een Vader, die onze omstandigheden kent en beter weet dan wij zelven wat wij nodig hebben. Zijne ogen doorlopen de ganse aarde, om op de behoeften Zijns volks te letten, 2 Kronieken 16:9, en dikwijls geeft Hij eer zij roepen, Jesaja 65:24, en boven al wat wij bidden, Efeze 3:20 en als Hij Zijn volk niet geeft waar zij om vragen, dan is het, omdat Hij weet, dat zij het niet nodig hebben, en dat het niet tot hun welzijn is, en daarover kan Hij beter oordelen dan wij zelven. Wij behoeven niet lang te zijn en niet vele woorden te gebruiken om Hem onze zaak voor te stellen, God kent haar beter dan wij Hem haar kunnen uitleggen, alleen maar: Hij wil haar van ons vernemen (wat wilt gij, dat ik u doe?), en als wij Hem gezegd hebben wat het is, dan moeten wij ons op Hem beroepen: Heere! voor U is al mijne begeerte, Psalm 38:10. Het is er zo ver vandaan, dat het de lengte van ons spreken is in het gebed, dat op God werkt, dat juist het krachtigste bidden het bidden is in onuitsprekelijke zuchtingen, Romeinen 8:26. Wij moeten God niet voorschrijven wat Hij doen zal, wij moeten wat Hij doet onderschrijven.