Mattheus 6:16-18
Hier worden wij gewaarschuwd tegen geveinsdheid bij vasten, zoals te voren bij aalmoes doen en in het gebed.
I. Hier wordt verondersteld, dat Godsdienstig vasten een plicht is, die van de discipelen van Christus geëist wordt, als God in Zijne voorzienigheid er hen toe roept, en als de toestand hunner eigene ziel het nodig maakt, wanneer de bruidegom van hen zal weggenomen zijn, dan zullen zij vasten, Hoofdstuk 9:15. Het vasten wordt hier het laatst genoemd, omdat het op zichzelf geen plicht is, maar slechts een middel om voor andere plichten geschikt te maken. Het bidden komt tussen het aalmoes doen en het vasten, als zijnde het leven en de ziel van beiden. Christus spreekt hier inzonderheid van het persoonlijke, afzonderlijke vasten, zoals bijzondere personen het zich zelven opleggen, als een vrijwillige offerande, algemeen in gebruik onder de vrome Joden. Sommigen vastten eenmaal per week, anderen tweemaal, anderen minder, dikwijls, al naar dat zij er reden voor zagen. Op zulke dagen aten zij niets voor zonsondergang, en dan nog slechts matig. Het was niet het tweemaal per week vasten van den Farizeeër, dat Christus afkeurde, maar wel zijn zich beroemen er op, Lukas 18:12. Het is ene goede gewoonte, en wij hebben reden om het te betreuren, dat het over het algemeen zo veronachtzaamd wordt door de Christenen. Anna heeft veel gevast, Lukas 2:37. Cornelius vastte en bad, Handelingen 10:30. De eerste Christenen hadden het ook veel beoefend, zie Handelingen 13:3, 14:23. Het afzonderlijke vasten wordt verondersteld, 1 Corinthiërs 7:5. Het is ene daad van zelfverloochening en doding van het vlees, ene heilige wraakoefening op ons zelven, en een zich vernederen onder de hand Gods. De verst gevorderde Christenen moeten hierbij erkennen, dat zij, wel verre van iets te hebben om op te roemen, hun dagelijks brood onwaardig zijn. Het is een middel om het vlees en deszelfs begeerlijkheden ten onder te houden, en ons opgewekter te maken in Godvruchtige oefeningen, daar zatheid van brood geschikt is om slaperig te maken. Paulus was in vasten menigmaal, en zo heeft hij zijn lichaam bedwongen, en het tot dienstbaarheid gebracht.
II. Wij worden gewaarschuwd dit niet te doen gelijk de geveinsden, ten einde er het loon niet van te verliezen, en hoe moeilijker de plicht is, hoe groter het verlies, als wij het loon er van verliezen.
1. Nu hebben de geveinsden vasten voorgewend, terwijl er toch niets van die droefheid en verootmoediging der ziel in hen was, die het leven en de ziel uitmaken van dien plicht.
Het was een nagemaakt vasten, de schijn en schaduw zonder het wezen, zij gaven groter verootmoediging voor dan zij gevoelden, en zo trachtten zij dan God te bedriegen, en groter belediging konden zij Hem niet aandoen. Het vasten, dat God heeft verkoren, is een dag om de ziel te kwellen, niet om het hoofd te krommen gelijk ene bieze, niet om een zak en as onder zich te spreiden, wij vergissen ons grotelijks als wij dit vasten noemen, Jesaja 58:5. Indien het slechts ene oefening van het lichaam is, dan is het van weinig nut, daar dit niet is Gode te vasten.
2. Zij maakten hun vasten bekend, en legden het zo aan, dat allen, die hen zagen, zouden bemerken, dat het een vastendag voor hen was. Zelfs op die dagen vertoonden zij zich op straat, terwijl zij in hun binnenkamer hadden behoren te blijven, en zij wendden neerslachtigheid voor met een droevig gelaat, een langzamen en plechtigen gang, en zij mismaakten zich zo, dat de mensen zien konden hoe dikwijls zij vastten, en hen dan konden roemen als buitengewoon vrome mannen. Het is treurig, dat mensen, die enigermate hun' lust, die ene zinnelijke slechtheid is, hebben beheerst, ten ondergang worden gebracht door hun hoogmoed, die ene geestelijke boosheid is, en niet minder gevaarlijk. Ook hier hebben zij hun loon weg, dien lof en die toejuiching van mensen, die zij zo zeer begeerd hebben, zij hebben ze, en dat is hun al.
III. Er wordt ons hier aangewezen hoe te doen bij zulk een persoonlijk vasten, wij moeten het voor ons zelven houden, vers 17, 18. Hij zegt ons niet, hoe dikwijls wij moeten vasten, de omstandigheden verschillen, en het is goed om door de wijsheid hierin geleid te worden, de Geest in het woord heeft dat gelaten voor den Geest in het hart, maar neem dit als regel: als gij u tot dien plicht begeeft, streef er naar u Gode welbehaaglijk te maken, maar u niet aan de goede mening der mensen aan te bevelen, uwe verootmoediging moet steeds met ootmoed gepaard gaan. Christus geeft gene aanwijzing om iets van de werkelijkheid van het vasten af te doen, Hij zegt niet: "neemt een weinig spijs, of een weinig drank, of ene kleine hartsterking", neen, "laat het lichaam lijden, maar toont het niet, hebt uw gewone uitzien, vertoont u met uw gewone voorkomen, in uwe gewone klederen, en terwijl gij u de lichamelijke verkwikking ontzegt, doet het zo, dat anderen het niet merken, ja zelfs zij niet' die u het naaste zijn, ziet er aangenaam uit, zalf uw hoofd en was uw aangezicht, zoals gij op gewone dagen doet, teneinde deze vrome oefening verborgen te houden, en dan zult gij er ten laatste toch den lof niet van verliezen, want hoewel, die lof u dan niet komt van mensen, zo komt hij u toch van God." Vasten is ene verootmoediging der ziel, Psalm 38:13, dat is het innerlijke van den plicht, laat dit dan uwe voornaamste zorge zijn, en wat het uitwendige er van betreft, begeer niet dat het gezien worde. Als wij oprecht zijn in ons plechtig vasten, en ootmoedig, en als wij vertrouwen op Gods alwetendheid tot getuige, en op Zijne goedheid tot ons loon, dan zullen wij bevinden, dat Hij ziet in het verborgen, en dat Hij in het openbaar zal vergelden. Het Godsdienstig vasten zal, indien het op de rechte wijze geschiedt, weldra beloond worden met een eeuwig feestvieren. Ons welbehaaglijk zijn aan God in ons persoonlijk vasten, moet ons als dood doen zijn zowel voor de toejuiching der mensen (wij moeten den plicht niet doen in de hoop van die te verwerven) als voor de afkeuring der mensen (wij moeten den plicht niet nalaten, ten einde die te ontgaan). David's vasten werd hem tot ene versmaadheid, Psalm 69:11, en toch, vers 14, Mij aangaande, laat hen zeggen van mij wat zij willen, mijn gebed is tot U in den tijd des welbehagens.