Leviticus 2:1-10
Sommige spijsoffers zijn slechts aanhangsels geweest van de brandoffers, zoals dat, hetwelk met het dagelijks offer geofferd werd, Exodus 29:38, 39, en van de dankoffers, waaraan drankoffers toegevoegd werden, zie Numeri 15:4, 7, 9, 10, en daarvan werd de hoeveelheid bepaald. Maar de wet in dit hoofdstuk betreft die spijsoffers, welke alleen en op zichzelf geofferd werden, als men een reden zag om aldus uiting te geven aan zijn godsvrucht. Het eerste offer, waarvan wij in de Schrift lezen, was van die soort, Genesis 4:3. Kaïn bracht van de vrucht van het land de Heere offer. Deze soort offeranden werd ingesteld:
I. Met het oog op de armen en hetgeen waartoe zij instaat waren, opdat zij die zelf slechts van brood en meelkoeken leefden, aan God een welbehaaglijk offer konden brengen uit hetgeen hun eigen grove, eenvoudige spijze was, en door eerst voor Gods altaar, zoals de weduwe van Sarepta voor Zijn profeet, een kleine koek te maken, zulk een zegen voor zich zouden verkrijgen op het handvol meel in de kruik en het weinigje olie in de fles, dat het meel niet verteerd zal worden en de olie niet ontbreken zal.
II. Als een voegzame erkenning van Gods goedertierenheid jegens hen in hun voedsel. Dit was een soort cijns, waarmee zij hun afhankelijkheid van God betuigden, hun dankbaarheid aan Hem, en hun verwachting van Hem als hun eigenaar en weldoener, die aan allen het leven, en de adem en het brood hun bescheiden deels geeft. Aldus moesten zij hun Heer eren met hetgeen zij bezaten, en ten teken van hun eten en drinken ter ere van Hem, een deel van hun spijs en drank afstaan voor Zijn onmiddellijke dienst. Zij, die thans, met een dankbaar en liefdevol hart, hun brood aan de hongerige mededelen, en in de behoeften voorzien van hen, die gebrek hebben aan het dagelijks voedsel, en als zij zelf het vette eten en het zoete drinken, delen zenden aan hen, voor wie niets bereid is, offeren Gode een welbehaaglijk spijsoffer. De profeet betreurt het als een van de verschrikkelijke uitwerkselen van hongersnood, dat hierdoor "prijsoffer en drankoffer van het huis van de Heer is afgesneden," Joël 1:9, en hij rekent het tot de grootste zegen van overvloed, dat die de wederopleving daarvan tengevolge zal hebben, Joël 2:14.
De wetten nu van het spijsoffer waren deze:
1. De bestanddelen er van moeten altijd meelbloem en olie zijn, twee van de voornaamste voortbrengselen van Kanaän, Deuteronomium 8:8. Voor hen was olie in hun spijze wat nu voor ons boter is. Indien het niet toebereid was, dan moest de olie op het meelbloem gegoten worden, vers 1, indien het gekookt was, dan moest de olie met het meelbloem gemengd zijn, vers 4 en verv.
2. Indien het opgebakken meelbloem was, dan moest behalve de olie, ook wierook er op gelegd worden, om er mede verbrand te worden, vers 1, 2- om het altaar welriekend te maken, in toespeling hierop worden evangeliedienaren gezegd voor God een goede reuk te zijn, 2 Corinthiërs 2:15.
3. Indien het bereid werd, mochten zij dit op verschillende wijze doen, zij mochten het bakken of braden, of het meel en de olie mengen in een pan, en om dit te doen waren in de tabernakel gereedschappen voorhanden. De wet was zeer stipt zelfs voor de offers, die het minst kostbaar waren, om aan te duiden dat God kennis neemt van de godsdienstige handelingen, die zelfs door de armen onder Zijn volk met een vroom gemoed verricht worden. 4. Het moest door de offeraar aan de priester gegeven worden, dat toebrengen tot de Heer genoemd wordt, vers 8, want de priesters waren Gods ontvangers, en waren verordineerd om gaven te offeren.
5. Een deel er van moest op het altaar verbrand worden, tot een gedenkoffer, dat is: ten teken van hun gedenken van Gods milddadigheid jegens hen, daar Hij hun alle dingen rijkelijk verleent om te genieten. Het was een vuuroffer, vers 2, 9. Het verteren er van door vuur kon hen doen gedenken, dat zij verdienden, dat al de vruchten van de aarde aldus verbrand werden, en dat het de goedertierenheid van de Heer was, dat dit niet geschiedde. Zij konden er ook uit leren dat, "gelijk de spijzen zijn voor de buik, en de buik is voor de spijzen God beide deze en die teniet zal doen," 1 Corinthiërs 6:13, en dat de mens niet alleen bij brood leeft. Dit vuuroffer wordt hier gezegd als een lieflijke reuk voor de Heer te wezen, en dat zijn ook onze geestelijke offeranden, die gemaakt zijn door het vuur van de heilige liefde, inzonderheid het geven van aalmoezen, dat gezegd wordt "een welriekende reuk te zijn, een aangename offerande, Gode welbehaaglijk,' Filippenzen 4:18, en, Hebreeën 13:16, aan zodanige offeranden heeft God een welbehagen.
6. Wat overbleef van het spijsoffer moest aan de priesters worden gegeven, vers 3, 10. Het is een heiligheid van de heiligheden, dat niet gegeten moest worden door hen, die het offerden, zoals de dankoffers, (welke, hoewel heilig, toch geen heiligheid van de heiligheden waren), maar alleen door de priesters en hun gezin. Aldus heeft God er in voorzien dat zij die aan het altaar dienden, van het altaar zullen leven, ja, aangenaam zullen leven.